II.

Haar gelaat betrok terwijl zij het laatste woord uitsprak en er kwam

een droevige trek op. „Kinder,” ach zij had zoo vurig gehoopt spoedig

moedervreugde te zullen smaken en tot nu toe had zij er niet aan

behoeven te denken toebereidselen te maken voor een welkomen kleinen

gast. Haar eerst zoo hartstochtelijk verlangen was in de afgeloopen

twee jaren langzamerhand in een hopend wachten overgegaan.... maar

toch, het gemis van een kindje op haar schoot ontlokte haar menig

smartelijken zucht. „Niet mijn, maar uw wil, o Heer,” die ootmoedige

woorden wilden Dina niet over de lippen, wanneer haar man haar tot

berusten maande.

Dina kreeg nu een druk, werkzaam leven; spoedig leerde zij de taal een

weinig verstaan en kon er zich, zij het dan ook gebrekkig, in

uitdrukken. Vol ijver aanvaardde zij de haar vanzelf toegewezen taak

als raadsvrouw en onderwijzeres voor vrouwen en kinderen op te treden.

Zij vergezelde haar man op zijne huisbezoeken en, naarmate zij de

menschen beter leerde kennen, trad zij ook dikwijls zonder hem hunne

huisjes binnen of haastte zich, als men haar raad en hare hulp inriep,

deze in persoon te gaan brengen. In de dessa’s en kampongs der gemeente

zag men het vroolijke, vriendelijke zendelingsvrouwtje gaarne komen en

Dina van haar kant mocht hare “Christenleutchen” van harte lijden.

Vooral tot het opgroeiend geslacht voelde zij zich aangetrokken. Drie

keer in de week hield zij school voor groote en kleine meisjes, die zij

in het naaien en zingen onderwees. De anderen nam zij dikwijls mede

naar de keuken, niet zoo zeer om haar het koken te leeren, want de

meesten konden de inlandsche spijzen beter toebereiden dan zij zelve,

maar om haar aan het verstand te brengen, dat reinheid op handen en

keukengereedschap tot de hoofdvereischten behoort van eene goede

kokkin. De aanstaande huisvrouwtjes trachtte Dina te doen begrijpen hoe

veel aangenamer en gezonder zij hare huisjes konden maken, wanneer zij

deze zindelijk en frisch hielden en er alles een behoorlijke vaste

plaats gaven, en zoo gaf zij duizend kleine wenken meer die zij zich

ten nutte konden maken. En zij waren gewillig en volgzaam genoeg,

Dina’s groote zoowel als kleine leerlingen. Allen deden haar best om

het hare geduldige, altijd opgeruimde onderwijzeres naar den zin te

maken. Een verwijtende blik of een afkeurend hoofdschudden waren de

eenige strafmiddelen van de jonge vrouw en met beide deed zij wonderen.

Er verliep bijna geen dag of Dina ging minstens tweemaal met Johannes

naar het in aanbouw zijnde kerkje. Beiden zagen met groot verlangen de

voltooiing te gemoet. De oefeningen werden nu bij hen aan huis

gehouden, waar de noodige ruimte ontbrak en tal van andere bezwaren hen

ieder keer tot elkander deden zeggen: „wanneer zal het voor ’t laatst

zijn?”

„Ik heb heusch ons kerkje al lief,” betuigde het zendelingsvrouwtje af

en toe, terwijl zij vergenoegd het nette, ruime gebouw rondkeek. „Zie

eens hoe flink hoog de vensters zijn en hoe vele zijn er wel! Mij

dunkt, wij zullen het hier niet warm hebben, het dak is zoo hoog en er

staan overal boomen om het huis. Waar zullen we het orgel zetten,

Johannes? Dáár voor het podium?” Zij wipte vlug de steenen treden op,

en vervolgde: „Hier zult ge staan, hé, man, wanneer je preekt? Jammer,

dat er geen geld genoeg is voor een preekstoel, maar een kerkklok

krijgen we toch zeker, niet waar?” Toen Johannes niet dadelijk

antwoordde, verdween de vroolijke trek op Dina’s gezichtje en, hare

vraag herhalend, keek zij hem angstig aan.

„’k Vrees er voor, vrouwtje,” antwoordde de zendeling eindelijk, „het

spijt mij zoo, maar het is toch beter, dat ik het je maar ronduit zeg.

