Drie jaar later. De schemering begint te vallen op een avond in ’t
laatst van September. Door de openstaande glazen deuren en de beide
zijramen eveneens wijd-open, van het ruime, gezellige vertrek—de
gemeenschappelijke studeerkamer van Frans en Marta—stroomt met het late
licht een heerlijke avondkoelte.
Van de plaats, waar Frans met over de borst gekruiste armen geleund
staat tegen een der deurposten, op ’t bordesje, dat naar de tuin leidt,
heeft hij een prachtig uitzicht: achter de haag, achter de groene
weelde vóor hem, rijst het terrein glooiend tot zoover het oog reikt,
en overal zijn ’t rijke wijngaarden—bruine aarde en donkere
loofmassa’s, waartusschen de zwarte trossen gluren; in regelmatige
gelederen rijen zich de stokken met hun bladerdek, als een leger van
fantastische monnikken in donkergroene pijen optrekkend in onafzienbare
stoet. Links is de gezichteinder beperkt door de eerste huizenrijen der
stad—eerst enkele villatjes met popperige tuintjes en veranda’s en
balkons, daar in de verte blinkend en glanzend in het avondlicht als
nieuw Neurenbergsch speelgoed. En vlak daarvoor korenvelden, waar de
grond nu hel geel lijkt, doorstippeld met het oker der stoppels.
Het is vredig rondom. Alleen het verre geratel van een enkele boerekar,
of het gepuf van een voorbijsnellend treintje ginds bij de stad, waar
een deel van de lijn flauw zichtbaar is in haar kromming, en een
voetstap op het mulle zand vóor langs het huis, verder niets dan rust
en verademing alom.
Maar ’t zelfde tooneel van landelijke schoon, dat Frans op diezelfde
plek zoo vaak geboeid heeft, heeft thans niet de minste bekoring voor
hem.
Hij kijkt zonder te zien, en de rust en vredigheid van buiten dringen
niet in zijn gemoed door.
’t Is zelfs, of hem die kalmte in de natuur na een wijle hindert; want
hij verlaat zijn rustige houding, en begint met gebogen hoofd en de
handen op de rug op het bordesje heen en weer te stappen. Nauwelijks
heeft hij zoo driemaal de breedte der kamer gemeten, of Marta’s stem
klinkt van binnen.
«Hè, Frans, wat loop je daar vervelend te ijsberen: je beneemt me mijn
licht ook nog telkens... Zeg, heb je wat, heb je iets waarover je
pikert?»
«Ik, och niks... Maar, wat voer je uit?»
Hij stapt naar binnen en kijkt over haar schouder «Brieven schrijven?
O, ik zie ’t al: huishoudboekje. Zoo, zoo, klopt alles? Hm.»
Ze kijkt hem lachend aan, met een spottrekje op haar lippen.
«Je bent toch een bovenste beste huisvrouw. Wie had dat ooit gedacht?
Nou ja, hou je nou maar stil: ik bedoel het goed. En dan zoo altijd
dezelfde! Altijd diezelfde kalme bedaarde opgewektheid...» Hij kust
haar en buigt daartoe haar hoofd achterover, terwijl hij achter haar
staat. Ze blijft een poosje in deze houding hem aankijken, zonder iets
te zeggen.
«Waarom?»
«Ik wou’s goed zien, hoe je gezicht stond.»
«Zoo.»
Marta draait zich om op haar lessenaar-stoeltje en, terwijl ze haar
beide armen om Frans’ middel slaat, zet ze haar fysionomisch onderzoek
voort.
«Je voelt je niet gelukkig, Frans», zegt ze opeens.
«Och, je zeurt.»
«Waarom frons je dan je wenkbrauwen?»
«Je doet ook zulke vreemde vragen!»
«Ik vraag niet eens: ik maak een diagnose op. De uitdrukking van je
oogen bevalt me niet.»
«En? Wat constateer je?»
«Gemoeds-aberratie en geheugen-verzwakking.»
«Zeg maar gerust: gekrenkte geestvermogens! Jullie artsen is ’t toch om
een vaagheid te doen.»
«Nee, nee, in alle ernst.» Opstaande grijpt de jonge vrouw naar een
wand-kalender, waarop een paar groote zwarte cijfers staan, en houdt
hem die onder de neus. «Daar, kijk!»
«Nou, wat zou dat? De 28ste, dat wist ik!»
«En een week geleden, verleden Donderdag?»
«De 21ste.»
«Precies: onze trouwdag, Frans.»
«O ja, dat’s waar...»
«Je was ’t maar mooi vergeten.»
«Och, je went zoo aan geluk... dat je de tijd niet meer gaat afmeten.
