II.

Zacht en volgzaam van aard, sprak Wagini niet veel tegen; dat paste

haar niet tegenover de oude vrouw, doch het vooruitzicht van een

huwelijk vervulde het meisje met heftigen afkeer. Zij wist, dat moeder,

even vijftien jaar oud, bij hare geboorte gestorven was. Wat had die

arme moeder van het leven genoten? Neen, Wagini wilde niet, als zij,

jong sterven, ze had het veel te goed, ze was gezond en krachtig, het

leven lachte haar toe. Al moest zij flink de handen uitsteken, al viel

het sjouwen met de vischmanden haar wel eens zwaar, er was toch veel,

dat vergoeding gaf voor het harde werken, menig feestje in de kampong

of daar buiten kwam den eentonigen dagelijkschen arbeid afwisselen.

Daar had men inlandsch Nieuwjaar, wanneer niemand werkte en ieder in

zijn allerbesten pronk, vrienden en kennissen ging geluk wenschen,

terwijl er overal getrakteerd werd. Het was een genot op zich zelf voor

kleine, ijdele Wagini, om, bij die gelegenheid, de fraai gebatikte

sarong om de slanke heupen te plooien, en al wat zij aan sieraden

bezat, op de fluweelen kabaja te hechten.

En dan het aardig ketoepatfeest, na afloop der vasten, als men met

prauwen naar het naburig eiland voer, om de aan het feest geëigende

lekkernijen te genieten en de inlandsche spelen te bewonderen. Het

deerde Wagini niet, dat zij uren lang in de felle zon moest staan om de

grappig verkleede clowns hunne buitelingen te zien maken, de kleine

dansers gâ te slaan die, in meisjespakken gestoken, van blauwe brillen

en waaiertjes voorzien, hunne langzame, statige pasjes uitvoerden op de

maat van hun eigen zang. De nagebootste dieren waren ook een kijkje

waard: hoe hartelijk moest ’t meisje meelachen als zij de potsierlijke

krokodillen met hunne groote, klepperende bekken op de naastbijstaanden

zag toespringen, die in den eersten schrik angstig achteruitstoven

alsof er werkelijk gevaar dreigde.

Wanneer grootmoeder van naar huis gaan sprak, vleide Wagini steeds nog

een poosje te mogen blijven: het ketoepatfeest kwam maar eens in het

jaar.

Maar des te menigvuldiger waren de feestjes in de kampong: de sedekahs

en slametans bij huwelijken, geboorten en sterfgevallen of die, als

zoenoffer, voor een gedane gelofte golden. Als jong meisje mocht Wagini

niet tegenwoordig zijn bij die gelegenheden, doch zij gluurde met de

vriendinnetjes om een hoekje, zag van verre het dansen der

tandakmeisjes en genoot van de lieflijke tonen der gamelang. Er leefde

niet veel poëzie in haar eenvoudig zieltje, maar zij had gevoel voor

muziek. Uren achtereen kon ze, met droomerig genot, zitten luisteren

naar de klanken van gamelang, rebab (een soort viool) of fluit, als

zij, op den adem van den avondwind gedragen, uit de verte tot haar

kwamen.

O, ze was zoo gehecht aan haar kampong, aan de gebruiken van haar eigen

volk, vreemden ging ze schuw uit den weg; doch onder haar kornuitjes

voelde zij zich vrij als een vroolijk, gelukkig kind.

Wanneer de maan vol en helder aan den hemel stond, heerschte er een

gezellige, opgewekte geest in de kampong. Zij lag dan als in

tooverlicht gehuld, al het leelijke der huisjes was verdwenen, men zag

de vuile muren, de sjofele daken niet meer in dien blauwen zilvergloed.

Oud en jong kwam naar buiten; hier zaten groepjes mannen

philosopheerend bijeen, onder het kalm genieten van een strootje

(cigaret), ginds behandelden de huismoeders, in druk en levendig

gesprek, de op de passar gehoorde nieuwtjes. De kleintjes bleven laat

buiten spelen en sprongen als lustige eekhorens heen en weer, terwijl

zij bij hunne vroolijke spelletjes de hoogste liedjes uitgalmden.

Het was bijna jammer ter ruste te gaan, nu het zoo helder licht bleef

en de frissche avondwind over de kampong heenstreek.

In den kring harer speelgenootjes zat Wagini druk mee te babbelen en te

lachen.