Ik geloof, neen ik weet zeker, dat wij onze kerk niet met klokgelui

zullen inwijden, de kosten zijn niet meegevallen en....” Hij zweeg,

want hij las op Dina’s gelaat zooveel teleurstelling, verslagenheid en

verdriet, dat het hem aan het hart ging en haar liefkoozend op den

schouder kloppend, troostte hij:

„Kom, mijn beste, trek het je zoo niet aan, later....”

Het jonge vrouwtje knikte maar eens, zij kon niet spreken, de tranen

zaten haar in de keel. „Glockengeläute,” zij kende geen liefelijker,

schooner muziek ter wereld; van kind af had het gelui der kerkklok een

onuitsprekelijk zoete aantrekkingskracht voor haar gehad, het riep tal

van geheimzinnige gewaarwordingen in hare ziel wakker, het maakte haar

vroom en goed, het deed haar dubbel erkentelijk zijn voor de zegeningen

in haar leven.

En nu zou die beminde roepstem ontbreken als hun eigen kerkje werd

ingewijd; zij zou niet over het land heenbeieren, om der geheele

gemeente in heldere metaalklanken te verkonden, dat de groote dag daar

was, waarop zij voor het eerst in haar eigen Godshuis kon vergaderen.

Het was heel hard, vond de arme Dina, en telkens als zij over de

inwijding spraken, zuchtte zij heimelijk, als zij bedacht, dat toch

eigenlijk het voornaamste zou ontbreken, om dien plechtigen dag voor

haar tot een dag van inwijding te maken.

Maar ter wille van Johannes, deed zijne vrouw haar best om hare

teleurstelling zoo goed mogelijk te dragen en hielp hem ijverig het

programma voor den inwijdingsdag opmaken. Deze naderde nu snel, „in het

begin der volgende week kwam de kerk zeker klaar,” had de opzichter

verzekerd; den daarop volgenden Zondag zou de inwijding plaats hebben.

Het was een heerlijk frissche morgen, „net een lentedag in mijn lief

Heimatland,” dacht Dina, toen zij buiten trad. „Was het haar eigen

opgewekte stemming, die alles om haar heen zulk een bijzonder

feestelijk aanzien gaf?” vroeg het zendelingsvrouwtje zich af, terwijl

zij beurtelings den blik richtte naar de stralende zon, de helder

blauwe lucht en den vollen bladerrijkdom der boomen, waar de wind

vroolijk doorheen speelde. Zongen de vogeltjes niet nog liefelijker dan

anders, verspreidden hare rozen geen heerlijker geuren dan gisteren?

Dina glimlachte om zich zelve. Dat alles was maar zoete verbeelding,

omdat zij zich zoo heel gelukkig voelde, omdat heden de blijde

Zondagmorgen was aangebroken, waarnaar zij, haar man en de geheele

gemeente met hen maanden lang verlangend hadden uitgezien, de

inwijdingsdag van hun eigen kerk. Om negen uur zou de plechtigheid

aanvangen, het was nu al zes uur geslagen en er viel nog veel te doen.

De jonge vrouw spoedde zich in huis en riep haar volkje bij elkaar.

Weldra waren alle handen in de weer om de kerk nog eens een extra beurt

te geven. De vloer en de banken werden geboend en afgewreven, hier en

daar knaapjes geplaatst om leege plekjes te vullen. Vóór het podium

stond het orgel juist op zijn plaats en er bleef ruimte genoeg over

voor de leden der gemeente, die er zich bij het gezang om heen zouden

scharen. Inmiddels hadden andere gedienstige handen het gebouw buiten

versierd, guirlandes van groen waren om de pilaren geslingerd en in

groote bogen voor de open vensters bevestigd. Dina offerde hare mooiste

rozen „met hart en ziel,” betuigde zij haar man. “Es musz überall

festlich geschmückt aussehen.”

Toen alles klaar was mocht zij met gewettigden trots op het werk

neêrzien.

De ruime zaal met drie rijen banken door twee flinke gangpaden

gescheiden, met de breede deuren, en vele hooge vensters bood een even

vriendelijken als gastvrijen indruk. Er is plaats voor velen, noodden

de lange banken, er is frissche lucht in overvloed voor iedereen,

beloofden de wijd geopende ramen en buiten suizelde de wind door het

frissche groen: de boomen en ik, wij beiden, zullen de onbescheiden zon

verhinderen het u lastig te maken.

