Een stevige klop aan de deur doet de jonge advokaat opschrikken uit
zijn mijmering. Hij strijkt haastig met de eene hand door zijn haar,
verschikt zijn dasje.
«Binnen!» roept hij.
«Stoor ik?» zegt een forsche zware stem. «Ik ben maar zoo boven
gekomen... Zoo, zit je hier nog te schemeren?»
Frans staat verward op en stamelt verlegen:
«Och ja.» Hij kan nauwelijks zijn woorden vinden, nu hij Duitsch moet
spreken. «Dat is niets, hoor... Je bent alleen wat vroeg voor onze
vergadering... Komt je vrouw niet? Maar ga zitten.»
«Zeker, stellig... ik ga weer weg: ik kom alleen ’s kijken. Ik kom zoo
regelrecht van een patiënt. Ik dacht: ik zal onderweg even aanloopen.
Ik moest toch langs je huis, en ik wou weten, of onze vergadering nog
doorging.»
«Doorging? Waarom niet? Je hadt toch kennis gekregen?»
«Jawel, maar...»
Frans heeft intusschen de lamp aangestoken, en in haar licht neemt de
stoere bezoeker—een veertiger, met een mooie volle goudblonde baard,
echt type van de krachtige openhartige Germaan—de jonge man nauwkeurig
op.
«Je bent niet normaal, kerel», vervolgt hij. «Dat merkte ik eergisteren
al, toen ik je tegenkwam in ’t park.»
Kwazie vroolijk antwoordt de ander:
«Och jullie doktoren!... Ik slaap wat slecht, dat’s alles.»
De ander schudt het hoofd. Zijn sympathieke trouwe oogen kijken
meewarig en ernstig.
«Mijn beste Jensen, dat is een kwaad teeken», hervat hij.
Frans antwoordt niet dadelijk, maar draait verlegen aan zijn snor.
«Och», zegt hij eindelijk, met schouderschok en afgewende oogen. «Wat
kan ik eraan doen?»
«Alles, als je maar wilt.»
En de stoere Dr. Kegel legt zijn groote hand op Frans’ schouder: «Kom,
kerel», zegt hij gemoedelijk. «Jij trekt je de wereldsche zaken veel te
veel aan. Ik zag ’t immers zooeven weer.»
«Wat keek je moedeloos! Mag ik ronduit spreken?»
«Ga je gang» klinkt het somber terug.
Dr Kegel werpt een vluchtige blik naar de deur, die naar binnen leidt.
«Je vrouw is zich misschien gaan kleeden?»
Frans knikt.
«Nu dan, je stoort je te veel aan de menschen, mijn waarde heer. Je
maakt je ellendig over nietigheden. Ik zeg: fais ce que dois advienne
que pourra.»
De brave medicus had in zijn jonge jaren de Fransche veldtocht
meegemaakt, en haalde graag zijn kennis van Fransche spreekwijzen voor
den dag, vooral in ’t bijzijn van menschen, die evenals deze vriend, er
verstand van konden hebben. Maar ’t was of hij besefte, dat zijn
uitspraak het goed verstaan min of meer in de weg zat; want hij gaf er
de vertaling in zijn moederspraak steeds bij:
«Doe je plicht en laat de menschen leuteren! Je hebt immers niets op je
geweten.»
«Ik zou meenen van niet...» antwoordt de jonge man nog steeds somber.
«Welnou!»
«Och, Kerel, je weet lang niet alles.»
«’t Is natuurlijk weer de oude historie: je huwelijk. Maar dacht je
nou, dat de menschen hier... och, verbeelding, verbeelding, zeg ik je.»
Frans staat driftig op.
«Nu ik zeg je dat het geen verbeelding is, om de donder geen
verbeelding!»
«Hoû je maar kalm, hoû je maar kalm. Vertel me nu ’s geregeld. We
hebben nog de tijd. Lucht je hart ’s»
De bezadigde gemoedelijke toon van de dokter doet Frans wonder
kalmeerend aan. Hij zet zich weer neer, en, op gedempte toon sprekend,
en telkens afbrekend, antwoordt hij: «Laat Marta ons niet hooren: ze is
daar in haar kamer. ’t Is zoo’n lamme geschiedenis—’t Hindert me al zoo
lang—al heel, heel lang.—Ons geluk wordt erdoor bedreigd—En ik heb
Marta nog niet van alles op de hoogte gesteld—Arme lieveling!—Ze is zoo
weinig kwaaddenkend: ze houdt iedereen voor even waarheidlievend en
recht-door-zee als ze zelf is!»
Dr. Kegel knikt goedig, geheel aandacht.
«Je weet, sinds mijn promotie—nu voor anderhalf jaar—heb ik telkens
getracht, mijn weg te banen in de journalistiek. Maar wat ’n
resultaat!»
