I.

Het was middernacht, de strandkampong lag in diepe rust; in de kleine

inlandsche woningen geen geluid of beweging, alles sliep. Hier en daar

schitterde een lichtpuntje door de bilikwanden der huisjes, waarmee de

palita, het primitieve olielampje, de duisternis in zijn naaste

omgeving verbrak.

Aan het eind van het dorp, door een vrij groot erf van de andere

gescheiden, lag een huisje, dat niet in de algemeene rost deelde. Een

zacht rumoer van stemmen drong naar buiten door, af en aanloopende

menschen, meest oudere vrouwen, traden de woning binnen of verlieten

haar en, bij het openen der deur, teekende zich even een helder

lichtvlak op den grond, dat de duisternis rondom nog zwarter deed

schijnen.

Er had een belangrijke gebeurtenis plaats gegrepen achter de vier

muren: er was een kindje geboren; een aardig, mollig meisje had er zoo

even haar intree gedaan. In een duister, beschut hoekje lag het jonge

moedertje, doodstil, met wijd geopende oogen, voor zich uit te staren.

Zij was zoo doodelijk vermoeid, de kleine Kamisah, het arme,

afgestreden lichaam verlangde zoo vurig naar rust. Maar zij mocht de

groote, donkere oogen niet sluiten, zij moest strijden tegen de alles

overweldigende begeerte, want als de slaap langer dan een oogenblik

haar de oogen look, dan kwamen de booze geesten om haar en heur kind in

het ongeluk te storten. Hardnekkig hing haar blik aan het flikkerend

licht van het lampje, terwijl zij trachtte te luisteren naar de

vermanende stem der over haar heengebogen vrouw. „Niet slapen, Kamisah,

denk aan het kindje, morgen kun je volop rusten, nu moet je waken, de

kwade geesten waren rond.”

„Ja, ja.” Kamisah wist het wel, zij kende haar plicht en gaarne wilde

zij haar kindje beschermen tegen booze invloeden. Met een korte

opflikkering van levenskracht strekte zij de hand uit naar het kleine

schepsel, dat men naast haar had neergelegd. Voor het eerst doortrilde

de jonge moeder een gelukkig, dankbaar gevoel: dat warme, levende

lichaampje aan heur zijde behoorde haar toe, ’t was haar eigen kindje,

dat zij, ten koste van veel smart en lijden, het leven had gegeven.

’t Moedertje betastte de teere leedjes, liefkoosde het ronde kopje,

toen zonk de hand machteloos neer, de lange wimpers daalden op de

vaalbleeke wangen. Doch daar klonk weer de waarschuwende stem aan haar

oor: „niet slapen, Kamisah, niet slapen.” Zij sloeg de oogen op met een

uitdrukking in den blik als van een gewonde ree. Naast moeder boog zich

nu ook haar man over Kamisah heen en wischte de groote zweetdroppels

af, die haar op het voorhoofd parelden.

Moeder drong hem op zijde, een trek van onrust vertoonde zich eensklaps

op het oud, gerimpeld gelaat en haastig wenkte zij de doekoen. Deze

scheen de onrust der oude wouw te deelen; diep over Kamisah

heengebogen, begon zij het roerlooze lichaam van het jonge vrouwtje te

streelen en te wrijven onder het prevelen van geheimzinnige woorden.

Op eens richtte de zieke zich op; greep met de bruine handjes om zich

heen, opende den mond als om te spreken en zonk kreunend neer........

De hanen kraaiden den morgen te gemoet, de vogels ontwaakten, de dag

werd geboren en, in het kleine huisje aan zee, lag het vijftienjarig

moedertje stijf en koud: zij had het leven van haar kindje met het hare

betaald.

Onbewust, dat zij, bij hare geboorte, het beste verloren had wat een

mensch in het leven wordt gegeven: moederliefde en moederzorg,

schreeuwde en kraaide kleine Wagini er lustig op los. Zij was een mooi,

sterk kindje, al moedertjes levenskracht had zij meegekregen.

