Zacht en volgzaam van aard, sprak Wagini niet veel tegen; dat paste
haar niet tegenover de oude vrouw, doch het vooruitzicht van een
huwelijk vervulde het meisje met heftigen afkeer. Zij wist, dat moeder,
even vijftien jaar oud, bij hare geboorte gestorven was. Wat had die
arme moeder van het leven genoten? Neen, Wagini wilde niet, als zij,
jong sterven, ze had het veel te goed, ze was gezond en krachtig, het
leven lachte haar toe. Al moest zij flink de handen uitsteken, al viel
het sjouwen met de vischmanden haar wel eens zwaar, er was toch veel,
dat vergoeding gaf voor het harde werken, menig feestje in de kampong
of daar buiten kwam den eentonigen dagelijkschen arbeid afwisselen.
Daar had men inlandsch Nieuwjaar, wanneer niemand werkte en ieder in
zijn allerbesten pronk, vrienden en kennissen ging geluk wenschen,
terwijl er overal getrakteerd werd. Het was een genot op zich zelf voor
kleine, ijdele Wagini, om, bij die gelegenheid, de fraai gebatikte
sarong om de slanke heupen te plooien, en al wat zij aan sieraden
bezat, op de fluweelen kabaja te hechten.
En dan het aardig ketoepatfeest, na afloop der vasten, als men met
prauwen naar het naburig eiland voer, om de aan het feest geëigende
lekkernijen te genieten en de inlandsche spelen te bewonderen. Het
deerde Wagini niet, dat zij uren lang in de felle zon moest staan om de
grappig verkleede clowns hunne buitelingen te zien maken, de kleine
dansers gâ te slaan die, in meisjespakken gestoken, van blauwe brillen
en waaiertjes voorzien, hunne langzame, statige pasjes uitvoerden op de
maat van hun eigen zang. De nagebootste dieren waren ook een kijkje
waard: hoe hartelijk moest ’t meisje meelachen als zij de potsierlijke
krokodillen met hunne groote, klepperende bekken op de naastbijstaanden
zag toespringen, die in den eersten schrik angstig achteruitstoven
alsof er werkelijk gevaar dreigde.
Wanneer grootmoeder van naar huis gaan sprak, vleide Wagini steeds nog
een poosje te mogen blijven: het ketoepatfeest kwam maar eens in het
jaar.
Maar des te menigvuldiger waren de feestjes in de kampong: de sedekahs
en slametans bij huwelijken, geboorten en sterfgevallen of die, als
zoenoffer, voor een gedane gelofte golden. Als jong meisje mocht Wagini
niet tegenwoordig zijn bij die gelegenheden, doch zij gluurde met de
vriendinnetjes om een hoekje, zag van verre het dansen der
tandakmeisjes en genoot van de lieflijke tonen der gamelang. Er leefde
niet veel poëzie in haar eenvoudig zieltje, maar zij had gevoel voor
muziek. Uren achtereen kon ze, met droomerig genot, zitten luisteren
naar de klanken van gamelang, rebab (een soort viool) of fluit, als
zij, op den adem van den avondwind gedragen, uit de verte tot haar
kwamen.
O, ze was zoo gehecht aan haar kampong, aan de gebruiken van haar eigen
volk, vreemden ging ze schuw uit den weg; doch onder haar kornuitjes
voelde zij zich vrij als een vroolijk, gelukkig kind.
Wanneer de maan vol en helder aan den hemel stond, heerschte er een
gezellige, opgewekte geest in de kampong. Zij lag dan als in
tooverlicht gehuld, al het leelijke der huisjes was verdwenen, men zag
de vuile muren, de sjofele daken niet meer in dien blauwen zilvergloed.
Oud en jong kwam naar buiten; hier zaten groepjes mannen
philosopheerend bijeen, onder het kalm genieten van een strootje
(cigaret), ginds behandelden de huismoeders, in druk en levendig
gesprek, de op de passar gehoorde nieuwtjes. De kleintjes bleven laat
buiten spelen en sprongen als lustige eekhorens heen en weer, terwijl
zij bij hunne vroolijke spelletjes de hoogste liedjes uitgalmden.
Het was bijna jammer ter ruste te gaan, nu het zoo helder licht bleef
en de frissche avondwind over de kampong heenstreek.
In den kring harer speelgenootjes zat Wagini druk mee te babbelen en te
lachen.