«Ik heb toch wel wat van je gelezen! Wat goeds...»
«Nou ja, een enkel artikel... Dat hebben ze genomen, omdat het goed
was,.. wat dondersteen. Maar wat zou dat nóg? Aan een redactie woûen ze
me niet hebben. Bij ons ééne liberale blad hier was ’t eerst gelukt. Ik
was al aangenomen, maar ik had het voor Marta geheim gehouden... Jawel,
hoor! toen ik me kwam aanmelden—bezwaren. Op mijn aandringen kwam
eindelijk de aap uit de mouw: mijn huiselijke verhouding—wie daar
gestookt had, is mij een raadsel...»
Frans kijkt na zijn verhaal zwijgend vóor zich, en trommelt kwazie
onverschillig op de tafel.
«Wel, kerel, daar heb je me nooit iets van verteld.»
«Och!» En de jonge advokaat heft beide handen op, met een bitter
lachje, hij heeft wel meer en ergers voor zich gehouden, voor Marta
zelfs...
«En wat zei de vent ook wel... die hoofdredacteur?»
«Zijn heele toon was anders dan te voren. Dat noemt zich «freisinnig».
De zinnen van die kerel zijn al even vrij als zijn kop in zijn hooge
boord!»
«Hò, hò, hò!» klinkt het hol en goedig deelnemend uit Kuno Kegel’s
stoere borstkas.
«Hij wees me onuitstaanbaar kalm en deftig op een artikeltje in een
ander blad, waarin onze vereeniging besproken werd: allerlei hatelijke
toespelingen.—Op de oprichters,—op Marta en mij, dat vat je... Ik had
de knul wel kunnen vermorzelen...»
Frans kon weer niet stoelvast blijven. Met gebalde vuisten stapt hij
driftig op en neer.
«Joa, joa», bromt de ander met volkomen instemming.
«En zoo gaat het telkens.—Met allerlei dingen. Allerlei
kleinigheden—Menschen willen me niet meer kennen...»
«Nee, maar dat is toch stellig verbeelding, ik moet je eerlijk zeggen,
dat ik daar nog nooit wat van gemerkt heb.»
«Jij niet... nou ja! Wat zou jij daarvan zien! Ze weten wel dat je een
vriend van me bent. ’t Is zoo, ik verbeeld me niets, geloof me. Ze
doen, alsof ze me niet zien, wanneer ik ze tegenkom.»
«Och kom.. wie bij voorbeeld?»
«De vrouw van Förster onlangs.»
Dr. Kegels rechterhand, evenals zijn linker op zijn schoot rustend,
wipt even op en geeft een tikje met de volle breedte op zijn dij, en
een achterwaartsche ruk van zijn hoofd maakt een deel van zijn
stierenhals zichtbaar onder de boord.
«Ja, ik mocht haar zoo graag. En Marta ook. Ze komt niet meer sinds een
paar maanden. Marta gelooft, dat ze ’t druk heeft, ff..»
«Ongelooflijk», mompelt de medicus. «Ongehoord.»
«Ja», hervat Frans zuchtend en even stilstaand om een lange liniaal van
zijn schrijftafel op te nemen, waarmee hij zijn woorden onderstreepen
kan: zoo leidt hij meteen wat van zijn heftigheid en drift af. «En dat
is nu een verlichte hoogbeschaafde vrouw.... Doet aan vrouwenbeweging.
God beter ’t! Bij haar ook al pure beweging, anders niet!—Van mijn
vrienden in Amsterdam hoor ik ook niets meer.... Dat alles zou nog zoo
erg niet wezen—als ik wist, dat ons geluk—’t mijne en dat van Marta er
niet door bedreigd werd.»
Hij zwijgt enkele oogenblikken, staat stil en strijkt eens met de
linkerhand door zijn haar en langs zijn eene wang. Dan hervat hij op
dezelfde doffe neerslachtige toon, en alsof hij hardop denkt:
«Geluk zonder stoffelijke welvaart.... is dat op den duur wel mogelijk?
En dan ’t besef, dat ik bijna heelemaal afhankelijk ben van ’t beetje
inkomen, dat Marta van haar praktijk en van haar zelve heeft! Ik
verdien zoo weinig....»
Beiden zwijgen nu, de bezoeker omdat hij kalm den ander wil laten
uitspreken, hem wil waarnemen ook in de uiting van zijn leed, Frans
omdat de bekentenis van zijn onmacht en afhankelijkheid hem neerdrukt.
Doch met een ruk van zijn hoofd opwaarts, als een zwemmer die een golf
over zich heen laat gaan, en een schokzwaaitje met zijn liniaal
onttrekt de jonge man zich plotseling aan zijn staat van gedruktheid.