Maar jij dan?»
«Ik heb er wel degelijk aan gedacht. Maar, toen ik merkte dat ’t je
ontging, wou ik er maar liever niet over spreken... ’t Was wel ànders
verleden jaar, Frans, en twee jaar geleden... toen was ’t je eerste
woord bij je morgenkus...»
«Och, hecht je daar zóo aan?»
«Zeker, Frans: waarom zouden wij onze trouwdag niet herdenken, evenals
alle getrouwde menschen, als ze gelukkig zijn? Alle «fatsoenlijk»
getrouwde menschen...»
Frans antwoordt niet. Zij kijkt hem scherp aan.
«Alweer die frons! Nee, Frans, je ziet er bezorgd uit. Al een heele
tijd merk ik dat. Je lijkt ouder dan vroeger: vijf jaar ouder dan...
voor kort nog.»
«Nou ja, ik draag nu een baard.»
«Die droeg je twee jaar geleden ook al. Nee, je voorhoofd, je oogen,
Frans... Kom.» En meteen neemt ze zijn eene arm. «Ga maar’s met me mee,
daar op de sofa. Laten we weer ’s op ons oude plekje zitten.»
Frans laat zich leiden, en ze zetten zich naast elkaar, hij in de hoek
bij ’t raam, zij meer naar binnen. Ze hebben zoo honderden malen naast
elkaar gezeten in ’t dommelig vooravond-uurtje, wanneer zooals nu de
kleine jongen naar bed was.
De jonge man grijpt haar hand en streelt die op afgetrokken wijze.
«Ik ben tevreden, Frans», hervat Marta na een kort zwijgen, «als ik
denk aan al wat we in deze drie jaar doorleefd hebben, heb ik reden tot
dankbaarheid. Ook aan jou.»
«Aan mij?»
«Ja zeker. Je hebt je woord gehouden tegenover mijn jongen. Wat heeft
dat kind zich aan je gehecht! Ik ben soms jaloersch, wil je dat wel
gelooven?»
Hij slaat zijn arm om Marta’s middel. Haar donkere kijkers zeggen hem
in hun opslag, dat hij dat al eerder had moeten doen.
«Och praat me daar nu maar niet over. Ik hoû van de jongen: anders zou
ik zeker niet zoo... aardig tegen hem zijn. Heelemaal geen verdienste
dus. C’est mon bon plaisir, voilà tout!»
«Weet je nog», valt de jonge vrouw weer in na enkele sekonden zwaar van
onbestemde gedachten, als warend tusschen hen beiden, «hoe we bijna ons
vertrek hierheen uitgesteld hadden om die ongelukkige akte van
eerbied?»
«Hm, ja, bijna... Jij woû met alle geweld je zin doorzetten.»
«En jij de jouwe.»
«Maar ik heb toegegeven.» Frans zucht.
«Een fraaie eerbied, die je met zoo’n akte van eerbied te kennen geeft!
Je dwingt iemand—je vader nota bene—en dan nog van eerbied te
spreken...»
«Een term, zooals zooveel in ’t recht. Een formaliteit... He nee, ’t
spijt me nu toch, dat we mijn vader toen niet op die manier...»
«Kom, Frans, laten we daarover nu niet weer beginnen. Je weet, hoe ik
daarover denk. En dacht. En je hebt me immers gelijk gegeven. Je weet
evengoed als ik, waarom ik daar niet in kon berusten.»
«Jawel, kieschheid tegenover mijn vader, ook tegenover moeder. En dan
jouw trots...»
«Fierheid wil je zeggen. Frans. Hoe kon ik nu ooit goed vinden, dat je
vader gedwongen werd, zijn toestemming te geven voor een huwelijk van
mij met zijn zoon: dat ik dus met dwang in zijn familie kwam? Dat zou
’t toch feitelijk wezen. En dan tegenover je ouders, je moeder vooral.
Die verdiende toch niet, dat haar zoon schande werd aangedaan...
schande in haar oogen tenminste.»
«Och, overdreven! Bovendien, is ’t nu zooveel beter?» Als onwillekeurig
heeft Frans zijn arm losgemaakt van Marta’s middel.
Met groote bezorgdheid kijkt zij hem aan: alweer die rimpels, die
sombere trek.
«Frans, begin je spijt te krijgen?» zegt ze. Een vage angst komt nu bij
haar boven. Toen ze kort te voren sprak van zijn geluk was die angst er
niet: ze schertste toen.
«Och Marta, je begrijpt me verkeerd. Spijt! Wat ’n onzin! Nee, ik
bedoel niet anders, dan dat je moeder onze tegenwoordige... manier van
samenleven als nòg grooter schande beschouwt.»