„Je wordt de bruid, Wagini, vóór de maan weer vol is,” plaagden de

vriendinnetjes, „ze zeggen dat je vader gauw thuis komt, dat je

grootmoeder hem liet roepen.”

Boos keerde het meisje zich af. “’k Wil niet,” sprak ze norsch, stond

eensklaps op en trad haar huisje binnen.

„Nénéh, het is immers niet waar, ik hoef toch nog niet te trouwen?”

vroeg ze gejaagd.

De oude vrouw zag haar kleinkind kalm in het angstige gezichtje.

„Grootmoeder en vader weten wat goed voor je is, kind,” sprak ze

bedaard, „maak je maar niet bezorgd en ga nu slapen, hartje.”

Wagini bleef echter langen tijd op haar matje heen en weer wentelen en

schreide zacht; zij wilde niet trouwen.

Doch naar haar wil wordt, in zake huwelijk, niet gevraagd bij het

inlandsche meisje. De ouders of naaste verwanten zoeken een geschikte

partij en het kind heeft te gehoorzamen.

Wanneer een klein kampongmeisje er aardig uitziet, ontbreekt het haar

niet aan huwelijkspretendenten. ’t Gebeurt dikwijls, dat er, vóór het

kind zes of zeven jaar oud is, reeds verscheidene keeren aanzoek om

haar hand is gedaan. Dit gaat echter buiten de beide hoofdpersonen om.

Heeft de jonge man, wanneer hij vijftien jaar of ouder is, al eenige

stem in het kapittel, het meisje wordt geheel behandeld als een stuk

koopwaar, dat van de eene hand in de andere overgaat.

Dit lot was ook Wagini beschoren. Wel is waar kwam de voorspelling

harer vriendinnetjes niet uit, de maan werd weer vol, terwijl het

meisje nog vrij en frank rondliep, doch zij had haar noodlot intusschen

met reuzenschreden nader zien komen.

Op zekeren dag, terwijl Wagini tegen het vallen van den avond buiten

zat te spinnen, zag zij een haar onbekend man grootmoeders huisje

binnentreden; even later stond het meisje vóór haar vader. De

ontmoeting tusschen vader en dochter was zeer kalm; wat kon het kind

voor dien, haar geheel vreemden man gevoelen? Onderdanig, zooals het

eene dochter betaamt, begroette zij hem, zonder grootmoeders blijdschap

te deelen, die Kerto-Sadji zeer hartelijk ontving.

Al spoedig bemerkte Wagini, dat vader alleen was thuis gekomen om haar

uit te huwelijken. Sinds een jaar had hij vast werk aan een fabriek van

mortions (vuurwerk) en wilde zoo spoedig mogelijk weer terug naar de

groote stad, waar hij vrouw en kinderen achterliet.

Daar zijne tegenwoordigheid echter bepaald vereischt werd hij het

huwelijk zijner dochter en de daaraan voorafgaande formaliteiten, was

hij op grootmoeders verzoek overgekomen; de oude vrouw wilde de zaak

met spoed tot een gewenscht einde brengen.

Met angst en schrik zag het jonge meisje haar huwelijksdag te gemoet;

al werd zij geheel buiten de voorafgaande onderhandelingen gehouden, al

had zij zich zelfs verstopt toen haar aanstaande een kijkje kwam nemen

naar zijne kleine bruid, zij wist wel, dat verzet haar niets zou baten.

De bruidsgeschenken waren gewisseld, er was rekening gehouden met

gunstige en ongunstige voorteekenen en eindelijk werd een

heilaanbrengende dag uitgezocht voor de huwelijksvoltrekking.

Tot het laatst toe bleef Wagini hopen, dat een of ander toeval het

onheil zou afwenden, doch, nu dit niet het geval bleek, berustte zij:

het was Gods wil.

Op den gewichtigen dag kwam nénéh reeds om vijf uur haar kleindochter

wekken, want het toilet eener inlandsche bruid kost veel tijd.

Terwijl men hiermede bezig was, begaf Wagini’s bruidegom zich met zijne

verwanten en vrienden naar de moskee, om het huwelijk door den priester

te laten voltrekken. Bij deze plechtigheid behoeft de vrouw niet

tegenwoordig te zijn; Wagini was dus reeds gehuwd vóór zij haar man

ooit ontmoette.

