MXII.

De vraag wie over de welvarendheid der respectieve verstanden

beslissen zal, heeft meer schynbare waarde in hoedanigheid van

debatkunstje--ook als zoodanig trouwens sedert lang tot op den draad

versleten!--dan gewicht in 'n betoog waarin naar _Waarheid_ gestreeft.

Op 't verstand van hen die meenen blyk van verstand te geven door

voor-te wenden dat ze geen verstand hebben van gezond verstand,

wenscht geen verstandig mensch invloed uitteoefenen. Wie er vermaak in

schept zichzelf voor krankzinnig te houden, mag 't doen. We geven hem

volkomen gelyk. Maar ik spreek in dit stuk tot volwassenen wier geest

behoefte heeft aan 'n àndere soort van uitspanning. Van de zoo-danigen

verwacht ik dat ze zich ontdoen van den leiband waaraan sedert

eeuwen--misschien moest ik zeggen: sedert het bestaan van den

Mens--het denkvermogen der menigte is vastgehecht. Wie de zuiverheid

van den menselyken geest wantrouwt--er is reden toe!--wie ernstig

zoekt naar 'n kriterium van gezond verstand in 't algemeen, van z'n

eigen denkvermogen, in 't byzonder--best!--beginne met het gebruiken

en oefenen van dat denkvermogen, en voor alles afstand van 't

gevaarlyk gemak dat hy putte uit de aanbidding der ... weleens heel

òngezonde verstanden van anderen. Men behoort _uit eigen oogen te

zien_, en niet voetstoots aantenemen wat deze of gene vakman, al te

boud steunende op onze leeken-onkunde voor waar, goed, bruikbaar of

zelfs _heilig_ gelieft uitteventen. Zoudt ge alle onderzoek naar de

pryswaardigheid van 'n dozyn hemden overbodig achten, indien de

verkooper _Spécialité de chemises_ op z'n uithangbord geschreven had,

of pronkte met 'n koninklyk wapen?

«Maar, zullen hier sommigen zeggen, tot dat «zelf-oordeelen» is kennis

noodig!» Voorzeker. En hierover bedroeven wy ons niet. Juist het

tegendeel zou treurig wezen, daar 't _streven naar kennis_ onze

roeping is, en de onmisbare voorwaarde van 't benaderen der

volmaaktheid. Wat zou er van de Mensheid worden, indien gebrek aan

kennis tot geluk leidde, of zelfs indien niet de drang tot het _Weten_

en _Kennen_ ons bestaan verzekerde? (Vgl. IDEE 517.) Zeker, zeker, tot

het wel beoordeelen der waarde van vakmannen is kennis noodig!

Verwondert men zich over dezen eisch? Ik herinner me niet, ooit op

onkunde en onwetendheid te hebben aangedrongen, wat dan ook den

ontwikkelden lezer 't recht zou gegeven hebben geen acht op m'n

woorden te slaan. Doch juist hierom ook mag men 't nòch vreemd vinden

nòch euvel duiden, dat ik op 't vermeerderen onzer kennis aandring, en

vooral op den moed om die in toepassing te brengen by 't beoordeelen

der personen die ons als uitnemend-bekwaam in een of ander vak worden

voorgesteld of opgedrongen.

Een andere vraag is of niet de maat en de veelsoortigheid van kennis

die hier vereischt wordt, soms de kracht en de gaven van den leek

kunnen te-boven gaan? Dit is ongetwyfeld dikwyls het geval, wanneer

men telkens en zonder byzondere aanleiding z'n beoordeeling van de

waarde eener specialiteit tot elk onderdeel van z'n vak zou willen

uitstrekken. Maar 't bezwaar verliest z'n gewicht wanneer men de

ernstig-onderzoekende aandacht vestigt op het onderwerp _in 't

algemeen, en voor-zoo-ver tot bereiking van 't beoogd doel_--hier

bevordering van zedelyk en stoffelyk welzyn--noodig is. Wie dezen

grondregel met eerlyke omzichtigheid toepast, zal weldra weten waaraan

hy zich te houden heeft in 't beoordeelen ook van die zaken welke men

_te_ spoedig als «buiten ons bereik liggend» beschouwt. Zeer gelukkig

gaat ook hier alweer 't welbegrepen belang hand-aan-hand met zedelyk

en verstandelyk plichtsbesef. Het is ons niet _geoorloofd_ schade te

lyden door 't huldigen van kwakzalvery, en de mondigheid van oordeel

waarnaar we daarom streven, wordt verkregen door de eigenaardige

gymnastie van 't gemoed, waarin de _ware poëzie_ bestaat. Ik bedoel de

_poëzie der werkelykheid_ die zich oefent in 't samenvatten en

oordeelkundig behandelen van àl de gegevens die ze kan machtig worden.