Dina bleef maar ronddrentelen en Johannes moest haar wel driemaal

aanmanen om zich nu heusch te gaan kleeden, ten einde gereed te zijn

als hare gasten kwamen. Behalve het bestuur van de

afdeelingshoofdplaats, verwachtte Johannes de zendelingen in de

residentie werkzaam, benevens eenige goede vrienden en particulieren,

die van hunne belangstelling blijk wilden geven. „Van de gemeente zou

stellig niemand thuis blijven,” dacht Dina, terwijl zij vlug

voortmaakte; o de kerk zou vol genoeg zijn!

Met een aardig blosje en een hartelijk welkom in de heldere oogen,

ontving het zendelingsvrouwtje een half uur later hare gasten. Zij

voelde zich ietwat zenuwachtig, het was de eerste keer, dat Johannes

bepaald zou preeken voor zooveel menschen. Zou hij zich niet beklemd

gevoelen en op een gegeven oogenblik naar zijne woorden moeten zoeken?

Doch al die onrust verdween, toen de jonge vrouw, in de kerk gezeten,

haar man zoo kalm vooruit zag treden, en zich achter het hooge tafeltje

plaatsen van waar hij de gemeente zou toespreken. Geen plaatsje was

onbezet gebleven, de banken waren dicht gevuld en al die menschen zagen

tot haar Johannes op, vouwden op zijn voorbeeld de handen en bogen stil

het hoofd, terwijl hij God’s zegen over de bijeenkomst inriep. Dina

verstond slechts enkele woorden en van de aanspraak, die nu volgde, zou

zij ook veel gemist hebben, wanneer zij deze niet van te voren in het

Duitsch had gelezen. Nu kon zij den zin vrij goed volgen, Johannes

sprak langzaam en duidelijk; ieder moest hem verstaan en met

belangstelling luisteren, dacht zijn vrouwtje, waar hij over het

ontstaan der gemeente vertelde. Het eerste zaad, nu vijftig jaar

geleden uitgestrooid, was in vruchtbare aarde gevallen. Telde de

gemeente in den aanvang eenige tientallen, nu was zij zoovele

honderdtallen groot. Slechts enkelen werden afvallig of onwaardig

gekeurd langer tot haar te behooren, over het geheel kon de stichter

met vreugde neêrzien op zijn werk. Hier in dit stille hoekje tusschen

de bergen leefde de arbeidzame bevolking kalm en tevreden voort, trouw

hare godsdienstplichten vervullend, ook toen de gemeente langen tijd

zonder voorganger bleef. In hare dessa’s en kampongs waren roof en

diefstal onbekende voorvallen, het behoorde tot de uitzonderingen

wanneer het bestuur klachten kreeg over de Christengemeente van Soeka

Slamat. Daarom was het een vreugdedag voor hem geweest, toen hij

geroepen werd de open plaats te vervullen en hun voorganger te worden.

Hij wenschte niets liever dan lange jaren voor en met hen werkzaam te

zijn, daar gave God zijn zegen toe.

Een oogenblik later klonken de orgeltonen door de kerk. Dina stond op

en trad naast het orgel, terwijl de vrouwen en meisjes zich om haar

heen schaarden. Vol en schoon verhief zich het koor van mannen- en

vrouwenstemmen, de zendeling en zijn vrouwtje hadden voldoening van het

veelvuldig oefenen met hunne leerlingen. De tekst werd natuurlijk in

Javaansche woorden gezongen, maar het gezang klonk er niet minder

liefelijk om.

Toen orgel en koor zwegen, stond een oud man op, wien men zijn tachtig

jaren echter niet kon aanzien. Nog flink en ongebogen van houding, kalm

en duidelijk sprekend, vertelde hij, het eerst toegetreden lid der

gemeente, met hoeveel vreugde deze dag door hem verbeid was. Van de

lange toespraak begreep Dina overigens zeer weinig, evenmin als van de

verschillende kleine preeken door de broeders zendelingen

achtereenvolgens gehouden. Maar zij verveelde zich toch geen oogenblik.

Het deed haar hart goed de groote aandacht en belangstelling te zien,

waarmee de gemeente luisterde: mannen en vrouwen bogen zich naar voren,

om toch geen woord te verliezen; de kinderen zaten doodstil.