Intusschen liet het arme kind het lijdelijk toe, dat men haar in

bruidstooi kleedde. Onbeweeglijk bleef zij zitten, terwijl men haar

lief gezichtje met boreh insmeerde en ook hals en armen met deze gele

verfstof bedekte. Nu werd een fraai gebatikte kain (soort sarong) om

haar fijn middeltje gewonden en daarover een tweede kain of overkleed

van blauw satijn geworpen en in kunstigen wrong, onder de armen door,

op den rug bevestigd, zoodat schouders, armen en een groot gedeelte der

borst onbedekt bleven.

Het weelderige haar, in een komvormig kapsel opgestoken, versierde

grootmoeder met snoeren aan draden geregen bloemen, die langs het

voorhoofd tot op de wangen hingen. Vergulde en zilveren armbanden

schitterden aan bovenarm en polsen, terwijl de kleine, tengere vingers

bijna verloren gingen onder het aantal grof bewerkte ringen, waarin

groote, onechte steenen fonkelden. Grootmoeder had dit kostbaar

bruidsgewaad met al den daarbij behoorenden opschik natuurlijk niet

zelve kunnen bekostigen. Voor een rijksdaalder was al de pronk gehuurd,

waarmede Wagini de bewondering van vrienden en verwanten zou wekken.

Het toilet der bruid was nu voltooid en zij moest, als een stijf

aangekleede pop, stil blijven zitten tot de bruigom kwam.

Het huis vulde zich intusschen met gasten en toeschouwers, ieder kwam

de bruid bewonderen. Wagini’s hart klopte luid en angstig; had zij maar

durven wegloopen, het lot ontvluchten, dat haar wachtte! Maar waar

moest zij heen, wie zou haar helpen?

Om vier uur verkondigde een groot rumoer reeds van verre de komst van

den bruidegom. Vergezeld van een stoet vrienden en bloedverwanten en

door muziek begeleid, kwam hij te paard aanrijden en steeg af voor het

huis der bruid, waarna hij door twee personen plechtig werd

binnengeleid. Toen Wagini hem zag aankomen, had zij het wel willen

uitschreeuwen. In plaats daarvan liet zij zich gedwee bij de hand nemen

door de twee aangewezen vrouwen, die het bruidje haar man te gemoet

voerden. Wagini hield de oogen neergeslagen, slechts even wierp zij een

schuwen blik op Sakerto, toen zij vlak voor hem stond. Op het oogenblik

der eerste ontmoeting tusschen man en vrouw wil het gebruik, dat het

jonge paar elkaar met sirih werpt. Sakerto volbracht dezen plicht naar

den eisch, doch de hand van het vrouwtje beefde zoo sterk, dat het

dichtgevouwen blad naast het hoofd van haar man terecht kwam. Als

bruidegom was deze niet minder fraai uitgedost dan zijne bruid. Ook hij

droeg het bovenlijf naakt en met boreh besmeerd, zijne haren, eveneens

met snoeren bloemen versierd, zwierden hem los op den rug, een kostbare

kain omgaf zijne heupen en hing tot laag op de voeten neer, terwijl de

kris, het handvat fonkelend van kleine steentjes, met bloemen was

versierd. Sakerto had een vriendelijk, goedig uiterlijk en telde dubbel

zooveel jaren als Wagini.

Het feit dat hij reeds gehuwd was geweest, gaf aanleiding tot eene

nieuwe plechtigheid. Men reikte Wagini een kom water, die zij over een

stuk brandend hout moest leeg gieten: een zinnebeeldige voorstelling,

dat het vuur, in het eerste huwelijk onderhouden, nu was uitgebluscht.

Na afloop dezer ceremonie nam het bruidspaar naast elkander op een

matje plaats, er werd koffie en gebak rondgediend en het gevolg van den

bruidegom bracht de huwelijksgeschenken, meest smakelijke eetwaren, aan

de bruid; ook ontving zij eenig geld van haar man, waarvoor zij hem

onderdanig buigend dankte. Zonder een woord te wisselen zat het

bruidspaar naast elkaar, de gelukwenschers stroomden het huis uit en

in, men at en dronk en was vroolijk, er heerschte een drukte van

belang, een bedrijvigheid en heen- en weergeloop, die toenamen naarmate

de avond viel. De lampen werden ontstoken, de muziek liet hare tonen

hooren, op het erfje verdrongen zich de toeschouwers, aangetrokken door

de vroolijkheid en het helder verlichte huis, waar men bruiloft vierde.