«Maar wat ’n onzin, dat ik me zoo laat ontmoedigen, vin’ je niet? Ze
moesten het eens zien, mijn vijanden in ’t lieve vaderland en hier mijn
preutsche beoordeelaars: wat zouden ze in hun vuistje lachen!» En op
temerige toon vervolgt Frans: «Zie je, Gods zegen kan niet rusten op
zulk een verbintenis. Nu, ik zal hun toonen, dat een andere zegen niet
uitblijft—die van mijn arbeid—van mijn wil tot het goede.»
«Dat mag ik hooren!» valt Dr. Kegel in. «Je hebt immers een heldere
kop—een pracht stel hersens. Ja, ja, dat meen ik—En je hebt een hart
als goud—fijn gevoel. En een lieve beste vrouw—niet te vergeten,
Jensen!—een vrouw, die je begrijpt en die je waardeert. We hebben van
die heldere koppen en zulke rijke gemoederen noodig voor de
maatschappij, beste kerel. Om voor ’t gros te denken en te voelen. Je
droom om deze oude maatschappij ’s wat te helpen verjongen door je
geschrijf.... je artikelen.... enfin je woord, je denkbeelden, kan nog
eenmaal werkelijkheid worden. Geloof daar toch in, beste kerel.»
Dr. Kegel’s gezicht straalt van kameraadschappelijke hartelijkheid, en
van voldoening over zijn toespraakje.
«Och, daar geloof ik ook wel in», antwoordt de jonge advokaat,
onwillekeurig glimlachend om de welsprekendheid van zijn vriend. Dan
hervat hij zijn onrustig gedraai om en bij hem, heftig gesticuleerend
onder ’t spreken:
«Studies over de toestand van de vrouw—’t huwelijk, de liefde—eeuwig
belangwekkende vraagstukken voor ’t menschdom, niet?—ik zal ze de
wereld inslingeren als bliksemstralen, die de duffe bedompte atmosfeer
zullen reinigen. Strijd tegen domheid en bijgeloof! En ’t veroverde zal
ook ons ten goede komen. Ik zàl niet ondergaan in die strijd: ik zal
zegevieren trots alles. Trots de God der dommen, die in fatsoen en
bekrompenheid wil gediend worden! Tegenover hem stel ik de God, die in
mij leeft, de God der Martelaren van de gedachte, van het Genie: de God
die de denkers voorlicht en de kunstenaars bezielt.—Dezelfde die
glansde in de stralenkrans om Christus’ hoofd. Christus! O wat is er ’n
onrecht in zijn naam gepleegd! Wat ’n miskenning van ’t goddelijke in
hem door hem te vereeren als een onbegrepen bombastische tooneelgod.
Door hem uit te dossen in een goddelijkheid van klatergoud! Verlossing
door de Liefde: hoe eenvoudig, en toch hoe zot verduisterd en
vermoeilijkt door onze theologen!
«Onze Farizeeërs en schriftgeleerden... O wat zouden ze hem honen,
omdat hij niet «christelijk» zou handelen, als hij weer’s op aarde
kwam, Christus zelf! Omdat hij niet rechtzinnig zou wezen, niet
fatsoenlijk...» En, op-eens een andere toon aannemend, vervolgt Frans
met een zucht: «Kom, ’t zal tijd worden voor onze vergadering.» Meteen
raadpleegt hij zijn horloge, gaat naar de deur, die naar de kamer
ernaast leidt, en roept daar zacht: «Marta, ben je haast klaar?»
«Ja, ja, ik kom, hoor», klinkt het van de andere kant der deur terug.
«Ik ben benieuwd wat het geven zal, straks als die brieven overgelegd
worden... Marta is zoo gerust.»
Dr. Kegel, die hem stil heeft laten begaan, staat nu van zijn stoel op.
«Zeg, Jensen», zegt hij ernstig. «Je bent veel te opgewonden. Ik ga
mijn vrouw zeggen, dat er geen vergadering is vanavond. Jij komt straks
met jouw vrouw bij ons, hoor. We zullen je wel opkalefateren. C’est
confenu, eh? Afgesproken?»
Maar Frans wil er niet van hooren.
«Geen kwestie van. Ik ben kalm. Blijf jij nu maar hier. Je vrouw komt
wel alleen: ’t is immers vlak bij. Heusch, mijn waarde, ik kan daar
niet meer af: je zult straks wel merken waarom.»
«Nu, in vredesnaam dan... Maar ik ga toch maar even Dora halen. Tot
straks.»
De deur sluit zich achter hem; doch een oogenblik later verschijnt ’s
dokters mooie Germanen-kop weer:
«Vertel maar niks aan je vrouw, zeg Jensen.»
De ander schudt het hoofd, met een uitdrukking op zijn gezicht, als
wilde hij zeggen: «Wat zou dat nòg?» Dan gaat hij naar een hangkast, en
verwisselt haastig zijn huisjasje tegen een oude «gekleede.»