Af en toe klonk een schreiend stemmetje door de ruimte, want geen

moeder had thuis willen blijven, en velen brachten een zuigelingetje

mede. Maar de hongerige vogeltjes wilden niet zoet blijven slapen; wat

wisten de onnoozele schaapjes van plaats of tijd? De vrouwen susten

hare kleintjes op de beste wijze, menig geheimpje tusschen moeder en

kind werd achter de slendang afgehandeld.

Met een gretig verlangenden blik volgde Dina de bewegingen der moeders,

die met hare kindertjes bezig waren. „Ach, kon zij ook zulk een klein

schepseltje het hare noemen, het even teeder, als die vrouwen vóór

haar, aan haar warme borst vleien.” Zij boog het hoofd en, terwijl haar

man, de gemeente oproepend tot het laatste gebed, de handen vouwde,

smeekte zij uit het diepst van haar bewogen ziel: „Geef mij een kindje,

o Heer! als het Uw wil is, ik zal het zoo liefhebben en slechts het

goede leeren.”

De plechtigheid was afgeloopen; kalm en zonder gedruisch, als zij

gekomen was, ging de gemeente uiteen, geheel vervuld van hetgeen zij

gehoord had. Het was voor allen een dag van beteekenis geweest, dien

zij zich, als ouden van dagen, nog zouden herinneren.

Een klein half jaar was na den inwijdingsdag verloopen en de

west-moesson naderde, door Dina juist niet met genoegen te gemoet

gezien. „Wij verlangen nu wel naar regen,” gaf zij haar man toe, „maar

als ik denk aan verleden jaar, hoe wij hier als ’t ware op een eiland

zaten, van de buitenwereld afgestorven, terwijl wij vele dagen zelfs

geen voet buitenshuis konden zetten, neen, dan moet ik je ronduit

bekennen, dat ik wel wat opzie tegen de naderende maanden. Ik ben niet

bang mij te vervelen, vervolgde zij snel, dat is het niet, de dagen

vliegen om, ik kom nog tijd te kort. Maar ik houd zoo dol veel van de

zon en den blauwen hemel. Een sombere, donkere lucht, waaruit de regen

uren achtereen neerplast, stemt mij melancholiek.” De jonge vrouw wilde

er niet voor uitkomen, dat de hoofdoorzaak van haar afkeer voor de

west-moesson een andere was. Dat getijde bracht de tijgers mede en, al

noemde iedereen dit overdreven, zij was doodsbang voor die gevaarlijke

buren. Het vorig jaar waren twee lieden uit hunne dessa een offer van

de wilde dieren geworden. Zij hadden hun dood wel is waar drie kwart

aan eigen onvoorzichtigheid te wijten, daar, zij zich tegen

schemeravond ongewapend in het bosch hadden gewaagd, doch dat maakte de

zaak niet minder verschrikkelijk, oordeelde het zendelingsvrouwtje.

„Druk de menschen toch op het hart voorzichtig te zijn, Johannes,”

verzocht Dina meer dan eens, nadat het haar een poos later ter oore was

gekomen, dat het volk tijgersporen had gezien. „Spreek vooral eens

ernstig met Karsiman en Petrus, ze zijn zulke waaghalzen, en mij dunkt,

Petrus mag wel dubbel oppassen, nu hij zulk een lief, jong vrouwtje

thuis heeft en zij een kindje verwachten.”

„Ja, ja, je hebt Petrus en Maria nu eenmaal in het hart gesloten,”

schertste Johannes, „ik geloof, dat je wel drie keer naar hen toegaat

tegen éénmaal naar de andere gezinnen.”

„’t Is zoo,” bekende Dina gul, „maar man, ge moet niet vergeten, dat

Maria van het begin af mijn lievelingsleerling is geweest, dat ge het

paartje getrouwd hebt en het lieve vrouwtje mij dubbel aantrekt, nu zij

een kleintje te gemoet ziet. Zij gaat zoo vertrouwelijk met mij om en

is zoo dankbaar voor de kleinste gave. ’t Naaien van de kleertjes voor

haar popje, was een genot voor ons beiden. En Petrus is een

trouwhartige, beste vent, ik weet wel, dat gij hen ook graag moogt

lijden, al lacht ge mij uit, nu ik zoo opgewonden over hen spreek.”