Den geheelen nacht bleef het feest voortduren, niemand dacht aan

slapen. Wagini was doodmoe, zij kon de oogen bijna niet meer open

houden, het scheen haar toe, dat de lampen dof begonnen te branden, zij

verstond niet meer wat men tot haar sprak. Eindelijk nam haar lijden

een einde: toen het daglicht aanbrak vertrok de bruidegom met zijne

vrienden en Wagini mocht gaan rusten, haar statiegewaad afleggen, voor

eenige uren althans.

Den volgenden dag zat de jonggetrouwde vrouw in haar bruidstooi

gekleed, weer om vier uur klaar, wachtend op den bruigom, ditmaal om

met hem een rit door de stad te maken. Spoedig hield de fraaiversierde

bruidswagen, gevolgd door wel twintig karretjes, waarin Sakerto’s

vrienden hadden plaats genomen, voor Wagini’s woning stil. Door hare

verwanten begeleid, trad het bruidje naar buiten in den vollen

zonneschijn en daar stond zij, klein en tenger schepseltje, een vreemde

onnatuurlijke verschijning met haar saffraankleurig gezichtje en

getooid in dat bonte, opgeschikte gewaad. Zwijgend nam zij naast haar

man plaats en zoolang de rit duurde bleven beiden als beweginglooze

poppen strak voor zich uitstaren. Misschien ging Sakerto met hart en

ziel in de glorie op, als bruigom zoo deftig en met groot gevolg rond

te rijden en overal bekijks te wekken. Ieder week voor den bruidsstoet

uit, de kampongs liepen leeg om den optocht voorbij te zien komen. Maar

het bruidje kon hare tranen nauwelijks bedwingen en af en toe trilde

het verraderlijk om den kleinen, strakken mond. Eindelijk was ook deze

lijdenstocht volbracht en nu stapte de bruiloftsstoet af voor het huis

van den jongen man, waar deze met zijne moeder en zusters woonde, en

dat nu voortaan ook Wagini’s tehuis zou zijn. Nadat de nieuwe

schoondochter plechtig was ingehaald, met inachtneming van al de

ceremoniën, die de adat voorschrijft, trad de schoonmoeder uit het

binnenvertrek het jonge vrouwtje vriendelijk te gemoet. Er lag een

wereld van goedheid in de zachte, bruine oogen, toen zij op het

schepseltje rustten, dat voortaan een deel van haar gezin zou uitmaken.

Wagini was echter te ontdaan om dit op te merken.

Het bruidspaar vormde weer het midden van een aantal gasten en

toeschouwers, de drukte was nog grooter dan den vorigen dag. Gul werd

ieder uitgenoodigd zich te goed te doen aan den overvloed van spijzen,

die stonden opgedischt: vleesch en visch met gekruide sausen, rijst met

toespijzen, gebak in soorten en een overvloed van vruchten. Hartelijk

drong schoonmoeder Bok Djemilah het bruidje toe te tasten en zette haar

het beste en lekkerste voor, doch Wagini kon geen bete naar binnen

krijgen. Zij had nog geen woord met haar man gewisseld en deze nam

evenmin eenige notitie van zijn kind-vrouwtje; hij at en dronk en

onderhield zich met zijne vrienden. Was dit fijngevoeligheid, begreep

hij hoe beschaamd en verlegen zij zich voelde?

Grootmoeder liet het zich intusschen best smaken en keek vergenoegd

rond: zij had er niet het minste begrip van hoe het Wagini te moede was

en meende tot bestwil van het kind gehandeld te hebben. Haar

kleindochter ging een aangenaam leven te gemoet, want Sakerto verdiende

flink geld met timmeren, hij was een zachtzinnig, bedaard mensch en zou

zijn vrouwtje zeker goed behandelen. Wagini hoefde nu niet meer met de

zware vischmanden te sjouwen, want de dessa, waar haar man woonde, lag

niet aan zee. Zij had slechts hare plichten als huisvrouw te verrichten

en kon nog een aardig stuivertje bijverdienen in den tijd van den

padi-oogst. Op hare beurt kon zij grootmoeder nu steunen en het goede

kind zou nénéh op haar ouden dag het dagelijksch bordje rijst zeker

graag gunnen.