„Je wordt de bruid, Wagini, vóór de maan weer vol is,” plaagden de
vriendinnetjes, „ze zeggen dat je vader gauw thuis komt, dat je
grootmoeder hem liet roepen.”
Boos keerde het meisje zich af. “’k Wil niet,” sprak ze norsch, stond
eensklaps op en trad haar huisje binnen.
„Nénéh, het is immers niet waar, ik hoef toch nog niet te trouwen?”
vroeg ze gejaagd.
De oude vrouw zag haar kleinkind kalm in het angstige gezichtje.
„Grootmoeder en vader weten wat goed voor je is, kind,” sprak ze
bedaard, „maak je maar niet bezorgd en ga nu slapen, hartje.”
Wagini bleef echter langen tijd op haar matje heen en weer wentelen en
schreide zacht; zij wilde niet trouwen.
Doch naar haar wil wordt, in zake huwelijk, niet gevraagd bij het
inlandsche meisje. De ouders of naaste verwanten zoeken een geschikte
partij en het kind heeft te gehoorzamen.
Wanneer een klein kampongmeisje er aardig uitziet, ontbreekt het haar
niet aan huwelijkspretendenten. ’t Gebeurt dikwijls, dat er, vóór het
kind zes of zeven jaar oud is, reeds verscheidene keeren aanzoek om
haar hand is gedaan. Dit gaat echter buiten de beide hoofdpersonen om.
Heeft de jonge man, wanneer hij vijftien jaar of ouder is, al eenige
stem in het kapittel, het meisje wordt geheel behandeld als een stuk
koopwaar, dat van de eene hand in de andere overgaat.
Dit lot was ook Wagini beschoren. Wel is waar kwam de voorspelling
harer vriendinnetjes niet uit, de maan werd weer vol, terwijl het
meisje nog vrij en frank rondliep, doch zij had haar noodlot intusschen
met reuzenschreden nader zien komen.
Op zekeren dag, terwijl Wagini tegen het vallen van den avond buiten
zat te spinnen, zag zij een haar onbekend man grootmoeders huisje
binnentreden; even later stond het meisje vóór haar vader. De
ontmoeting tusschen vader en dochter was zeer kalm; wat kon het kind
voor dien, haar geheel vreemden man gevoelen? Onderdanig, zooals het
eene dochter betaamt, begroette zij hem, zonder grootmoeders blijdschap
te deelen, die Kerto-Sadji zeer hartelijk ontving.
Al spoedig bemerkte Wagini, dat vader alleen was thuis gekomen om haar
uit te huwelijken. Sinds een jaar had hij vast werk aan een fabriek van
mortions (vuurwerk) en wilde zoo spoedig mogelijk weer terug naar de
groote stad, waar hij vrouw en kinderen achterliet.
Daar zijne tegenwoordigheid echter bepaald vereischt werd hij het
huwelijk zijner dochter en de daaraan voorafgaande formaliteiten, was
hij op grootmoeders verzoek overgekomen; de oude vrouw wilde de zaak
met spoed tot een gewenscht einde brengen.
Met angst en schrik zag het jonge meisje haar huwelijksdag te gemoet;
al werd zij geheel buiten de voorafgaande onderhandelingen gehouden, al
had zij zich zelfs verstopt toen haar aanstaande een kijkje kwam nemen
naar zijne kleine bruid, zij wist wel, dat verzet haar niets zou baten.
De bruidsgeschenken waren gewisseld, er was rekening gehouden met
gunstige en ongunstige voorteekenen en eindelijk werd een
heilaanbrengende dag uitgezocht voor de huwelijksvoltrekking.
Tot het laatst toe bleef Wagini hopen, dat een of ander toeval het
onheil zou afwenden, doch, nu dit niet het geval bleek, berustte zij:
het was Gods wil.
Op den gewichtigen dag kwam nénéh reeds om vijf uur haar kleindochter
wekken, want het toilet eener inlandsche bruid kost veel tijd.
Terwijl men hiermede bezig was, begaf Wagini’s bruidegom zich met zijne
verwanten en vrienden naar de moskee, om het huwelijk door den priester
te laten voltrekken. Bij deze plechtigheid behoeft de vrouw niet
tegenwoordig te zijn; Wagini was dus reeds gehuwd vóór zij haar man
ooit ontmoette.