„Dat doe ik volstrekt niet, wijfjelief. Wees maar gerust, kind, ik zal

de menschen de grootst mogelijke voorzichtigheid aanbevelen, maar tob

dan ook niet meer over denkbeeldige ongelukken. Wij zullen de tijgers

nu laten rusten en prettig gaan lezen; krijg je naaiwerk, lieve, dan

haal ik „Ekkehard” voor den dag.

„Hoe heerlijk!” betuigde Dina, „we hebben de laatste maanden

allerprettigste avonden, nu je niet meer zoo aanhoudend voor je zelf

zit te werken als je verleden jaar altijd deed.”

„Dat had zijn reden, vrouwtje.” En Dina met een geheimzinnigen glimlach

aankijkend, vroeg Johannes eensklaps: „Wie is er einde Januari jarig,

kind?”

„Dwaze man, of je dat niet weet,” lachte zijn vrouwtje en deftig voegde

zij er bij: „Den dertigsten Januari van het jaar onzes Heeren 1894

wordt Johannes’ huisvrouw: Everdina, Maria, Elizabeth, drie en twintig

jaar. En vertel mij eens waarom ik je dat zeggen moest?”

Doch Johannes schudde het hoofd met de bewering, dat hij Dina maar eens

had willen plagen, terwijl hij „Ekkehard” voor zich legde en de

bladzijde opsloeg, waar hij den vorigen avond gebleven was.

Geen vroolijke zonneschijn begroette Dina’s feestdag, integendeel, uit

de zwarte wolken ontlastte zich een zware regenvloed, die als gisteren,

zeker den geheelen dag zou aanhouden. De zendelingsvrouw stond voor het

venster van de gesloten binnengalerij naar de druipende boomen en

struiken te zien, waartusschen de heftige wind ruw huis hield. De

feestelijke stemming, waarmee zij straks Johannes’ warme gelukwenschen

had ontvangen, was geheel verdwenen; zij voelde zich lusteloos en

neêrslachtig, was dat nu ook een weer voor haar verjaardag?

Op dat oogenblik hoorde zij de stem van haar man uit de achtergalerij:

„Waar blijf je kind, gaan we niet ontbijten?”

Hij kwam haar halfweg te gemoet en trok haar arm door den zijne.

„Scheelt er wat aan, vrouwtje?” vroeg hij hartelijk, „je kijkt zoo

bedrukt.”

Zij legde hare wang even tegen zijn schouder en poogde te glimlachen.

“’t Is al over, beste, let er maar niet op,” antwoordde zij zacht en

wilde op hare plaats gaan zitten, toen zij verrast achteruit week.

„O lieve, beste man, wat een verrassing!”

Vóór haar bord stond een bouquet, verregend wel is waar, en slechts

bestaande uit wilde bloemen en grassen, maar zoo smaakvol geschikt en

zulk een welsprekende getuige van Johannes’ innige genegenheid, dat

zijn vrouwtje de tranen in de oogen sprongen. Als soldaatjes in het

gelid, waren verscheidene mailbrieven tegen de glazen en vingerkommen

overeind gezet. Daar zij in den loop der laatste week waren gekomen,

giste Johannes, dat zij gelukwenschen voor den 30sten zouden bevatten

en had hij de brieven stil verstopt om er zijn jarige nu dubbel mee te

verrassen. En dat hij zijn doel bereikt had, bewees de luide

juichkreet, waarmee Dina er de hand naar uitstrekte. Doch juist toen

zij Mutter’s brief wilde openbreken, zag zij een gesloten couvert op

haar bord liggen, dat haar adres droeg in het welbekende handschrift

van Johannes. Verrast keek zij hem aan, wat beteekende dat? Maar het

jonge vrouwtje kreeg geen ander antwoord dan een lachend hoofdschudden,

waarop zij moeder’s brief neêrlegde en den anderen greep; snel scheurde

zij het couvert open en hare oogen vlogen over de weinige regels. Wat

las zij? Wat deed haar op eens het papier neêrwerpen, om vol verrukking

hare armen om Johannes heen te slaan?

Als het meest welkome nieuws, dat zij op dezen dag kon hooren, deelde

de zendeling zijn vrouwtje mede: „De klok voor ons kerkje is in Europa

besteld en zal weldra hier zijn.”

„O Johannes, lieve man, is het heusch waar? ik kan het haast niet

gelooven,” sprak Dina, bijna schreiend van aandoening. „Hoe heb je die

groote som bijeen kunnen krijgen? En mij niets te vertellen, dat alles

buiten mij om te beredderen, ondeugende man, ik vergeef het je nooit

als je mij nu niet dadelijk mijne nieuwsgierigheid bevredigt.”