De hiertoe noodige arbeid is ... niet meer of minder dan onze geheele

levensbestemming, hy is ons leven-zelf! Wie dezen eisch te zwaar

vindt, zou z'n eigen doodvonnis uitspreken. Dit geschiedt evenwel

zelden of nooit, want wat ik hier voorstel als wenschelyk, zien we

dagelyks meer of min--hoe gebrekkig dan ook, en veelal onbewust--in

practyk brengen. Vanwaar anders 't verschynsel dat millioenen leeken

zich veroorlooven RAFAEL en REMBRANDT voor uitstekende kunstenaars te

houden, BEETHOVEN en MOZART voor «muzikale geniën?» Waarom durven

duizenden verzekeren, dat de onfeilbaarheid van den Paus 'n zotterny

is? Anderen weer, dat de zaligheid slechts kan verkregen worden door

't geloof in Jezus Christus? Waarop grondt zich de meening dat de

Turksche finantiën slecht beheerd worden, en dat de staatkunde der

Engelschen ... dit of dat is? Is het te veel gevorderd als we eischen

dat zy die den moed hebben tot zùlke oordeelvellingen, en dus op 'n

niet geringen graad van kennis aanspraak maken, zich ook verstouten

achter de schermen te zien by tooneelvoorstellingen van meer

dagelykschen aard, en dat ze vryheid nemen om de geloofsbrieven te

onderzoeken, waarop specialiteiten van veel lageren rang dan de zoo

stoutmoedig beoordeelden zich beroepen? De vrees tot dit laatste niet

gerechtigd te zijn, moge zweemen naar bescheidenheid, ze komt in den

grond op traagheid en lafhartigheid neer, en zet 'n wyde deur open

voor bedrog. Er bestaan nog andere redenen om die vrees te

veroordeelen. Vakmannen die tegen 't oordeelkundige toetsen hunner

bevoegdheid protesteeren, zyn verdacht. Waarom zouden we schromen het

ongenoegen van dezulken optewekken? En zy die werkelyk op de hoogte

staan van de hun opgedragen betrekking of den roep die van hen

uitging, zullen dankbaar zyn aan den scherpzinnigen en eerlyken leek

die hen wist te onderscheiden van minder waardige kollegaas. Het komt

me bovendien voor dat de beoefenaars eener bepaalde afdeeling van

kennis, kunst of wetenschap, die den leek 't recht ontzeggen 'n

ongunstig oordeel over hun bekwaamheid uittespreken, tevens afstand

behoorden te doen van den lof uit den mond van anderen die ze voor

even onbevoegd moeten houden, en welken zy zich toch gewoonlyk nogal

gewillig laten aanleunen.

Moet ik hier byvoegen dat ik geen party trek voor onbekookte

oordeelvellingen, voor plompe boersche ongemotiveerde kritiek? Ik ben

zoo vry naar de regels in _Vorstenschool_ te verwyzen, waarin op

blyken van _rypheid_ wordt aangedrongen, op 't bewys dat de

beoordeelaar _gewerkt_ heeft, en naar zeer veel plaatsen in m'n

werken, waar arbeid wordt voorgesteld als graadmeter van moraliteit.

Bij 't ontleden van dezen eisch zal er blyken dat _goede trouw_ en

_welwillendheid_--dit woord in stipt letterlyken zin genomen, en niet

opgevat als _bonhomie_--zullen samengaan met de noodige _kunde_, Het

mede-ondergaan der lydensgeschiedenis van den voortbrenger[21] stelt

ons niet alleen in-staat het voortgebrachte met _zaakkennis_ te

beoordeelen, maar voert ons tevens op tot de zedelyke hoogte die 'n

kritikus behoort intenemen om z'n woorden ingang te verschaffen, en

zelfs om hem die woorden in den mond te leggen. Hy moet in-staat zyn

den beoordeelde te doen _gevoelen_ dat-i zich niet ophoudt ... met

«praatjes». Wie deze aan de pleitzaal ontleende uitdrukking niet fraai

vindt kan gelyk hebben. Hy mag ze vervangen door de stelling dat de

leek die specialiteiten beoordeelt, zorgen moet blyk te geven dat

hyzelf met eerlyke inspanning zich trachtte te maken tot 'n

_specialiteit in begrip_.

* * * * *

Nogeens terug naar de vraag of 't wèl beoordeelen van zekere

specialiteiten misschien de krachten van den oningewyde zou kunnen te

boven gaan? Oningewyd? In wat? In de eenvoudigste regels van 't gezond

verstand toch niet? Indien de specialist dit veronderstelt, is hyzelf

in de eerste plaats te beklagen, daar-i dan z'n gaven slechts ten-bate

van onwaardigen gebruiken kan, waaruit voortvloeien zou dat de hem

toegekende waarde in omgekeerde rede tot z'n verdiensten staat. Er

ware dan aanleiding tot iets als de volgende redeneering: «X, als

schilder, bijv. arbeidt voor 'n publiek dat geen verstand van de

schilderkunst heeft. