Het was middernacht, de strandkampong lag in diepe rust; in de kleine
inlandsche woningen geen geluid of beweging, alles sliep. Hier en daar
schitterde een lichtpuntje door de bilikwanden der huisjes, waarmee de
palita, het primitieve olielampje, de duisternis in zijn naaste
omgeving verbrak.
Aan het eind van het dorp, door een vrij groot erf van de andere
gescheiden, lag een huisje, dat niet in de algemeene rost deelde. Een
zacht rumoer van stemmen drong naar buiten door, af en aanloopende
menschen, meest oudere vrouwen, traden de woning binnen of verlieten
haar en, bij het openen der deur, teekende zich even een helder
lichtvlak op den grond, dat de duisternis rondom nog zwarter deed
schijnen.
Er had een belangrijke gebeurtenis plaats gegrepen achter de vier
muren: er was een kindje geboren; een aardig, mollig meisje had er zoo
even haar intree gedaan. In een duister, beschut hoekje lag het jonge
moedertje, doodstil, met wijd geopende oogen, voor zich uit te staren.
Zij was zoo doodelijk vermoeid, de kleine Kamisah, het arme,
afgestreden lichaam verlangde zoo vurig naar rust. Maar zij mocht de
groote, donkere oogen niet sluiten, zij moest strijden tegen de alles
overweldigende begeerte, want als de slaap langer dan een oogenblik
haar de oogen look, dan kwamen de booze geesten om haar en heur kind in
het ongeluk te storten. Hardnekkig hing haar blik aan het flikkerend
licht van het lampje, terwijl zij trachtte te luisteren naar de
vermanende stem der over haar heengebogen vrouw. „Niet slapen, Kamisah,
denk aan het kindje, morgen kun je volop rusten, nu moet je waken, de
kwade geesten waren rond.”
„Ja, ja.” Kamisah wist het wel, zij kende haar plicht en gaarne wilde
zij haar kindje beschermen tegen booze invloeden. Met een korte
opflikkering van levenskracht strekte zij de hand uit naar het kleine
schepsel, dat men naast haar had neergelegd. Voor het eerst doortrilde
de jonge moeder een gelukkig, dankbaar gevoel: dat warme, levende
lichaampje aan heur zijde behoorde haar toe, ’t was haar eigen kindje,
dat zij, ten koste van veel smart en lijden, het leven had gegeven.
’t Moedertje betastte de teere leedjes, liefkoosde het ronde kopje,
toen zonk de hand machteloos neer, de lange wimpers daalden op de
vaalbleeke wangen. Doch daar klonk weer de waarschuwende stem aan haar
oor: „niet slapen, Kamisah, niet slapen.” Zij sloeg de oogen op met een
uitdrukking in den blik als van een gewonde ree. Naast moeder boog zich
nu ook haar man over Kamisah heen en wischte de groote zweetdroppels
af, die haar op het voorhoofd parelden.
Moeder drong hem op zijde, een trek van onrust vertoonde zich eensklaps
op het oud, gerimpeld gelaat en haastig wenkte zij de doekoen. Deze
scheen de onrust der oude wouw te deelen; diep over Kamisah
heengebogen, begon zij het roerlooze lichaam van het jonge vrouwtje te
streelen en te wrijven onder het prevelen van geheimzinnige woorden.
Op eens richtte de zieke zich op; greep met de bruine handjes om zich
heen, opende den mond als om te spreken en zonk kreunend neer........
De hanen kraaiden den morgen te gemoet, de vogels ontwaakten, de dag
werd geboren en, in het kleine huisje aan zee, lag het vijftienjarig
moedertje stijf en koud: zij had het leven van haar kindje met het hare
betaald.
Onbewust, dat zij, bij hare geboorte, het beste verloren had wat een
mensch in het leven wordt gegeven: moederliefde en moederzorg,
schreeuwde en kraaide kleine Wagini er lustig op los. Zij was een mooi,
sterk kindje, al moedertjes levenskracht had zij meegekregen.
