I.

Zij hadden elkaar bijna drie jaar lang dagelijks gezien en gesproken,

elkander goed, heel goed leeren kennen vóór hij het beslissend woord

sprak, haar vroeg zijn vrouwtje te worden, en met hem mee te trekken

naar het verre, vreemde land. Als zij haar Johannes niet zoo innig had

lief gehad, de blonde, slanke Dina, met eene liefde, die langzamerhand

van kleinen knop tot een volle, heerlijke bloem was ontwikkeld, dan zou

zij zeker geaarzeld, hem haar jawoord niet zoo gemakkelijk gegeven

hebben, maar nu.... En toch hij vroeg zooveel; voor hem moest zij haar

„Heimat,” doch wat oneindig zwaarder woog, haar dierbaar tehuis, haar

„süsses Mütterchen,” verlaten. „Ach, waarom koos hij juist een

werkkring, die hem naar verre landen riep?” zuchtte zij, droef te moede

als zij aan de naderende scheiding dacht. Zij wist echter hoe lief haar

aanstaanden man zijne roeping was, hij vertelde het haar meer dan eens,

hoe reeds als kind het denkbeeld hem bezielde Christus’ zachtaardige

leer onder de onwetende heidenen te verspreiden en hun daarmede geluk

en zegen te brengen.

In hare dwepende meisjesliefde zag zij een apostel in haar Johannes,

even goed en zachtzinnig als de meest geliefde leerling van den Heer,

toen deze nog rond ging op aarde. En Dina peinsde en droomde over de

toekomst, doch menigmaal toefden hare gedachten ook in het verleden,

toen zij zelfs den naam niet kende van den man, die haar nu alles en

alles was. Hoe goed herinnerde zij zich den avond, waarop hij voor het

eerst hun huis betrad. Zij was een aankomend meisje, de zware blonde

vlechten nog hangend op haar rug en als een echt bakvischje blozend bij

iedere gelegenheid. Zoo was die lastige blos natuurlijk ook naar hare

wangen gestegen, toen zij kennis met hem maakte en voor het eerst den

blik ontmoette van zijne ernstige, donkere oogen.

Vriendelijk en goedig had hij in het geheel niet laten bemerken, hoe in

het oog vallend hare verlegenheid was geweest; dat had haar toen reeds

dadelijk voor hem ingenomen.

Het sprak vanzelf dat hij, de zoon van haar vaders besten vriend,

spoedig als kind bij hen aan huis kwam, al de uren, die hij niet aan

zijne studie wijdde, bij hen sleet.

Zij zag hoog tegen hem op in die dagen, als tot een zeer ontwikkeld,

knap man, die met haar vader over onderwerpen redeneerde, waarvan zij

nooit gehoord, veel minder over gedacht had.

Toch luisterde zij gretig toe, al begreep zij niet alles; het gebeurde

dikwijls, dat Johannes zich tot haar wendde, of, om harentwille, het

gesprek eene andere richting gaf; dit vervulde haar steeds heimelijk

met trotsche blijdschap. Die nieuwe huisgenoot bleek voor het geheele

gezin een groote aanwinst, spoedig kon hij niet meer gemist worden in

hun kring. Hij stal Dina’s hart door zijne vriendelijke attenties voor

„lieb Mütterchen,” zijne stille hulpvaardigheid en groote deelneming in

al wat de haren betrof. Aan alles kon zij bemerken, dat hij graag in

hun midden toefde; zelf stil en ernstig van aard, zich aangetrokken

voelde door den opgewekten toon, die bij hen heerschte. Zij was niets

ernstig, integendeel, zij kon den verpersoonlijkten levenslust

voorstellen, het leven bood haar tot nu toe enkel rozen.

Altijd gezond en opgewekt, geliefd kind in huis, ja zelfs wel een

beetje verwend en vertroeteld als eenige dochter en zuster, zou zij

haar lot met niemand hebben willen ruilen, en wenschte zij, dat het

maar immer zoo blijven mocht.

