I.

De secretaris Onno Eldersma had het druk. De post bracht iederen dag

aan het rezidentiebureau, waaraan twee kommiezen, zes klerken waren

verbonden, tal van djoeroe-toelis en magangs [11], gemiddeld een paar

honderd brieven en stukken en de rezident mopperde dadelijk zoodra er

achterstallig werk was. Hij werkte zelve stevig aan, hij verlangde van

zijn ambtenaren het zelfde. Maar soms was het een stortvloed van

stukken, requesten, aanvragen. Eldersma was het type van den in zijn

geschrijf opgaanden bureau-ambtenaar, en Eldersma had het altijd druk.

Hij werkte ’s morgens, ’s middags, ’s avonds. Aan siësta deed hij niet.

Hij rijsttafelde even om vier uur, en daarna rustte hij even uit.

Gelukkig had hij een sterk gestel, frisch, Friesch, maar al zijn bloed,

al zijn spieren, al zijn zenuwen waren hem noodig voor zijn werk. Het

was niet wat schrijfwerk, wat paperassengedoe: het was handenarbeid van

de pen, spierarbeid, zenuwarbeid, en altijd, altijd door. Hij brandde

op, hij verteerde zichzelven, al schrijvende. Hij had geen andere

ideeën meer, hij was niets meer dan ambtenaar, bureau-man. Hij had een

lief huis, een allerliefste bizondere vrouw, een aardig kind, maar hij

zag ze niet meer, al leefde hij, vaag, in zijn intérieur. Hij werkte

maar, nauwgezet, afdoende wat hij kon. Soms zeide hij den rezident, dat

het hem onmogelijk was meer te doen. Maar Van Oudijck, op dit punt, was

onverbiddellijk, erbarmingloos. Hij was zelve gewestelijk secretaris

geweest: hij wist wat het was. Het was werken, het was voortjakkeren

als een karrepaard. Het was leven, eten, slapen, met de pen in de hand.

Dan toonde Van Oudijck hem dat en dat werk, dat afgedaan moest worden.

En Eldersma, die gezegd had, dat hij niet meer kon doen dan hij deed,

deed het werk af, en deed dus altijd nog wat meer dan hij dacht te

kunnen doen.

Dan zeide zijn vrouw, Eva: mijn man is geen mensch meer, mijn man is

geen man meer: mijn man is ambtenaar. Het jonge vrouwtje, zeer

Europeesch, vroeger nooit in Indië geweest, nu al een paar jaar te

Laboewangi, had nooit geweten, dat men zóo kon werken als haar man

deed, in een land zoo warm als Laboewangi was in de Oostmousson. Zij

had er zich eerst tegen verzet, zij had eerst hare rechten op hem

willen doen gelden, maar toen zij waarlijk zag, dat hij geen minuut te

veel had, zag zij van hare rechten af. Zij had dadelijk ingezien, dat

haar man niet met haar zoû meêleven, en zij niet met haar man, niet

omdat hij geen goede man was, die veel van zijn vrouw hield, maar

alleen omdat de post iederen dag tweehonderd brieven en stukken

aanbracht. Zij had dadelijk gezien, dat zij in Laboewangi—waar niets

was—haar troost moest vinden in haar huis, en later, in haar kind. Zij

richtte haar huis in als een tempel van kunst en gezelligheid, en zij

brak zich het hoofd over de opvoeding van haar kleinen jongen. Zij was

een artistiek ontwikkelde vrouw, en zij kwam uit een artistiek milieu.

Haar vader was Van Hove, onze beroemde landschapschilder; hare moeder

was Stella Couberg, onze beroemde concertzangeres. Eva, opgevoed in een

tehuis van kunst en muziek, en die ze geademd had van af klein kindje

uit hare prenteboekjes, en in hare kinderliedjes—Eva had een

Oost-Indisch ambtenaar getrouwd, en was hem gevolgd naar Laboewangi.