’t Laatste was er als met een ruk uitgestooten. De trek van
gemelijkheid en ergernis is er op Frans’ gezicht niet beter op
geworden. Hij staart nu recht vóor zich uit, als zàg hij ’t voorwerp
van zijn bezorgdheid daar tastbaar vóor zich liggen.
«Nu ja, goed, maar nu rekent ze mij tenminste niet tot de familie...»
Haar toon verraadt een zekere ongemakkelijkheid, die ze moeite doet te
onderdrukken. «En je vader... die beschouwt ons huwelijk als een
concubinaat, als een «liaison»... waar heel gauw... of ten minste te
eeniger tijd een einde aan moet komen.»
«Spreek me niet over mijn vader. Wat ik je bidden mag, Marta! Mijn
bloed kookt nog! Hè, als ik aan ons afscheid denk... Die arme moeder!»
Frans laat het hoofd zinken.
«Kom, Frans, wat doe je vreemd! Zooeven ook al, toen je zoo heen en
weer liep op ’t bordes... Wat is er toch?»
De ander staat driftig op.
«Och, er is iets... niets van belang... of tenminste... niets waarover
we hoeven te praten... ’t Geeft toch niets... geen mier...»
Met de handen in zijn broekzakken, eenigszins wijdbeens en ’t hoofd
omhoog gewipt met booze onderlip, stijfgesloten, als weerhoudend een
drang van wilde woorden en met bijna gesloten oogen staart de jonge man
naar buiten, door de open deuren
De kamer is bij gedeelten oranjerood verlicht: de westelijke hemel,
recht vóor ’t bordes, is nu éen gloed al gloed.
Waar Marta zit heerscht reeds een halfdonker. De volle baard van Frans
lijkt, waar hij staat, veel heller blond, nu ’t zonlicht erop schijnt.
Zijn mannelijk profiel komt scherp uit. Zij ziet iets nieuws aan hem,
iets ongewoons, en haar angst jaagt haar op. Ze legt haar hand op zijn
schouder.
«Zeg, Frans, wat is dát nou? Je hebt iets dat je hindert... dat je naar
maakt, en je zegt ’t mij niet: heb ik je vertrouwen dan verloren?»
Er is iets als een snik in de angstige vleiing van die welbekende lieve
stem. Hij vat haar hartstochtelijk om haar middel en trekt haar ranke
lichaam naar zich toe. En hij ziet, dat er een vochtglans blinkt in
haar vragende groote oogen.
«Mijn vertrouwen niet meer? Mijn liefste, liefste lieveling! Mijn
alles! ’t Is juist omdat ik je zoo liefheb, dat ik me soms zoo naar
maak om... om die kleinigheden...»
«Och, je bedoelt zeker dat geval met... onze jongen.»
«Dat ook. Je wil immers zeggen, toen hij huilend thuiskwam van school?»
Marta dacht aan een gebeurtenis, die een paar maanden geleden was
voorgevallen. Een paar kinderen van de bewaarschool hadden de kleine
Bram voor «hoerekind» uitgescholden. Frans had het zich nogal
aangetrokken, was naar de juffrouw, de directrice gegaan. De kinderen
waren gestraft. Zij had gedacht, dat hij de zaak veel te hoog opnam;
had zelf erom gelachen, en zijn ergernis niet de moeite waard gevonden.
’t Kind was op een andere bewaarschool gedaan.
Nu schrijnde de herinnering.
«Maar Frans, denk je daar nu nóg aan?» zegt ze luchtiger dan ze meent.
«Kinderen van vijf of zes jaar!» «Zooals de ouden zongen, zoo piepen de
jongen: zelf begrepen die kinderen immers niet wat ze zeiden.»
«’t Ging van de ouders uit, natuurlijk... Maar die kinderen wisten toch
heel goed, dat het een scheldwoord was. Och maar, was ’t dat alleen
maar.... Trouwens, we konden al die dingen verwachten, we wisten dat
ons leven een strijd zou wezen. Ik dacht, dat je je over die nietigheid
allang heengezet hadt. Evenals ik. Laat jij nu al de moed zinken? We
lijden om ons idee, Frans. ’t Is er immers niet minder mooi om.»
«Mooi, mooi... maar we hadden die narigheden kunnen vermijden.....»
Marta laat het hoofd zinken en antwoordt niet. Er is een bittere trek
op haar gezichtje gekomen, en ’t staat even in de harde plooi. Eén
sekonde ook maar, dan verzacht haar gansche wezen even plotseling.