Grootmoeder zorgde met trouwe toewijding voor ’t jonge leven, dat
geheel van haar afhing. De eerste dagen leefde Wagini van rijstwater
met suiker, maar zij was nog geen week oud, toen grootmoeder reeds
fijngeknede pisang met dunne rijstepap vermengd in het begeerige mondje
stopte. Het kleintje gedijde: vol trots vertoonde de oude vrouw haar
pleegkind; had men ooit flinker, aardiger meisje gezien voor haar
leeftijd?
Vader keek niet veel om naar zijn dochtertje; hij; was een stil, stug
man, die liefst alleen zijn gang ging. Wanneer hij zich den dood van
zijn jong, mooi vrouwtje had aangetrokken en haar betreurde, droeg hij
zijn leed in stilte. Hij uitte zich tegen niemand en, werd de naam der
doode genoemd, dan was er op zijn gelaat geen spoor van
gemoedsaandoeningen te lezen.
Wagini telde nog geen twee jaar, toen haar vader op zekeren dag aan
grootmoeder meedeelde, dat hij van plan was elders heen te trekken,
naar een of andere groote stad, om daar werk te zoeken. Nénéh verdiende
genoeg voor zich zelve en Wagini beiden, en naderhand zou de kleine
meid haar kunnen helpen.
Na een kalm afscheid van zijn familie, verliet Kerto-Sadji dus op
zekeren dag zijn woning en er zouden vele jaren voorbijgaan eer hij
haar weder betrad. Af en toe kreeg grootmoeder bericht, altijd bij
mondelinge boodschap, dat het haar schoonzoon goed ging; ook deed hij
haar nu en dan wat geld toekomen, dat door de oude vrouw steeds
dankbaar in ontvangst werd genomen. Zij dacht er niet over na, en het
ergerde haar dus ook niet, dat de vader in het geheel niet naar zijn
kind verlangde. Kerto-Sadji was altijd eenzelvig geweest, het kleine
meisje ontbeerde zijn liefde niet. Neen, Wagini wist niet beter of
Grootmoeder—„nénéh” zooals de inlander haar noemt—was de eenige
bloedverwant, die zij bezat.
Dat oude gerimpelde gezicht, die magere, bruine armen
vertegenwoordigden voor ’t kind àl wat zij aan ouderliefde en ouderzorg
behoefde. Van nénéh kreeg zij eten en drinken met menig snoeperijtje
bovendien; tot nénéh vluchtte zij bij denkbeeldige gevaren, nénéh
knorde en strafte, maar liefkoosde haar toch nog meer.
Van een lief, mollig kindje werd zij al gauw een bijdehand, klein ding,
wijs boven haar jaren, met een fijn gevormd, rank figuurtje en mooi
gezichtje. Heur zwart haar sprong en krulde om ’t effen voorhoofd, in
’t aardig nekje en beschaduwde de groote ernstige oogen, waaraan de
lange wimpers iets zwaarmoedigs gaven. Grootmoeder bedierf het mooie
kindje en schikte haar op wat zij kon. De fraaie zilveren bandjes om
hare polsjes, het halskettinkje van blauwe kralen, waar ze zoo grootsch
op was, het vergulde sieraad in de kleine kondeh, alles kwam van nénéh.
Maar, ze deed dan ook flink haar best, zesjarige dreumes die ze was, en
hielp reeds, met parmantige wijsheid aan allerlei in het huishouden.
Met een oud-vrouwtjesachtige bedrijvigheid liep ze af en aan, sjouwde
met de waterkruik, die zij verderop aan de rivier vulde, waschte de
rijst, zocht brandhout bijeen en spoelde het vaatwerk af.
Ze moest nu ook spoedig leeren batikken, had grootmoeder gezegd, doch
dit vooruitzicht leek Wagini verre van pleizierig. Zij hield niet van
stil zitten; met de vriendinnetjes spelen, hard loopen en springen, dat
was haar grootste lust. Als de anderen huisjes van karang [1] bouwden,
dan keek ze ongeduldig toe. Het was wel aardig om naderhand het lichtje
te zien blinken tusschen de openingen der karang muurtjes, maar het
loonde toch de moeite niet, zooveel tijd aan het opbouwen te besteden.