Zij hield van haar man, een flinke Friesche kerel, en iemand, genoeg

ontwikkeld om belang te stellen in veel. En zij was gegaan, gelukkig

om haar liefde, en met groote illuzie over Indië, over al het

oriëntalische der tropen. En zij had hare illuzie willen behouden, hoe

men haar ook gewaarschuwd had. Reeds in Singapore had haar getroffen de

bronzen beeldkleur der naakte Maleiërs en het bonte oriëntalisme der

Chineesche en Arabische wijken; de Chrysanthème-poezie der Japansche

theehuizen, die zij voorbijreed.... Maar spoedig al, in Batavia, was

eene teleurstelling grijs neêrgezeefd over hare verwachtingen, om

overal in Indië iets moois te zien, een sprookje, de

Duizend-en-Een-Nacht. De zeden van het kleine, het gewone leven van

iederen dag dempten al hare frissche lust tot bewonderen, en zij zag in

eens al het belachelijke, nog vóor zij het mooie verder zien kon. In

haar hôtel de heeren in nachtbroek en kabaai, uitgestrekt op de lange

stoelen, de luie beenen op de uitgeslagen latten, de voeten—hoewel zeer

verzorgd—bloot, en de teenen rustig bewegende in een gemoedelijk spel

van groote en kleine teen, zelfs terwijl zij voorbijging.... De dames

in sarong, kabaai—de eenige praktische morgendracht, die men vlug

verwisselt, twee-, driemaal in den morgen,—maar wat zoo weinigen goed

staat, en waarvan de rechte slooplijn van achteren vooral rechthoekig

en leelijk is, hoe elegant en kostbaar men het ook draagt. De

banaliteit der huizen met al hun kalk en hun teer en leelijke rissen

bloempotten; het dorre verschroeide van de natuur, het viezige van den

inlander... In het Europeesche leven al de kleine belachelijkheidjes:

het sinjo-accent met de uitroepjes, de kleinsteedsche deftigheidjes der

ambtenaren—de Raden van Indië alléen dragende een hoogen hoed... De

streng afgemeten etiquettetjes: op een receptie vertrekt het eerst de

hoogst geplaatste ambtenaar, en de anderen volgen na... En de kleine

eigenaardigheidjes van tropische praktijk: de Devoe-kisten en blikken

van petroleum gebruikt voor alles en nog wat: het hout voor ramen van

winkels, voor vuilnisbakken en eigengemaakte meubeltjes; de blikken

voor dakgoten en gieters en allerlei huiselijk instrument.... Het

jonge, zeer ontwikkelde vrouwtje, met hare illuzies van den

Duizend-en-Een-Nacht, bij die eerste indrukken niet onderscheidende het

kolonialistische,—de praktijk van den Europeaan, die zich inburgert in

een land, vijandig aan zijn bloed—van het waarlijk poëtische, echt

Indische, zuiver Oostersche, louter Javaansche—het jonge vrouwtje had

om al die belachelijkheidjes, en om meerdere nog, dadelijk gevoeld hare

teleurstelling, als een ieder, artistiek aangelegd, ze voelt in het

koloniale Indië, dat in het geheel niet artistiek en poëtisch is, en

waar men om de rozen in witte potten, nauwgezet, zooveel paardevijgen

maar mogelijk stapelt als mest, zoodat bij een bries de rozengeur zich

vermengt met een frisch besproeiden meststank. En zij was

onrechtvaardig geworden—als een ieder—echt Hollandsch, echt baar—het

wordt voor het mooie land, dat hij zien wil volgens zijn voorbedachte

vizie van litteratuur, en dat hem het eerst treft in zijn belachelijke

kantjes van kolonialisme. En zij vergat, dat het land zelve, het

oorspronkelijk zoo heel mooie land geen schuld had aan die

belachelijkheid.