„Kom dan eens kalmpjes naast mij zitten, wijfje,” en toen Dina aan zijn

verzoek voldaan had, onthulde Johannes het geheim.

Al had hij er niet zoo over gesproken en gezucht als zij, het was hem

iederen Zondag ook telkens een stil verdriet, dat hun kerkje geen klok

rijk was. Hij had er veel en dikwijls over gedacht of er geen kans zou

zijn de benoodigde ƒ 300 bijeen te krijgen. Misschien, dat de gemeente

mettertijd wel in staat zou zijn de som samen te brengen, maar hoe lang

kon dat nog duren?

Toen had hij bedacht, dat hij in zijn vrijen tijd wel weer beproeven

kon met schrijven er wat bij te verdienen en zie! dat was boven

verwachting gelukt. Dien geheelen vorigen west-moesson, toen zij in

huis zaten opgesloten, had hij druk vertaald en geschreven: allerlei

stukken op godsdienstig en wetenschappelijk gebied, en deze, als vóór

zijn huwelijk, aan verscheidene Duitsche bladen ter opname gezonden.

Langzaam, bij kleine beetjes, waren de verschillende honoraria

binnengekomen, maar eindelijk was de som bijeen. Het had hem wel eens

moeite gekost een en ander voor zijn vrouwtje stil te houden, maar hij

wilde haar verrassen en was dus steeds op zijn hoede geweest, dat geen

woordje, het geheim betreffend, aan zijne lippen ontsnapte.

En Johannes had wil van zijne verrassing: Dina was een en al

opgetogenheid en verrukking. Zij moest alles weten: waar en wanneer de

klok besteld was, of deze haar eigendom bleef wanneer zij elders werden

heengezonden, waar wellicht ook een „Glocke” ontbrak, enz. enz. enz.

Zou er nu maar niet dadelijk een begin worden gemaakt met den

klokketoren?

„Een klokketoren zou het gebouw niet kunnen dragen,” meende de

zendeling. De klok zou, zooals hij dit wel elders had gezien, in een

hooge stellage worden opgehangen, naast de kerk natuurlijk.

Dienzelfden middag nog, toen het even droog was, wilde de jarige Dina

het plekje gaan uitzoeken waar de „Glocke” geplaatst zou worden en, in

hare verbeelding zag zij; haar cadeau er al hangen.

Het zendelingsvrouwtje vond, dat de dagen na haar feestdag

voorbijkropen, nimmer had zij vuriger naar „die Glockentöne” verlangd

dan nu zij wist, dat zij ze spoedig zou hooren. Doch juist toen

Johannes bericht had ontvangen dat de klok uit M. verzonden was, trad

een droevig voorval tusschenbeide, dat Dina’s gedachten een geheel

andere wending gaf.

De regenmoesson liep ten einde, en, hoewel er vele hongerige tijgers in

de buurt waren geweest, had geen enkel ongeval in de dessa’s der

christengemeente plaats gegrepen. Eenige karbouwen en paarden waren een

prooi der wilde dieren geworden, doch menschenlevens had men niet te

betreuren. Helaas! het zou niet zoo blijven.

Op een avond, toen de zendeling en zijne vrouw gezellig bijeen zaten en

juist een partij schaak zouden spelen, werden zij opgeschrikt door een

luid rumoer, dat van buiten tot hen doordrong. Johannes vloog op en

spoedde zich, door zijne vrouw gevolgd, naar de voorgalerij. Een koor

van verwarde stemmen steeg uit den zwarten menschenhoop op, die voor

het huis stond; de zendeling wenkte met de hand om stilte te verzoeken,

waarop men een jongentje naar voren drong, dat, nog bevend van angst en

het harde loopen, een vreeselijk nieuws aan het ontstelde echtpaar

vertelde. Hij was het karbouwenknechtje van Petrus en van avond met hem

de karbouwen van het veld gaan halen, zooals zij iederen dag deden. Zij

schenen zich echter verlaat te hebben, want in het bosch was het bijna

donker, en eensklaps had hij door het groen een paar vurige tijgeroogen

zien fonkelen. Met den kreet: een tijger, een tijger, was hij toen

weggevlucht, zoo snel als zijne voeten hem konden dragen en had in het

omkijken nog gezien hoe Petrus den karbouw vastgreep, dien hij zeker

niet in den steek wilde laten. Had hij het maar gedaan. Toen het volk

met flambouwen en lansen de plek van het ongeluk bereikte, was er van

Petrus niets meer te zien en de karbouw lag stervend aan den kant.