Grootmoeder zorgde met trouwe toewijding voor ’t jonge leven, dat

geheel van haar afhing. De eerste dagen leefde Wagini van rijstwater

met suiker, maar zij was nog geen week oud, toen grootmoeder reeds

fijngeknede pisang met dunne rijstepap vermengd in het begeerige mondje

stopte. Het kleintje gedijde: vol trots vertoonde de oude vrouw haar

pleegkind; had men ooit flinker, aardiger meisje gezien voor haar

leeftijd?

Vader keek niet veel om naar zijn dochtertje; hij; was een stil, stug

man, die liefst alleen zijn gang ging. Wanneer hij zich den dood van

zijn jong, mooi vrouwtje had aangetrokken en haar betreurde, droeg hij

zijn leed in stilte. Hij uitte zich tegen niemand en, werd de naam der

doode genoemd, dan was er op zijn gelaat geen spoor van

gemoedsaandoeningen te lezen.

Wagini telde nog geen twee jaar, toen haar vader op zekeren dag aan

grootmoeder meedeelde, dat hij van plan was elders heen te trekken,

naar een of andere groote stad, om daar werk te zoeken. Nénéh verdiende

genoeg voor zich zelve en Wagini beiden, en naderhand zou de kleine

meid haar kunnen helpen.

Na een kalm afscheid van zijn familie, verliet Kerto-Sadji dus op

zekeren dag zijn woning en er zouden vele jaren voorbijgaan eer hij

haar weder betrad. Af en toe kreeg grootmoeder bericht, altijd bij

mondelinge boodschap, dat het haar schoonzoon goed ging; ook deed hij

haar nu en dan wat geld toekomen, dat door de oude vrouw steeds

dankbaar in ontvangst werd genomen. Zij dacht er niet over na, en het

ergerde haar dus ook niet, dat de vader in het geheel niet naar zijn

kind verlangde. Kerto-Sadji was altijd eenzelvig geweest, het kleine

meisje ontbeerde zijn liefde niet. Neen, Wagini wist niet beter of

Grootmoeder—„nénéh” zooals de inlander haar noemt—was de eenige

bloedverwant, die zij bezat.

Dat oude gerimpelde gezicht, die magere, bruine armen

vertegenwoordigden voor ’t kind àl wat zij aan ouderliefde en ouderzorg

behoefde. Van nénéh kreeg zij eten en drinken met menig snoeperijtje

bovendien; tot nénéh vluchtte zij bij denkbeeldige gevaren, nénéh

knorde en strafte, maar liefkoosde haar toch nog meer.

Van een lief, mollig kindje werd zij al gauw een bijdehand, klein ding,

wijs boven haar jaren, met een fijn gevormd, rank figuurtje en mooi

gezichtje. Heur zwart haar sprong en krulde om ’t effen voorhoofd, in

’t aardig nekje en beschaduwde de groote ernstige oogen, waaraan de

lange wimpers iets zwaarmoedigs gaven. Grootmoeder bedierf het mooie

kindje en schikte haar op wat zij kon. De fraaie zilveren bandjes om

hare polsjes, het halskettinkje van blauwe kralen, waar ze zoo grootsch

op was, het vergulde sieraad in de kleine kondeh, alles kwam van nénéh.

Maar, ze deed dan ook flink haar best, zesjarige dreumes die ze was, en

hielp reeds, met parmantige wijsheid aan allerlei in het huishouden.

Met een oud-vrouwtjesachtige bedrijvigheid liep ze af en aan, sjouwde

met de waterkruik, die zij verderop aan de rivier vulde, waschte de

rijst, zocht brandhout bijeen en spoelde het vaatwerk af.

Ze moest nu ook spoedig leeren batikken, had grootmoeder gezegd, doch

dit vooruitzicht leek Wagini verre van pleizierig. Zij hield niet van

stil zitten; met de vriendinnetjes spelen, hard loopen en springen, dat

was haar grootste lust. Als de anderen huisjes van karang [1] bouwden,

dan keek ze ongeduldig toe. Het was wel aardig om naderhand het lichtje

te zien blinken tusschen de openingen der karang muurtjes, maar het

loonde toch de moeite niet, zooveel tijd aan het opbouwen te besteden.