Zij had een paar jaren doorgemaakt, en zij had zich verwonderd, was nu

eens geschrikt, dan weêr geschokt, had nu eens gelachen, zich dan weêr

geërgerd, en had zich eindelijk, met de redelijkheid van hare

natuur,—en praktische weêrzijde van hare kunstziel,—gewend. Zij had

zich gewend aan het spel der teenen, aan de mest om de rozen; zij had

zich gewend aan haar man, die geen mensch en geen man meer was, maar

ambtenaar. Zij had veel geleden, zij had wanhopige brieven geschreven,

zij had van heimwee gesmacht naar het huis harer ouders, zij was op het

punt geweest plotseling te vertrekken—maar zij had het niet gedaan, om

haar man niet in eenzaamheid achter te laten, en zij had zich gewend,

en zij had zich geschikt. Zij had behalve de ziel van een artist—haar

pianospel was buitengewoon—het hart van een dapper vrouwtje. Zij was

haar man lief blijven hebben en zij wist, dat zij hem toch een gezellig

huis gaf. Zij dacht heel ernstig over de opvoeding van haar kind. En

toen zij zich had gewend, werd zij rechtvaardiger en zag zij eensklaps

veel van het mooie van Indië, waardeerde zij de statieuze gratie van

een klapperboom, de exquize paradijssmaak van Indische vruchten, de

pracht der bloeiende boomen, en had zij, in de binnenlanden, gezien den

grootschen adeldom van die natuur, de harmonieën der berggolvingen, de

sprokewouden van reuzevarens, de dreigende ravijnen der kraters, de

spiegeltrapterrassen der liquide sawah’s, met het teedere groen der

jonge padi, en, als een openbaring van artistieke vizie was haar

geweest het karakter van den Javaan: zijne sierlijkheid, zijn gratie,

zijn groet en zijn dans, zijn voorname aristocratie, zoo duidelijk

dikwijls afstammeling van edel geslacht, van een oer-ouden adel, en

zich modernizeerend tot diplomatische lenigheid, van nature aanbiddend

het gezag, en noodlottig gerezigneerd onder het juk van die heerschers,

wier gouden galonnen zijn ingeboren eerbied verwekken.

Om zich had Eva altijd gezien, in haar vaders huis, de eeredienst van

het artistieke en van het schoone, zelfs tot decadentie toe; rondom

haar had men haar altijd gewezen, in een omgeving van louter mooie

dingen, in mooie woorden, in muziek, op de gratie-lijn van het leven,

en misschien te uitsluitend op die gratie-lijn alleen. En nu was zij te

veel getraind in deze school der schoonheid om te blijven in hare

teleurstelling en alleen te zien de kalk en het teer der huizen, de

kleine aanstellerijen der ambtenaren, de Devoe-kisten en de

paardenvijgen. Haar litteraire geest zag nu het paleis-achtige van die

huizen, het typische van dien ambtenaarshoogmoed, die bijna niet anders

zoû kunnen zijn, en al die détails zag zij nauwkeuriger, in geheel die

Indische wereld zag zij ruimer, tot het haar openbaring bij openbaring

werd. Alleen bleef zij voelen iets vreemds, iets, dat zij niet kon

analyzeeren, iets van mysterie, en donker geheim, dat zij voelde

aandonzen in de nachten.... Maar zij dacht, dat was niet meer dan

stemming van duister en heel dicht loof, dat was als heel stille muziek

van heel vreemde snaarinstrumenten, een mineur harpgeruisch in de

verte, een vage stem van waarschuwing.... Een geruisch in den nacht,

meer niet, en waarover zij poëtizeerde.

Te Laboewangi—kleine binnenlandsche hoofdplaats—verbaasde zij dikwijls

de verbinnenlandschte elementen, omdat zij had iets opgewondens, omdat

zij was enthouziast, spontaan, blij te leven—zelfs in Indië—blij om de

schoonheid van het leven, omdat zij had een gezonde natuur, zacht

getemperd en weggedoezeld in een bekoorlijke aanstellerij van niets te

willen dan het mooie, de mooie lijn, de mooie kleur, de kunstgedachte.

Zij was aan die haar kenden, of antipathiek, of zeer sympathisch:

weinigen voelden onverschilligheid voor haar. Zij had zich in Indië

verworven een reputatie van bizonderheid: haar huis was bizonder, hare

kleeding bizonder, de opvoeding van haar kind bizonder, hare ideeën

waren bizonder, en alleen gewoon was haar Friesche man, bijna te gewoon

in die omgeving, die geknipt scheen uit een tijdschrift voor kunst.

Daar zij hield van gezelligheid, verzamelde zij om zich heen zooveel

Europeesch element als maar mogelijk, dat wel zelden artistiek was,

maar waarin zij toch bracht een prettigen toon, iets dat allen aan

Holland deed denken. Dat clubje, die groep bewonderde haar, en volgde

van zelve den toon, dien zij aangaf. Door hare meerdere ontwikkeling

heerschte zij, zonderdat zij de heerschersnatuur had. Maar dat alles

vond een ieder niet goed, en de anderen noemden haar excentriek. De

club echter, de groep, bleef haar trouw, in de zachte loomheid van het

Indische leven opgewekt door haar tot concerten, tot ideeën, tot

levenslust.