Frans heeft de verandering niet kunnen waarnemen—hij staat half
afgewend en Marta zit in de doezelige schemering—maar hij hoort haar
stem de streelend-mollig-diepe toon aannemen: ’t alt-geluid van haar
innigheid, dat hij zoo liefheeft, dat hem steeds dezelfde warmte in ’t
gemoed wekt.
«Maar je zegt me niet alles. Frans. Is er weer wat nieuws.... een
nieuwe ervaring op dat gebied?»
«Als je ’t dan met alle geweld weten wil, ja.»
Mismoedig haalt hij zijn zakportefeuille voor den dag, zoekt met
gefronste wenkbrauwen en driftige vingerbewegingen, haalt er een brief
uit.
«Daar, lees. Ik had er jou anders liever buiten gehouden.»
Hij spreekt met een soort afgebeten onvriendelijkheid, ondanks de in
zijn gemoed gewekte troostbehoefte.
Marta let er niet op. Met de brief in de hand gaat ze naast haar vriend
staan, en leest gretig. En Frans ziet, hoe haar koonen onder ’t lezen
gaan gloeien en haar oogen versomberen.
«Hè, wat ’n kleinzieligheid!» roept ze «Wat ’n afschuwelijke
bekrompenheid!»
«Ja.....» En Frans haalt de schouders op.
«En laat je ’t er bij?»
«Wat wil je, dat ik doen zal? Ik kan die menschen toch niet gaan
bekeeren?»
De jonge vrouw kan haar oogen nog niet goed gelooven: ze kijkt het
schriftuur nog eens in. Dan blijft ze even in gedachten. «Maar, Frans,
zou je denken, dat het daarom was?» begint ze weer.
«Wel, natuurlijk. Waarom anders! Ik had zooveel gebouwd op die
medewerking! Onze jonge vereeniging was zoo mooi op touw gezet. Jouw
illuzie, van ouds al.... Weet je niet, dat je me vroeger in onze
vriendschapstijd, zoo dikwijls daarover gesproken hebt? Dat je toen zoo
vaak je ergernis geuit hebt over de slechte verloskundige hulp, die
vrouwen uit de werkmans-stand krijgen, en over de erbarmelijke
hygiënische toestanden in hun huishoudens?» Marta ziet hem met groote
aandachtsoogen aan en knikt even. «Ik was zoo trotsch op ons
geesteskind! Ik had er ’t mijne ook toe gedaan: dat goedkoop
rechtskundig advies aan de werklui, die als leden waren toegetreden.
Dat was ook zoo iets goeds.... En nu....»
«Nou ja, Frans, éen zoo’n donatrice, die zich terugtrekt....»
Zonder te antwoorden haalt Frans twee andere brieven uit de
portefeuille, die hij in de hand was blijven houden.
«Daar, nog twee donateurs deze keer. Als dat zoo voortgaat... sterft
onze vereeniging aan verval van krachten... En dat na... laat me’s
kijken... zeven maanden levens.»
Zenuwachtig woelt hij door zijn baard, nu en dan een blik slaande naar
de lezende naast hem.
«Ja, ik zie ’t», zegt deze, zonder ’t hoofd op te heffen. «Deze hier is
nog erger... En wat ’n brutaliteit, om zich zoo uit te drukken.
Eigentumliche Verhältnisse worin Sie leben... können ehrsamen
Arbeiterfamilien schwerlich zum Vorbild dienen. Dat is eenvoudig
idioot! En deze... jawel, kort en bondig, maar tusschen de regels
hetzelfde liedje. Och dat fatsoen, dat fatsoen! ’t Is een misselijke
komedie.»
Ze geeft de brieven terug, en zet zich moedeloos op een stoel. Frans
blijft zwijgen, en stapt, nu met de linkerhand aan zijn baard, in het
studeervertrek heen en weer.
«Wat wil je nu doen?» vraagt de ander, als hij weer vlak vóor haar is
gekomen.
«Niets. Berusten. Er is eenvoudig niet anders op.»
«Doe nog moeite bij anderen. Kom, je hebt nog vrienden genoeg.» Dan
zwijgen beiden. Pijnlijk hangt de stilte om hen. De avondschaduwen
vallen dichter en dichter, verdoezelend en vervagend wat in ’t vertrek
nog zichtbaar is. De wingerd, weelderig neerrankend van ’t
bordes-afdakje, lijkt nu zwarte kant tegen ’t karmozijn en vlammenrood
van ’t westen.
Marta zucht. Frans is op ’t bordes gaan staan, en leunt in zijn vorige
houding tegen een deurpost. Marta’s zwaar zuchten doet hem opkijken.