Nog vóór het knaapje zijn verhaal ten einde had gebracht, was Dina naar

buiten gevlogen; het hart overvloeiend van smart en deernis met die

arme Maria. Zij wist, dat het jonge vrouwtje iederen dag haar kindje

kon verwachten en allesbehalve flink en sterk was. Welke vreeselijke

gevolgen kon een onvoorzichtig woord in deze omstandigheden niet ten

gevolge hebben? De beklagenswaardige weduwe mocht nu nog niets weten

van den vreeselijken dood, dien haar man had gevonden.

Doch Dina kwam te laat; vóór het huisje stond een groepje vrouwen, in

wier midden een onheilspellende stilte ontstond, toen zij de vrouw van

den zendeling zagen naderen. Geen van haar zeide iets en Dina durfde

niets vragen. Men maakte plaats voor haar en zij trad de kleine woning

binnen, waar zij zoo menig uur vertoefd had. Een kapokpitje in een glas

met klapperolie brandde in een hoek en wierp zijn weifelend licht over

de balé-balé, waarop eene stille gedaante lag uitgestrekt. Door een

vreeselijk voorgevoel aangegrepen, trad Dina dichterbij, de handen als

afwerend voor zich uitgestrekt en, in plaats van het jonge zalig

glimlachende moedertje, dat zij zich zoo dikwijls had voorgesteld, daar

te zien liggen, aanschouwde zij een bleek, strak gelaat met gesloten

oogen en een roerloos lichaam, waaruit het leven gevloden was.

Als versuft en verdoofd stond zij een oogenblik op het gezicht te

staren, dat haar zoo menigmaal vriendelijk had toegelachen, toen hoorde

zij een klagend stemmetje, en wendde zich instinktmatig om.

„Leeft het kindje?” vroeg zij zacht.

Een der vrouwen trad met een bundeltje in de armen op Dina toe. De

jonge vrouw nam het weesje van haar over en terwijl zij zich over het

donkere kopje boog, begonnen hare tranen te vloeien, een stroom van

weldadige tranen, die haar verlichting schonken. Fluisterend vertelden

de vrouwen, hoe de arme Maria geheel onvoorbereid door de

verpletterende tijding getroffen was. Met de andere buren was zij naar

buiten geloopen, toen een ongewone drukte van druk sprekende en

dravende menschen hare opmerkzaamheid had getrokken. In het donker was

de tegenwoordigheid van Petrus’ vrouw niet opgemerkt, en zoo had deze

geheel onverwacht het wreede nieuws vernomen, dat haar tot weduwe

maakte.

De arme vrouw was bewusteloos ineengezakt, liefderijke handen hadden

haar naar huis gedragen en zoo goed mogelijk verzorgd, doch Maria

herkreeg haar bewustzijn niet meer en leefde slechts zoolang, tot haar

dochtertje geboren was.