Intusschen liet het arme kind het lijdelijk toe, dat men haar in
bruidstooi kleedde. Onbeweeglijk bleef zij zitten, terwijl men haar
lief gezichtje met boreh insmeerde en ook hals en armen met deze gele
verfstof bedekte. Nu werd een fraai gebatikte kain (soort sarong) om
haar fijn middeltje gewonden en daarover een tweede kain of overkleed
van blauw satijn geworpen en in kunstigen wrong, onder de armen door,
op den rug bevestigd, zoodat schouders, armen en een groot gedeelte der
borst onbedekt bleven.
Het weelderige haar, in een komvormig kapsel opgestoken, versierde
grootmoeder met snoeren aan draden geregen bloemen, die langs het
voorhoofd tot op de wangen hingen. Vergulde en zilveren armbanden
schitterden aan bovenarm en polsen, terwijl de kleine, tengere vingers
bijna verloren gingen onder het aantal grof bewerkte ringen, waarin
groote, onechte steenen fonkelden. Grootmoeder had dit kostbaar
bruidsgewaad met al den daarbij behoorenden opschik natuurlijk niet
zelve kunnen bekostigen. Voor een rijksdaalder was al de pronk gehuurd,
waarmede Wagini de bewondering van vrienden en verwanten zou wekken.
Het toilet der bruid was nu voltooid en zij moest, als een stijf
aangekleede pop, stil blijven zitten tot de bruigom kwam.
Het huis vulde zich intusschen met gasten en toeschouwers, ieder kwam
de bruid bewonderen. Wagini’s hart klopte luid en angstig; had zij maar
durven wegloopen, het lot ontvluchten, dat haar wachtte! Maar waar
moest zij heen, wie zou haar helpen?
Om vier uur verkondigde een groot rumoer reeds van verre de komst van
den bruidegom. Vergezeld van een stoet vrienden en bloedverwanten en
door muziek begeleid, kwam hij te paard aanrijden en steeg af voor het
huis der bruid, waarna hij door twee personen plechtig werd
binnengeleid. Toen Wagini hem zag aankomen, had zij het wel willen
uitschreeuwen. In plaats daarvan liet zij zich gedwee bij de hand nemen
door de twee aangewezen vrouwen, die het bruidje haar man te gemoet
voerden. Wagini hield de oogen neergeslagen, slechts even wierp zij een
schuwen blik op Sakerto, toen zij vlak voor hem stond. Op het oogenblik
der eerste ontmoeting tusschen man en vrouw wil het gebruik, dat het
jonge paar elkaar met sirih werpt. Sakerto volbracht dezen plicht naar
den eisch, doch de hand van het vrouwtje beefde zoo sterk, dat het
dichtgevouwen blad naast het hoofd van haar man terecht kwam. Als
bruidegom was deze niet minder fraai uitgedost dan zijne bruid. Ook hij
droeg het bovenlijf naakt en met boreh besmeerd, zijne haren, eveneens
met snoeren bloemen versierd, zwierden hem los op den rug, een kostbare
kain omgaf zijne heupen en hing tot laag op de voeten neer, terwijl de
kris, het handvat fonkelend van kleine steentjes, met bloemen was
versierd. Sakerto had een vriendelijk, goedig uiterlijk en telde dubbel
zooveel jaren als Wagini.
Het feit dat hij reeds gehuwd was geweest, gaf aanleiding tot eene
nieuwe plechtigheid. Men reikte Wagini een kom water, die zij over een
stuk brandend hout moest leeg gieten: een zinnebeeldige voorstelling,
dat het vuur, in het eerste huwelijk onderhouden, nu was uitgebluscht.
Na afloop dezer ceremonie nam het bruidspaar naast elkander op een
matje plaats, er werd koffie en gebak rondgediend en het gevolg van den
bruidegom bracht de huwelijksgeschenken, meest smakelijke eetwaren, aan
de bruid; ook ontving zij eenig geld van haar man, waarvoor zij hem
onderdanig buigend dankte. Zonder een woord te wisselen zat het
bruidspaar naast elkaar, de gelukwenschers stroomden het huis uit en
in, men at en dronk en was vroolijk, er heerschte een drukte van
belang, een bedrijvigheid en heen- en weergeloop, die toenamen naarmate
de avond viel. De lampen werden ontstoken, de muziek liet hare tonen
hooren, op het erfje verdrongen zich de toeschouwers, aangetrokken door
de vroolijkheid en het helder verlichte huis, waar men bruiloft vierde.