Doch het kind groeide op tot jonkvrouw en het uur kwam, waarin ook in

haar het stille, reine, heerlijke gevoel ontwaakte, dat liefde heet. ’t

Was ongemerkt en als vanzelf gekomen, dat de genegenheid en

vriendschap, die zij voor Johannes koesterde, langzamerhand in een

dieper en inniger gevoel veranderden. En zij wist, zij voelde het aan

duizend kleinigheden; een lange blik, een zachter klank in zijne stem

als hij tot haar sprak, een heimelijke handdruk, deze alle zeiden het

haar, dat hare liefde beantwoord werd. Haar eigen zoet geheim bewaarde

zij als een schat diep in haar hart, zelfs Mütterchen kon zij er niet

over spreken, en zoo wachtte zij vol geduldig, hoopvol vertrouwen, tot

Johannes tot haar komen zou om het woord te spreken, dat over hun

beider toekomst zou beslissen. Toen dat uur aanbrak, wie kon haar geluk

beseffen? Alles jubelde in haar en, nauw was zij alleen, het gelaat nog

nat van vreugdetranen of zij knielde neder en deed de stilte gelofte om

haar Johannes waarlijk een zegen te zijn, hem vol vertrouwen en

toewijding te volgen waarheen hij ook gezonden mocht worden, zijne

lasten lichter, zijne vreugde grooter te maken en hem zoo, in ieder

opzicht, te wezen een licht op zijn pad. Die heilige, goede voornemens

bleef zij trouw, ook toen zij de haren vaarwel moest zeggen. De

verloopen maanden waren Dina als in een droom voorbijgegleden; haar

korte engagementstijd, haar huwelijk, een verrukkelijk reisje langs den

Rijn, gevolgd door de niet minder heerlijke weken, die zij als jong

getrouwde vrouw bij haar ouders aan huis had doorgebracht. Maar nu

naderde het scheidingsuur met droevige snelheid en de arme Dina

ontwaakte uit haar gelukkigen droom en leed bijna meer dan zij dragen

kon. Ze wilde haar man geen verdriet doen en verborg hem haar strijd,

doch ’t viel het arme vrouwtje oneindig zwaar haar geliefd huis te

verlaten en dikwijls moest zij naar eenzame hoekjes vluchten om eens

flink uit te schreien. Vooral wanneer zij, Mütterchen aankijkend,

bedacht, dat de uren geteld waren, waarin zij dat lieve, dierbare

gelaat voor het laatst zou aanschouwen, was het haar of zij dit niet

kon overleven. Maar kost het strijd en bittere pijn, ook het zwaarste

leed wordt gedragen, en zoo kwam ook Dina door het vreeselijk

scheidingsoogenblik heen, en nam zij als troost naar het verre land de

herinnering aan moeders kussen en de vurige zegenbeden harer ouders

mede.—De tijd, de vele nieuwe gewaarwordingen op de reis, eerst over

land, naderhand over zee en vooral de groote liefde van haar trouwen

Johannes, zij deden het overige; toen het jonge paar Batavia bereikte,

had Dina hare aangeboren opgeruimdheid grootendeels herwonnen en

verlangde zij vol geestdrift den werkkring van haar man te deelen. Hoe

bewonderde zij hem in zijn vasten wil en doorzettingskracht; zoodra hij

zeker wist, dat zijn arbeidsveld op Java zou liggen, was hij aan het

moeielijk Javaansch begonnen, ieder vrij uur, met taaie volharding aan

die studie wijdend; Dina’s bewondering maakte echter ook wel eens voor

naijver plaats op die nare boeken welke al Johannes’ tijd in beslag

namen; slechts af en toe kon hij een uurtje aan vrouwlief wijden en zij

had altijd wat te vragen en te babbelen, wilde haar man immer naast

zich hebben om hem deelgenoot te maken van iedere gedachte. In die uren

van eenzaamheid overviel haar ein fürchtbares Heimweh, dat zij niet

altijd overwon, al streed zij er dapper tegen.

Wanneer zij maar eenmaal in haar eigen huisje zat, zoo sprak het jonge

vrouwtje zich zelve moed in, dan zou alles beter gaan, zij zou hare

vaste bezigheden hebben en trachten Mutter’s verzekering, „dat Dina

eene uitstekende huishoudster was,” niet te beschamen. Het duurde ook

zoo lang en de tijd kroop voorbij juist omdat zij zoo verlangde naar

haar eigen „Herd,” „doch endlich bleibt nicht ewig aus,” troostte zij

zich. Groot was hare vreugde toen Johannes met de welkome tijding tot

haar kwam: „Ik heb mijne aanstelling, Dina, wij gaan naar Soeka Slamat,

waar ik de kleine gemeente, die broeder J. vijftig jaar geleden

stichtte, zal voorgaan. Langen tijd hebben die Christenen geen leeraar

gehad, er staat ook nog geen kerkje, maar het geld er voor is al

grootendeels bijeen.”