Innig bewogen hoorde het zendelingsvrouwtje, naast Johannes, die zich

inmiddels bij haar had gevoegd, het treurig verhaal aan. Dina’s tranen

begonnen opnieuw te vloeien, doch ditmaal bedwong ze hare smart

terwille van het kleintje, dat zij aan hare borst in slaap trachtte te

sussen. Eensklaps vatte zij de hand van haar man en, terwijl de

vrouwen, met de doode bezig, niet op hen letten, trok zij hem naar een

hoekje en sprak fluisterend, de oogen met een innige bede tot hem

opslaande: „Johannes, mag ik dit weesje als kindje aannemen? Ge weet,

het heeft geen andere verwanten dan een ouden grootvader, die er niet

voor zorgen kan en het ons zeker gaarne wil afstaan. Ik heb zoo vurig

naar een kleintje verlangd, het is mij of God mij tot vergoeding en

troost dit weesje schenkt. Zeg „ja”, lieve man, ik zal voor kleine

Elizabeth—Maria wenschte, dat zij zoo zou heeten—een trouwe moeder

zijn.” Johannes zag zijne vrouw in het bleeke, bewogen gelaat en legde

zegenend de hand op het kinderhoofdje aan hare borst. „Met heel mijn

hart geef ik mijne toestemming, beste,” zeide hij hartelijk, „laat ons

het kindje van Petrus en Maria als ons eigen tot ons nemen, en trachten

zoo goed mogelijk de plaats harer arme ouders te vervullen.” Verheugd

en dankbaar drukte Dina Johannes de hand, toen dekte zij voorzichtig

Elizabeth’s gezichtje toe, wierp een laatsten liefdevollen blik op het

jong gestorven moedertje, terwijl ze even over haar bleef heengebogen,

als deed zij haar eene stille gelofte, en droeg toen haar schat

behoedzaam door de kille nachtlucht naar heur eigen huis.

Zij had zoo menig kindje zien geboren worden en helpen verplegen in de

eerste levensdagen, zij wist wel, hoe men met die brooze schepseltjes

moest omgaan en toen haar dochtertje, zooals zij Elizabeth in stilte

reeds noemde, rein en welverzorgd in haar bed lag, knielde zij er voor

neder en bad langen tijd, het kleine handje tegen hare lippen gedrukt.

Den volgenden dag werd het treurig overschot van Petrus’ lijk in de

wildernis gevonden en naast dat zijner vrouw ter aarde besteld.

Wederom is de kerk te Soeka Slamat feestelijk versierd, doch niet

alleen het Godshuis. Het gebouwtje er naast, een flinke hooge stellage,

waarin de kerkklok hangt, is eveneens van onder tot boven met groen en

bloemen omslingerd. Op Dina’s verzoek zal „die Glocke” heden worden

ingewijd. Daar komen de klokkenluiders aan; op een gegeven teeken

vatten zij de afhangende touwen en hoort! daar wordt de zondagsstilte

eensklaps door een geluid verbroken, dat nog nooit op dit plekje

tusschen de bergen weêrklonk. De kerkklok luidt haar eigen intreê in.

Vol en helder rollen de klanken over het heele naburige land en

verkonden in alle dessa’s en kampongs der gemeente, dat de vromen

gewacht worden in het bedehuis.

Verrukt heft de zendelingsvrouw het hoofd op, als de geliefde

„Glockentöne” voor het eerst, na zoovele jaren, wederom haar oor

treffen, en zij drukt het slapend kindje op haar schoot, vaster tegen

zich aan, het hart vervuld van stillen dank.

„Blijf maar slapen, mijn Elizabeth,” fluistert zij zacht, „het gewicht

van dit uur kunt ge toch niet beseffen; ge weet niet, dat uwe

pleegmoeder haar grootsten schat op dezen blijden dag ten doop zal

houden.”

Wanneer de laatste tonen verstommen, staat Dina op, strijkt Elizabeth’s

mooie doopjurk glad, legt een sluier over het gezichtje, om het tegen

den zonnegloed te beschermen en gaat met haar kindje kerkwaarts.

Hoe gelukkig en rijk voelt zij zich als zij, naast de andere moeders

gezeten, die hare zuigelingen ten doop zullen houden, vol stille weelde

op het wezentje neêrziet, dat haar toebehoort. Haar klein meiske slaapt

rustig door; voelt het reeds, dat ze in veilige handen is?

Het plechtig oogenblik is daar, het zendelingsvrouwtje staat behoedzaam

op en treedt vóór haar echtgenoot, door de Javaansche moedertjes

gevolgd. Als in een droom hoort zij de zachte, vriendelijke stem van

haar man ’s Hemels zegen afsmeeken op al die kinderhoofdjes. Nu

bevochtigt Johannes de vingers in het doopvont en beroert één voor één

de voorhoofdjes der kleinen, en wanneer de beurt aan haar dochtertje is

gekomen, klinkt het Dina dubbel plechtig tegen: „Ik doop u: Elizabeth

Maria, in den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen geestes.”

Het doopwater vloeit Elizabeth langs het gelaat en blijft aan de lange,

donkere wimpers hangen. Dina buigt zich diep over het kindje heen om

hare tranen te verbergen, die er zich mede vermengen. Maar Elizabeth

schreit niet als de andere kleintjes, zij blijft zoet doorslapen en

lacht zoo zalig en vreedzaam in haar droom, „als speelt ze met

engeltjes in het paradijs,” denkt het gelukkig zendelingsvrouwtje.

Vrouwenleven in de Dessa · 第 10 / 20 题