Den geheelen nacht bleef het feest voortduren, niemand dacht aan
slapen. Wagini was doodmoe, zij kon de oogen bijna niet meer open
houden, het scheen haar toe, dat de lampen dof begonnen te branden, zij
verstond niet meer wat men tot haar sprak. Eindelijk nam haar lijden
een einde: toen het daglicht aanbrak vertrok de bruidegom met zijne
vrienden en Wagini mocht gaan rusten, haar statiegewaad afleggen, voor
eenige uren althans.
Den volgenden dag zat de jonggetrouwde vrouw in haar bruidstooi
gekleed, weer om vier uur klaar, wachtend op den bruigom, ditmaal om
met hem een rit door de stad te maken. Spoedig hield de fraaiversierde
bruidswagen, gevolgd door wel twintig karretjes, waarin Sakerto’s
vrienden hadden plaats genomen, voor Wagini’s woning stil. Door hare
verwanten begeleid, trad het bruidje naar buiten in den vollen
zonneschijn en daar stond zij, klein en tenger schepseltje, een vreemde
onnatuurlijke verschijning met haar saffraankleurig gezichtje en
getooid in dat bonte, opgeschikte gewaad. Zwijgend nam zij naast haar
man plaats en zoolang de rit duurde bleven beiden als beweginglooze
poppen strak voor zich uitstaren. Misschien ging Sakerto met hart en
ziel in de glorie op, als bruigom zoo deftig en met groot gevolg rond
te rijden en overal bekijks te wekken. Ieder week voor den bruidsstoet
uit, de kampongs liepen leeg om den optocht voorbij te zien komen. Maar
het bruidje kon hare tranen nauwelijks bedwingen en af en toe trilde
het verraderlijk om den kleinen, strakken mond. Eindelijk was ook deze
lijdenstocht volbracht en nu stapte de bruiloftsstoet af voor het huis
van den jongen man, waar deze met zijne moeder en zusters woonde, en
dat nu voortaan ook Wagini’s tehuis zou zijn. Nadat de nieuwe
schoondochter plechtig was ingehaald, met inachtneming van al de
ceremoniën, die de adat voorschrijft, trad de schoonmoeder uit het
binnenvertrek het jonge vrouwtje vriendelijk te gemoet. Er lag een
wereld van goedheid in de zachte, bruine oogen, toen zij op het
schepseltje rustten, dat voortaan een deel van haar gezin zou uitmaken.
Wagini was echter te ontdaan om dit op te merken.
Het bruidspaar vormde weer het midden van een aantal gasten en
toeschouwers, de drukte was nog grooter dan den vorigen dag. Gul werd
ieder uitgenoodigd zich te goed te doen aan den overvloed van spijzen,
die stonden opgedischt: vleesch en visch met gekruide sausen, rijst met
toespijzen, gebak in soorten en een overvloed van vruchten. Hartelijk
drong schoonmoeder Bok Djemilah het bruidje toe te tasten en zette haar
het beste en lekkerste voor, doch Wagini kon geen bete naar binnen
krijgen. Zij had nog geen woord met haar man gewisseld en deze nam
evenmin eenige notitie van zijn kind-vrouwtje; hij at en dronk en
onderhield zich met zijne vrienden. Was dit fijngevoeligheid, begreep
hij hoe beschaamd en verlegen zij zich voelde?
Grootmoeder liet het zich intusschen best smaken en keek vergenoegd
rond: zij had er niet het minste begrip van hoe het Wagini te moede was
en meende tot bestwil van het kind gehandeld te hebben. Haar
kleindochter ging een aangenaam leven te gemoet, want Sakerto verdiende
flink geld met timmeren, hij was een zachtzinnig, bedaard mensch en zou
zijn vrouwtje zeker goed behandelen. Wagini hoefde nu niet meer met de
zware vischmanden te sjouwen, want de dessa, waar haar man woonde, lag
niet aan zee. Zij had slechts hare plichten als huisvrouw te verrichten
en kon nog een aardig stuivertje bijverdienen in den tijd van den
padi-oogst. Op hare beurt kon zij grootmoeder nu steunen en het goede
kind zou nénéh op haar ouden dag het dagelijksch bordje rijst zeker
graag gunnen.