Van het onderwijs op de godsdienstschool, waar zij een uurtje per dag
heen ging, profiteerde Wagini niet bijster veel. Met groote moeite
leerde zij de arabische letterteekens van elkaar onderscheiden, de
kunst van lezen en schrijven werd zij nooit machtig. ’t Kon niet
anders, niemand lette er op of zij ál of niet naar school ging en
Wagini had dikwijls weken achtereen allerlei werk, dat haar veel
nuttiger en noodiger toescheen dan schoolbezoek. In een strandkampong
geboren, was zij bevoorrecht kind boven velen; aan het strand spelen
was zoo prettig. Het schoon der zee trok maar zelden haar aandacht, zij
lette er niet op of deze, in feesttooi gehuld, het heerlijk blauwe
kleed met goud en diamanten overdekt, hare golven zacht tegen het
strand stuwde, of wel diezelfde golven, met boos gebrul, hoog tegen den
oever opjoeg, zoo gulzig naar het land happend, als wilde zij het
verslinden. Wanneer het water zoo heel woest te keer ging, was zij
alleen wel eens bang, dat het de kampong zou binnenstormen en in
razende vaart alles meesleepen. Doch, daar Wagini dit nooit zag
gebeuren, verdween deze angst met de jaren en leerde zij den oceaan als
een kameraad beschouwen, die haar en den haren het noodige gaf om te
leven. Als dreumes van vijf, zes jaar, trok zij al voordeel van de zee
op hare wijze. De kleine sarong hoog opgeschort, liep zij het water in
om vischjes en garnalen te vangen, en verdiende daarmede menig
snoepduitje. Dikwijls stond Wagini aan het strand met een vuil handje
boven de oogen, zooals zij het de zeelui in hare omgeving zag doen. Dan
keek ze uit of de visschersprauwen in aantocht waren. Werden zij
spoedig verwacht, dan was het kleine ding in haar element. Naast
grootmoeder zat zij al lang van te voren aan het strand, gretig starend
naar de blanke zeilen, die achtereenvolgens aan den horizon opdoemden.
En, wierp de vloot haar zilveren zeebuit op het land, welk een genot om
de groote visschen te bewonderen, ze te helpen voortsleepen naar de
kampong, de mannen achterna te loopen, die de volle manden wegdroegen,
er bij te zitten als de voorraad verdeeld werd onder de koopers, bij
het eentonig tellen der vrouwen.
Vader had jaren geleden ook op een groote prauw gevaren, vertelde
grootmoeder.
„Net zoo een als van Roestiman?” vroeg Wagini.
„Nog veel grooter,” verzekerde nénéh, „zij was bemand met wel twintig
koppen en zoo mooi versierd met schelletjes, stukjes blik en
spiegeltjes, die helder in de zon fonkelden, tusschen het tuigwerk.”
Vader had altijd een goede verdienste gehad met de visscherij, maar hij
was ongedurig van aard, hij kon nooit lang bij hetzelfde werk blijven.
„Waar is die schuit nu?” vroeg Wagini, die meer belang stelde in de
prauw dan in vaders wedervaren.
„Gestrand, kind, daar ver weg bij poeloe padjang; een tegenwind dreef
haar op de karang, waar zij verging.” En de oude vrouw strekte den
dorren wijsvinger uit naar een witte plek in de verte, waar de golven
in heftige branding gistten en woelden tusschen de koraalriffen, die
mijlen ver in zee het vaarwater onveilig maakten.
Grootmoeder werd oud en sukkelend, de arbeid viel haar zwaar. Wagini
deed bijna al het werk in huis en hielp nénéh bovendien bij die
bezigheden, waar wel is waar weinig verdiensten op zat, als garen
spinnen, matten vlechten, batikken enz., doch die de nijvere, oude
handen bezighielden. Het jonge meisje droeg de zware vischmanden,
grootmoeder de lichte vracht als zij passarwaarts gingen.
’t Kostte het oudje veel inspanning ver te loopen, doch zij liet haar
kleindochter niet graag alleen gaan; Wagini telde bijna veertien jaar
en was het mooiste meisje uit de kampong.
„Kind,” sprak nénéh op zekeren dag, „ik zal niet lang meer leven, je
moet maar spoedig trouwen, dan kan je man voor je zorgen en grootmoeder
het hoofd rustig neerleggen.”