Dina klapte in de handen. „O, Johannes, hoe heerlijk, dan zult gij de

kerk inwijden, niet waar? Krijgen we een lief huisje, man?”

„Dat is ook in aanbouw. We zullen daar heel stil wonen, kindlief,

zonder Europeanen in de buurt. ’k Hoor zelfs, dat in den regentijd de

weg naar de hoofdplaats der afdeeling onbegaanbaar moet wezen. Ziet ge

er niet tegen op, vrouwtje, in die eenzaamheid te leven met je stillen

man tot eenig gezelschap?”

Maar Dina sloeg de armen om zijn hals en betuigde vol nadruk: „Neen,

neen, ik zie er geen ziertje tegen op. Ik mag je helpen met je werk, hé

Johannes? Als de vrouw van onzen „pastor,” mag ik mij wijden aan de

vrouwen en kinderen der gemeente, niet waar? En dan hoe heerlijk om

mijn eigen huishouden te hebben, je lievelingskostjes te koken, alles

rein en net om ons heen te houden, o man!” Hij glimlachte over haar

enthusiasme.

„Nu beste, als dat vooruitzicht je bekoort, zul je je hart kunnen

ophalen, je zult de handen nog al eens moeten uitsteken, vrees ik. Wat

bedienden betreft zullen we daar, op dat afgelegen plekje, niet veel

keuze hebben en dan.... we moeten het zuinig overleggen, kind.”

„Of dàt mij schrik zou kunnen aanjagen,” lachte het jonge vrouwtje, „ik

heb thuis werken geleerd, dat verzeker ik je,” en hem met een vroolijk

gebaar hare niet kleine, doch welgevormde handen voorhoudend, voegde

zij er bij: „Deze twee verstaan de kunst van aanpakken, dat zult ge

eens zien.”

Hij kuste haar dankbaar. „Wanneer vertrekken we?” vroeg Dina, haar

oogen, met een blijden glans tot haar man opslaande.

„Zoo gauw je klaar kunt komen, kind.”

Dat hield zij zich voor gezegd. O! zij was het kofferleven zoo moede,

hoe goed en vriendelijk de menschen ook waren bij wie zij deze

verloopen maanden gastvrijheid hadden genoten, zij verlangde met heel

haar hart hun vaarwel te kunnen zeggen: „Eigener Herd ist Goldeswerth.”

Onder het pakken zong het zendelingsvrouwtje half haar repertoire

Duitsche liedjes af; zij was zoo innig gelukkig en Johannes niet

minder, al voelde hij niet, als zij, de behoefte om zich zoo luide te

uiten.

Op de hoofdplaats der afdeeling, waartoe de gemeente van Johannes

behoorde, kon het jonge paar maar één huis vinden, geschikt om te

bewonen, tot het hunne in de bergen gereed zou zijn. Ofschoon het oud

en vervallen was en zij er, als beiden hoopten, slechts kort in zouden

blijven, trachtte Dina het er toch zoo gezellig en aardig mogelijk in

te richten. Zij schikte hare huwelijksgeschenken op tafeltjes en

kasten, versierde de stoelen met de handwerkjes, haar door de

vriendinnen vereerd, en maakte zoo de plekjes, waar zij het meest

zouden zitten, bepaald „gemüthlich.” Hare vroolijke, optimistische

levensbeschouwing kwam haar nu te pas. O heden, wat een gesukkel was

dat met die inlandsche bedienden. Hoe hemelsbreed verschilden zij met

haar in opvatting van reinheid, zuinigheid en orde. De jonge vrouw had

tal van groote en kleine ergernissen, doch viel er wijselijk haar man

niet mede lastig. Aan de theetafel toonde zij hem slechts den grappigen

kant van hare beproevingen, en beschreef in kluchtige verhalen hare

ontzetting over de vuilheid van Sarina, de kokkin, die maar één baadje

scheen te bezitten en dat nacht en dag aan had. En schaterend van het

lachen vertelde zij verder, dat de huisjongen alles precies omgekeerd

deed als zij gelastte; haar gebroken Maleisch wilde hij maar niet

begrijpen. Nu dacht zij er over hare bevelen precies in omgekeerden zin

te geven, als zij ze wenschte uitgevoerd te zien, dan moest het immers

goed uitkomen? Neen, het smerige, luie stelletje bedienden, dat zij nu

had, nam zij zeker niet naar de bergen mee; kokkie had n. b. opslag

durven vragen ook.