De feeststemming onder de bruiloftsgasten werd steeds grooter. Een paar
bont uitgedoste dansmeisjes wekte de bewondering en den luiden bijval
van het publiek, door de kunstige, lenige wijze, waarop zij hare
ledematen wisten te draaien en te wringen naar de eischen der
tandakkunst.
Het ging alles als in een roes aan Wagini voorbij, die moeite had om
wakker te blijven; het arme kind kon zich bijna niet meer rechtop
houden. Doch het werd weer morgen eer zij mocht opstaan om naar hare
kampong teruggeleid te worden (de eerste dagen nà haar huwelijk slaapt
de jonge vrouw nog in hare eigen woning). Bijna omvallend van
vermoeienis trad Wagini er binnen. Goddank, nu was het feestvieren
achter den rug.
Twee dagen later werd Wagini voorgoed in het huis van haar echtgenoot
opgenomen. Zij moest nu hare schoonmoeder in het huishouden helpen en
naast haar man, ook deze gehoorzamen. Dit laatste viel het jonge
vrouwtje gemakkelijk genoeg. Bok Djemilah was een goede vrouw, zij
verlangde niet te heerschen en te bevelen, haar stem klonk steeds zacht
en vriendelijk. Spoedig hield de nieuwe schoondochter bijna even veel
van haar als van grootmoeder, doch voor haar man bleef zij even angstig
en schuw als op den trouwdag. Weerspannige vrouwtjes worden bij den
inlander met de bamboe geregeerd, maar tot dit middel wilde Sakerto
vooralsnog zijn toevlucht niet nemen, al verdroot het hem geducht, dat
Wagini hem uit den weg ging waar zij kon en zich verstopte of vluchtte
als zij hem van verre zag aankomen. „Heb maar geduld, ze is nog zoo
jong, het zal wel terecht komen,” verzekerde Djemilah haar zoon, en zij
wees het jonge vrouwtje intusschen met liefderijke woorden op hare
plichten. Wagini luisterde onderdanig toe, prevelde: „ja, ja,” en bleef
onwillig haar man zelfs een hand te reiken. Als een stout kind
verschool zij zich nu eens onder een bank, dan weer in het kippenhok of
zij klom in een boom, waar de roode mieren het haar zoo lastig maakten
met hunne venijnige steken, dat zij zich wel naar beneden moest laten
glijden. In plaats van eenige genegenheid voor Sakerto op te vatten,
werd haar afkeer van hem steeds grooter. Die dwaze angst bezorgde
Wagini op zekeren avond een ernstig ongeluk.
Het was al laat en het jonge vrouwtje had zich juist tusschen hare
schoonzusters in, op haar matje gevlijd, toen zij op eens haar man zag
binnenkomen. Zij dacht, dat hij al lang sliep en, hoewel Sakerto niet
de minste acht op haar sloeg, werd zij eensklaps door zulk een grooten
angst aangegrepen, dat ze overeind vloog, vlug over de om haar liggende
gestalten heen wipte en naar de deur vluchtte.
Bij den drempel struikelde zij, viel en bezeerde zich zoo hevig aan
haar rechtervoet tegen een stuk ijzer, dat zij kreunend bleef liggen.
Weken lang moest Wagini voor hare dwaasheid boeten, de voet wilde
slechts langzaam genezen. Grootmoeder kwam haar kleinkind bezoeken en
bleef, om haar met Bok Djemilah te verplegen.
De beide vrouwen spraken hoofdschuddend over Wagini’s koppigheid en
kuren.
Waar moest dat heen? Straks verstootte Sakerto het ondeugende kind nog
en grootmoeder vouwde angstig de handen samen bij dit vreeselijk
vooruitzicht.
Maar het noodlot kwam Wagini te hulp.
Zij was nauwelijks hersteld en had zich voor den eersten keer met
langzame voorzichtige pasjes buiten gewaagd, toen zij voor hare oogen
het ongeluk zag gebeuren, dat haar, geheel onverwacht, hare vrijheid
teruggaf.
Een eindje van het huis stond een klapperaanplant en Sakerto was in een
hoogen boom geklommen, zooals hij reeds honderden malen gedaan had, om
de rijpe vruchten af te kappen.
Wagini luisterde onwillekeurig naar het regelmatig kloppen en den
harden plof, waarmee de vruchten achtereenvolgens naar beneden kwamen.