De feeststemming onder de bruiloftsgasten werd steeds grooter. Een paar

bont uitgedoste dansmeisjes wekte de bewondering en den luiden bijval

van het publiek, door de kunstige, lenige wijze, waarop zij hare

ledematen wisten te draaien en te wringen naar de eischen der

tandakkunst.

Het ging alles als in een roes aan Wagini voorbij, die moeite had om

wakker te blijven; het arme kind kon zich bijna niet meer rechtop

houden. Doch het werd weer morgen eer zij mocht opstaan om naar hare

kampong teruggeleid te worden (de eerste dagen nà haar huwelijk slaapt

de jonge vrouw nog in hare eigen woning). Bijna omvallend van

vermoeienis trad Wagini er binnen. Goddank, nu was het feestvieren

achter den rug.

Twee dagen later werd Wagini voorgoed in het huis van haar echtgenoot

opgenomen. Zij moest nu hare schoonmoeder in het huishouden helpen en

naast haar man, ook deze gehoorzamen. Dit laatste viel het jonge

vrouwtje gemakkelijk genoeg. Bok Djemilah was een goede vrouw, zij

verlangde niet te heerschen en te bevelen, haar stem klonk steeds zacht

en vriendelijk. Spoedig hield de nieuwe schoondochter bijna even veel

van haar als van grootmoeder, doch voor haar man bleef zij even angstig

en schuw als op den trouwdag. Weerspannige vrouwtjes worden bij den

inlander met de bamboe geregeerd, maar tot dit middel wilde Sakerto

vooralsnog zijn toevlucht niet nemen, al verdroot het hem geducht, dat

Wagini hem uit den weg ging waar zij kon en zich verstopte of vluchtte

als zij hem van verre zag aankomen. „Heb maar geduld, ze is nog zoo

jong, het zal wel terecht komen,” verzekerde Djemilah haar zoon, en zij

wees het jonge vrouwtje intusschen met liefderijke woorden op hare

plichten. Wagini luisterde onderdanig toe, prevelde: „ja, ja,” en bleef

onwillig haar man zelfs een hand te reiken. Als een stout kind

verschool zij zich nu eens onder een bank, dan weer in het kippenhok of

zij klom in een boom, waar de roode mieren het haar zoo lastig maakten

met hunne venijnige steken, dat zij zich wel naar beneden moest laten

glijden. In plaats van eenige genegenheid voor Sakerto op te vatten,

werd haar afkeer van hem steeds grooter. Die dwaze angst bezorgde

Wagini op zekeren avond een ernstig ongeluk.

Het was al laat en het jonge vrouwtje had zich juist tusschen hare

schoonzusters in, op haar matje gevlijd, toen zij op eens haar man zag

binnenkomen. Zij dacht, dat hij al lang sliep en, hoewel Sakerto niet

de minste acht op haar sloeg, werd zij eensklaps door zulk een grooten

angst aangegrepen, dat ze overeind vloog, vlug over de om haar liggende

gestalten heen wipte en naar de deur vluchtte.

Bij den drempel struikelde zij, viel en bezeerde zich zoo hevig aan

haar rechtervoet tegen een stuk ijzer, dat zij kreunend bleef liggen.

Weken lang moest Wagini voor hare dwaasheid boeten, de voet wilde

slechts langzaam genezen. Grootmoeder kwam haar kleinkind bezoeken en

bleef, om haar met Bok Djemilah te verplegen.

De beide vrouwen spraken hoofdschuddend over Wagini’s koppigheid en

kuren.

Waar moest dat heen? Straks verstootte Sakerto het ondeugende kind nog

en grootmoeder vouwde angstig de handen samen bij dit vreeselijk

vooruitzicht.

Maar het noodlot kwam Wagini te hulp.

Zij was nauwelijks hersteld en had zich voor den eersten keer met

langzame voorzichtige pasjes buiten gewaagd, toen zij voor hare oogen

het ongeluk zag gebeuren, dat haar, geheel onverwacht, hare vrijheid

teruggaf.

Een eindje van het huis stond een klapperaanplant en Sakerto was in een

hoogen boom geklommen, zooals hij reeds honderden malen gedaan had, om

de rijpe vruchten af te kappen.

Wagini luisterde onwillekeurig naar het regelmatig kloppen en den

harden plof, waarmee de vruchten achtereenvolgens naar beneden kwamen.