Zoo had zij om zich heen den dokter en zijn vrouw, den hoofd-ingenieur

en zijn vrouw, den controleur-kotta en zijn vrouw, en soms, van

buiten-af, een paar controleurs, een paar jonge employé’s van de

suikerfabrieken. Dat was om haar heen een vroolijk troepje, waarin zij

heerschte, met wie zij comedie speelde, pic-nics arrangeerde, en dat

zij bekoorde door haar huis, en haar japonnen, en de epicuristische

kunstlijn van haar leven. Zij vergaven haar alles wat zij niet

begrepen—haar levens-esthetiek, haar muziek van Wagner—omdat zij hun

vroolijkheid gaf, wat levenslust en gezelligheid in de doodschheid van

hunne ver-Indisching. Daarvoor waren zij haar innig dankbaar. En zoo

was het gekomen, dat haar huis eigenlijk middelpunt van het sociale

leven van Laboewangi was geworden, terwijl het rezidentie-huis, er

tegenover, zich in zijn waringin-schaduw met deftigheid terugtrok.

Léonie van Oudijck was er niet ijverzuchtig om. Zij hield van hare

rust, en zij liet dolgraag alles over aan Eva Eldersma. En zoo bemoeide

Léonie zich met niets, niet met feesten, niet met muziek- en

komedie-gezelschap, niet met liefdadigheid, en al de sociale plichten,

die een rezidentsvrouw anders op zich voelt rusten, droeg zij op Eva

over. Léonie had eens in de maand hare receptie, sprak iedereen aan,

glimlachte tegen iedereen en gaf op Nieuwjaar haar jaarlijksch bal.

Daarbij bepaalde zich het sociale leven in het rezidentie-huis. Zij

leefde er verder in haar egoïsme, in de behagelijkheid, die zij

egoïstisch voor zich om zich heen schiep, in haar roze gedroom van

engeltjes en in wat zij er oogsten kon van liefde. Soms, periodiek, had

zij behoefte aan Batavia en ging zij er een paar maanden heen. En zoo

leefde zij, als rezidentsvrouw, haar eigen leven, en Eva deed alles, en

Eva gaf den toon aan. Het gaf soms kleine naijver, bijvoorbeeld

tusschen haar en de vrouw van den inspecteur van financiën, die vond,

dat haar de eerste plaats toekwam na mevrouw Van Oudijck, en niet aan

de vrouw van den secretaris. Dan was het een geharrewar met de Indische

ambtenaars-etiquette en verhalen, praatjes deden de ronde, vergroot,

verergerd, tot in de verst gelegen suikerfabriek van de rezidentie.

Maar Eva stoorde zich niet aan de praatjes en zorgde liever voor wat

gezelligheid in Laboewangi. En om iets goeds tot stand te brengen,

heerschte zij, met haar clubje. Men had haar gekozen tot prezidente van

het tooneelgezelschap Thalia, en zij nam aan, maar op voorwaarde, dat

het reglement zoû worden afgeschaft. Zij wilde wel koningin zijn, maar

zonder grondwet. Men zeide haar algemeen, dat dit toch niet ging: er

was altijd een reglement geweest. Maar Eva antwoordde, dat zij met een

reglement niet wilde prezideeren. Dan zoû zij liever alleen meêspelen.

Men gaf toe: de grondwet van Thalia werd afgeschaft, Eva heerschte er

absoluut, koos de stukken uit, verdeelde de rollen. En het was de

bloeitijd van het gezelschap—men speelde, gedrild door haar, zoo goed,

dat men van Soerabaia kwam om de voorstellingen in Concordia bij te

wonen. De stukken, die men speelde, waren van een gehalte, als nimmer

in Concordia was gespeeld.

Het maakte haar weêr bemind, of in het geheel niet bemind. Maar zij

ging door en zorgde voor wat Europeesche beschaving, om niet al te veel

te „beschimmelen” in Laboewangi. En men deed laagheden om toch maar

geïnviteerd te worden op hare dinertjes, die waren beroemd en berucht.

Want zij eischte, dat hare heeren in rok kwamen en niet in hun

Singaporesche jasjes, zonder hemd. Zij stelde rok en witte das in, en

zij was onverbiddelijk. De dames waren als altijd gedecolleteerd, voor

de koelte en vonden dat heerlijk. Maar hare arme heeren stribbelden

tegen, pufden de eerste maal, kregen congestie in hun hoogen boord; de

dokter beweerde, het was ongezond; de oudgasten beweerden, het was

dolligheid en breken met alle goeie, oude, Indische gewoonten...

Maar toen men eerst een paar maal gepufd had in dien rok en dien hoogen

boord, vond iedereen de dinertjes van mevrouw Eldersma verrukkelijk,

juist omdat ze zoo Europeesch werden gehouden.

De stille kracht · 第 11 / 43 题