Op eens werd het geklop gestaakt, een rauwe gil weerklonk door de lucht
en tegelijkertijd stortte Sakerto naar omlaag. Een kleine
onvoorzichtigheid had hem het evenwicht doen verliezen, en, toen op
Wagini’s angstgeschreeuw, de huisgenooten kwamen toeloopen, bleek het,
dat de arme Sakerto zijn ruggegraat gebroken had, en onmiddellijk een
lijk was geweest.
Den volgenden morgen werd Sakerto begraven, diep betreurd door zijne
moeder en zusters, die weeklagend bijeen zaten. Wagini trachtte haar te
troosten, doch de oogen der weduwe zelve bleven droog.
Een jaar ruim is verloopen. Overal op de sawahs heerscht vroolijke
opgewektheid, men is in het volle getij van den padi-oogst. Vóór dag en
dauw tijgen mannen en vrouwen, meisjes en jongelingen naar de velden om
de rijpe halmen één voor één, met het scherpe mesje af te snijden en
tot bundels saam te binnen. Er wordt van ’s morgens tot ’s avonds
gearbeid en in de schemering ziet men overal menschen met welgevulde
bundels op den rug, tevreden huiswaarts gaan. Die niet op eigen grond
werkt, verhuurt zich bij zijn buurman en hoe vlijtiger de handen zich
reppen, hoe grooter de bos padi, die als welverdiend snijloon naar huis
wordt meegedragen.
Geen tijd in het jaar, waarop de jongelieden prettiger en vrijer met
elkaar verkeeren dan wanneer de gouden halmen vallen, die den Javaan
zijn levensbrood geven. Alle stijfheid en vormelijkheid wordt op zij
gezet, oud en jong werkt lustig en opgewekt.
De zon is zoo even herrezen en giet haar gouden gloed over de akkers,
zacht wiegelen de volle padihalmen op den adem van den morgenwind; ach
armen, ze weten niet hoe spoedig het gedaan zal zijn met hun jong
krachtig leven.
Zie, daar komen de snijdsters aan, achter elkaar loopend, op het smalle
pad. De meesten dragen het hoofd nog onbedekt, doch allen hebben den
grooten toedoeng of zonnehoed in de hand, die haar straks beschermen
moet tegen de al te vurige liefkoozingen der dagvorstin. Hoe vroolijk
steken de kleurige baadjes tegen de omgeving af, hoe veel lieve jonge
gezichten ziet men tusschen de oude, verweerde vrouwen in. Het zijn
hare dochters en kleindochters, die spoedig zullen worden als zij: hard
werken in zon en regen maakt vroeg oud.
Maar aan die toekomst denken de jongeren niet, nu is het leven nog
heerlijk en vol beloften en velen lachen stil voor zich heen bij een of
andere zoete herinnering. Onder de padisnijdsters is ook Wagini, een
mooie, tot haar vollen wasdom ontwikkelde vrouw, heerlijk om aan te
zien met haar krullend haar en donkere schitteroogen. Zij lacht
verstolen en slaat even de oogen op, als zij, druk aan het snijden,
denzelfden jongen man, die haar nu reeds drie dagen het hof maakt, over
het veld naar zich toe ziet komen. Wat een knap uiterlijk, wat een
prettig gezicht heeft hij, die slanke Ramidin! Daar komt hij haar op
zijde en lacht en Wagini, het schuwe preutsche vrouwtje, lacht terug en
laat van terzijde, van onder de lange wimpers, haar blik met
welgevallen op Ramidin rusten.
En nu begint tusschen dit paar het spelletje oud als de wereld: hij
lokt en vleit, en zij doet als weet ze niet waar hij heen wil. Ze laat
toe, dat hij de door haar gesneden halmen tot schooven bindt en ze voor
haar draagt. Den heelen dag blijft hij haar ter zijde en om het paartje
heen lacht en fluistert men: die twee worden het ééns.
In de schemering, als zij naast elkander huiswaarts gaan, zij met den
zwaren bundel padi, in de slendang op den rug gebonden, spreekt hij het
groote woord en Wagini, fier en gelukkig, dat zij nu, in vrije keuze,
de inspraak van haar hart mag volgen, reikt haar vriend de kleine,
tengere hand en belooft Ramidin, dat zij met hem door het leven wil
gaan.