Van het onderwijs op de godsdienstschool, waar zij een uurtje per dag

heen ging, profiteerde Wagini niet bijster veel. Met groote moeite

leerde zij de arabische letterteekens van elkaar onderscheiden, de

kunst van lezen en schrijven werd zij nooit machtig. ’t Kon niet

anders, niemand lette er op of zij ál of niet naar school ging en

Wagini had dikwijls weken achtereen allerlei werk, dat haar veel

nuttiger en noodiger toescheen dan schoolbezoek. In een strandkampong

geboren, was zij bevoorrecht kind boven velen; aan het strand spelen

was zoo prettig. Het schoon der zee trok maar zelden haar aandacht, zij

lette er niet op of deze, in feesttooi gehuld, het heerlijk blauwe

kleed met goud en diamanten overdekt, hare golven zacht tegen het

strand stuwde, of wel diezelfde golven, met boos gebrul, hoog tegen den

oever opjoeg, zoo gulzig naar het land happend, als wilde zij het

verslinden. Wanneer het water zoo heel woest te keer ging, was zij

alleen wel eens bang, dat het de kampong zou binnenstormen en in

razende vaart alles meesleepen. Doch, daar Wagini dit nooit zag

gebeuren, verdween deze angst met de jaren en leerde zij den oceaan als

een kameraad beschouwen, die haar en den haren het noodige gaf om te

leven. Als dreumes van vijf, zes jaar, trok zij al voordeel van de zee

op hare wijze. De kleine sarong hoog opgeschort, liep zij het water in

om vischjes en garnalen te vangen, en verdiende daarmede menig

snoepduitje. Dikwijls stond Wagini aan het strand met een vuil handje

boven de oogen, zooals zij het de zeelui in hare omgeving zag doen. Dan

keek ze uit of de visschersprauwen in aantocht waren. Werden zij

spoedig verwacht, dan was het kleine ding in haar element. Naast

grootmoeder zat zij al lang van te voren aan het strand, gretig starend

naar de blanke zeilen, die achtereenvolgens aan den horizon opdoemden.

En, wierp de vloot haar zilveren zeebuit op het land, welk een genot om

de groote visschen te bewonderen, ze te helpen voortsleepen naar de

kampong, de mannen achterna te loopen, die de volle manden wegdroegen,

er bij te zitten als de voorraad verdeeld werd onder de koopers, bij

het eentonig tellen der vrouwen.

Vader had jaren geleden ook op een groote prauw gevaren, vertelde

grootmoeder.

„Net zoo een als van Roestiman?” vroeg Wagini.

„Nog veel grooter,” verzekerde nénéh, „zij was bemand met wel twintig

koppen en zoo mooi versierd met schelletjes, stukjes blik en

spiegeltjes, die helder in de zon fonkelden, tusschen het tuigwerk.”

Vader had altijd een goede verdienste gehad met de visscherij, maar hij

was ongedurig van aard, hij kon nooit lang bij hetzelfde werk blijven.

„Waar is die schuit nu?” vroeg Wagini, die meer belang stelde in de

prauw dan in vaders wedervaren.

„Gestrand, kind, daar ver weg bij poeloe padjang; een tegenwind dreef

haar op de karang, waar zij verging.” En de oude vrouw strekte den

dorren wijsvinger uit naar een witte plek in de verte, waar de golven

in heftige branding gistten en woelden tusschen de koraalriffen, die

mijlen ver in zee het vaarwater onveilig maakten.

Grootmoeder werd oud en sukkelend, de arbeid viel haar zwaar. Wagini

deed bijna al het werk in huis en hielp nénéh bovendien bij die

bezigheden, waar wel is waar weinig verdiensten op zat, als garen

spinnen, matten vlechten, batikken enz., doch die de nijvere, oude

handen bezighielden. Het jonge meisje droeg de zware vischmanden,

grootmoeder de lichte vracht als zij passarwaarts gingen.

’t Kostte het oudje veel inspanning ver te loopen, doch zij liet haar

kleindochter niet graag alleen gaan; Wagini telde bijna veertien jaar

en was het mooiste meisje uit de kampong.

„Kind,” sprak nénéh op zekeren dag, „ik zal niet lang meer leven, je

moet maar spoedig trouwen, dan kan je man voor je zorgen en grootmoeder

het hoofd rustig neerleggen.”

Vrouwenleven in de Dessa · 第 6 / 20 题