Hij ziet haar aan, trekt dan zijn wenkbrauwen hoog op, snuift met een
snikgeluidje, en zucht dan ook diep. ’t Fluiten van een voorbijgaande
trein—ginds bij de stad—snerpt fijn-fel door de stilte. Dan ’t
rommelend gerol der wagens als een verre zwakke donder, nog éen
langgerekte woest-brutale nagalm van de stoomfluit, en dan een dof
geruisch, dat plotseling ophoudt. En weer stilte.
«De trein van half zeven!» zegt Marta. «Zeg, hoe laat verwacht je die
lui hier?»
«De leden van ons bestuur, wil je zeggen? Goed, dat ik er aan denk...
Die kunnen straks hier zijn... over een half uurtje.» Meteen gaat de
jonge man naar zijn schrijftafel, en ordent er ’t een en ander. Marta
slaat hem van haar plaats gade.
«Ik vind ’t toch niet aardig van je, dat je me die brieven niet eerder
hebt laten zien,» hervat ze.
«Die eene was al bijna een maand oud... Waarom heb je dat gedaan?»
«Och, ik weet ’t niet... Je zou er toch van hooren. Vandaag.»
«Had je die brieven dan niet eerder moeten overleggen? Onze secretaris
en onze penningmeester.»
«Eigenlijk wel.» Frans blijft scharrelen in zijn papieren, met zijn
gedachten er half bij. «Och maar... kwade tijding komt immers altijd
bij tijds genoeg. En ze waren bovendien aan mij persoonlijk gericht. Ik
zal ze straks wel overleggen.»
«Ik ben wel benieuwd, wat ze er van zeggen zullen» gaat de ander na
eenige oogenblikken voort. «Ze zullen natuurlijk verontwaardigd zijn.»
Zonder om te zien, haalt Frans de schouders op.
«Ik wil ’t hopen» zegt hij. «Misschien wel...»
«Och, waar denk je aan? Ze kennen immers allen onze verhouding.»
«Ik heb er nooit over gesproken.» De papieren op de schrijftafel
schijnen in orde te wezen, en Frans heeft zich naar zijn vrouw gewend.
Zijn toon heeft iets troosteloos-onverschilligs. «Behalve tegen die
twee... Dr. Kegel en zijn vrouw», vervolgt hij.
«Maar, Frans! De menschen wèten ’t toch!... Hoe komen de ouders van die
kinderen er dan aan, je weet wel?»
«God mag ’t weten! Ik hang ’t de lui niet aan de neus. Of vind jij
soms, dat ik daar zooveel mogelijk bekendheid aan geven moet!»
«Kom, wees nu niet zoo knorrig... Dat bedoel ik natuurlijk niet. Maar
je kon toch...»
«Marta, neem me niet kwalijk: je zeurt daar al heel vreemd.»
’t Klinkt nog kregeliger dan te voren. Marta gaat naar hem toe, en zegt
op verdrietige, maar liefvleiende toon:
«Wees nu niet boos, Frans.» Doch ’t bruist en woelt te veel in zijn
gemoed, om vriendelijk terug te zijn. Een eigenaardige
tegenstrijdigheid in ’t menschelijk gevoelsleven maakt, dat hij,
innerlijk getroffen en geroerd door Marta’s neerslachtig, haast
smartelijk klinkende woorden, er toch een prikkel in vindt om nòg
knorriger te doen.
«Nee maar, hoe kun je nu toch zoo gek over die dingen denken?!»
antwoordt hij heftig. «Denk je dan, dat gewone getrouwde menschen met
hun trouw-akte op hun borst gespeld rondloopen! En dat zou nog
makkelijker gaan dan aan iedereen te gaan vertellen: «Zeg weet je wel,
hoe ik met mijn vrouw leef? In vrije liefde.» En, als verlegen met zijn
houding, kijkt de jonge man weer naar de papieren van zijn
schrijftafel, en verlegt een portefeuille.
«Je hebt gelijk» zegt ze. Dan kijkt ze rond in ’t vertrek, waar ’t nu
bijna donker is, en doet een paar schreden. Ze vindt een houten paardje
op de grond bij de deur. Ze raapt het op en zucht.
«Ik ga even naar de kleine vent zien... We hebben nog wat tijd, he?»
Frans kijkt zwijgend op zijn horloge, dan naar de klok op de
schoorsteen. Maar hij kan de wijzers niet goed meer onderscheiden van
de plaats waar hij staat, en hij knikt even met driftige knik.
Als Marta heengaat met een «Ik ga me meteen kleeden», volgt haar zijn
blik, als gedachteloos. Dan gaat hij zitten, en steunt het hoofd op
beide handen, leunend op het blad van zijn schrijftafel.