Op eens werd het geklop gestaakt, een rauwe gil weerklonk door de lucht

en tegelijkertijd stortte Sakerto naar omlaag. Een kleine

onvoorzichtigheid had hem het evenwicht doen verliezen, en, toen op

Wagini’s angstgeschreeuw, de huisgenooten kwamen toeloopen, bleek het,

dat de arme Sakerto zijn ruggegraat gebroken had, en onmiddellijk een

lijk was geweest.

Den volgenden morgen werd Sakerto begraven, diep betreurd door zijne

moeder en zusters, die weeklagend bijeen zaten. Wagini trachtte haar te

troosten, doch de oogen der weduwe zelve bleven droog.

Een jaar ruim is verloopen. Overal op de sawahs heerscht vroolijke

opgewektheid, men is in het volle getij van den padi-oogst. Vóór dag en

dauw tijgen mannen en vrouwen, meisjes en jongelingen naar de velden om

de rijpe halmen één voor één, met het scherpe mesje af te snijden en

tot bundels saam te binnen. Er wordt van ’s morgens tot ’s avonds

gearbeid en in de schemering ziet men overal menschen met welgevulde

bundels op den rug, tevreden huiswaarts gaan. Die niet op eigen grond

werkt, verhuurt zich bij zijn buurman en hoe vlijtiger de handen zich

reppen, hoe grooter de bos padi, die als welverdiend snijloon naar huis

wordt meegedragen.

Geen tijd in het jaar, waarop de jongelieden prettiger en vrijer met

elkaar verkeeren dan wanneer de gouden halmen vallen, die den Javaan

zijn levensbrood geven. Alle stijfheid en vormelijkheid wordt op zij

gezet, oud en jong werkt lustig en opgewekt.

De zon is zoo even herrezen en giet haar gouden gloed over de akkers,

zacht wiegelen de volle padihalmen op den adem van den morgenwind; ach

armen, ze weten niet hoe spoedig het gedaan zal zijn met hun jong

krachtig leven.

Zie, daar komen de snijdsters aan, achter elkaar loopend, op het smalle

pad. De meesten dragen het hoofd nog onbedekt, doch allen hebben den

grooten toedoeng of zonnehoed in de hand, die haar straks beschermen

moet tegen de al te vurige liefkoozingen der dagvorstin. Hoe vroolijk

steken de kleurige baadjes tegen de omgeving af, hoe veel lieve jonge

gezichten ziet men tusschen de oude, verweerde vrouwen in. Het zijn

hare dochters en kleindochters, die spoedig zullen worden als zij: hard

werken in zon en regen maakt vroeg oud.

Maar aan die toekomst denken de jongeren niet, nu is het leven nog

heerlijk en vol beloften en velen lachen stil voor zich heen bij een of

andere zoete herinnering. Onder de padisnijdsters is ook Wagini, een

mooie, tot haar vollen wasdom ontwikkelde vrouw, heerlijk om aan te

zien met haar krullend haar en donkere schitteroogen. Zij lacht

verstolen en slaat even de oogen op, als zij, druk aan het snijden,

denzelfden jongen man, die haar nu reeds drie dagen het hof maakt, over

het veld naar zich toe ziet komen. Wat een knap uiterlijk, wat een

prettig gezicht heeft hij, die slanke Ramidin! Daar komt hij haar op

zijde en lacht en Wagini, het schuwe preutsche vrouwtje, lacht terug en

laat van terzijde, van onder de lange wimpers, haar blik met

welgevallen op Ramidin rusten.

En nu begint tusschen dit paar het spelletje oud als de wereld: hij

lokt en vleit, en zij doet als weet ze niet waar hij heen wil. Ze laat

toe, dat hij de door haar gesneden halmen tot schooven bindt en ze voor

haar draagt. Den heelen dag blijft hij haar ter zijde en om het paartje

heen lacht en fluistert men: die twee worden het ééns.

In de schemering, als zij naast elkander huiswaarts gaan, zij met den

zwaren bundel padi, in de slendang op den rug gebonden, spreekt hij het

groote woord en Wagini, fier en gelukkig, dat zij nu, in vrije keuze,

de inspraak van haar hart mag volgen, reikt haar vriend de kleine,

tengere hand en belooft Ramidin, dat zij met hem door het leven wil

gaan.

Vrouwenleven in de Dessa · 第 7 / 20 题