„En die heb je haar zeker dadelijk beloofd,” plaagde Johannes, “’t

mensch kan dan een tweede baadje koopen.”

„Dat kun je zoo denken! Ik heb haar juist gezegd, dat ze direct gaan

kon, die luie slons, ik kan best zelf voor ons beidjes koken op onzen

„Herd”; hoe heerlijk toch, dat wij die uit Duitschland meenamen. Ik

verbeeld mij zoo, dat wij op Soeka Slamat betere bedienden zullen

vinden dan hier zijn te krijgen. Dat zij nooit bij Europeanen dienden

kan mij niet schelen, ik leer hun graag alles, mits zij maar zindelijk

en eerlijk zijn.”

Johannes was reeds eenige keeren naar Soeka Slamat geweest: tot hare

teleurstelling had Dina hem niet kunnen vergezellen. De reis was te

lastig nu, in den regentijd, meende Johannes; allerlei ongemakken, die

hij als man zoo erg niet telde, werden onoverkomelijke bezwaren waar

het eene dame gold; Dina moest geduld hebben tot hun huisje daarginds

gereed was.

Zes maanden na hunne aankomst te N. was het zoover. „Voor het laatst en

nu voorgoed,” juichte het zendelingsvrouwtje onder het inpakken. Alles

deed zij zelve bijna; het orgel waaraan zij zoovele genotrijke uren te

danken had, als zij er, geaccompagneerd door haar man, hare liederen

bij zong, emballeerde zij met bijzondere zorg en keek met een ongerust

hart de karbouwenkar na, die haar schat naar de nieuwe woning zou

brengen. Gelukkig, dat Johannes stemmen kon, want op dat schudden en

schokken op den bergachtigen weg had zij het niets begrepen, het orgel

leed er stellig van. Maar alle bekommernissen, de behouden overkomst

van haar meubilair betreffend, zette Dina ver van zich toen zij naast

haar man, in hunne nieuwe bendy gezeten, de reis aanvaardde naar het

plekje, dat voortaan hun eigen zou zijn. Zij klaagde over hitte noch

stof op den langen grootendeels onbeschaduwden weg, zij telde het niet

wanneer zij, af en toe, kleine einden te voet moesten gaan, omdat

Johannes de primitieve bruggen niet vertrouwde; aan het einde van dien

weg lag immers hun „tehuis?”

Toen zij het eindelijk bereikten en Johannes haar binnen leidde, kon

zijn vrouwtje niet spreken van vreugde. „Het is een verrukkelijk

huisje!” riep zij eindelijk vol blijdschap uit: drie galerijen en vier

kamers, niet groot, maar flink hoog, wat konden zij meer verlangen? En

alles blonk van nieuwheid; zij behoefde hier geen vuilgroene plekken

aan den muur te „cacheeren” of zich te ergeren aan het uitslaan van een

vochtigen grond.

Had Dina hare tijdelijke woning zooveel mogelijk gezellig trachten te

maken, hier was het haar een genot hun eigen huisje op te sieren en

wonderen te doen met de middelen, die haar ten dienste stonden. Toen

zij ten laatste alles geheel naar haar genoegen in orde had gebracht,

riep zij Johannes en wandelde zielstevreden met hem het heele huis

door, als een kind genietend bij zijne betuigingen van bewondering voor

haar goeden smaak en practischen zin. Het keurig nette keukentje was

haar grootste trots; daar stond „der Herd”, zoo glimmend gepoetst, dat

men zich er in kon spiegelen en het niet minder blinkend keukengerei,

keurig tegen den wand gerangschikt. „Ja, ja,” schertste Johannes, „dat

is het stokpaardje van de Duitsche vrouwen: Die Küche, die Küche.”

„Neen, niet alleen: die Küche, wir lieben drei K’s,” lachte Dina

vroolijk: “Küche, Kirche und Kinder.”

Vrouwenleven in de Dessa · 第 9 / 20 题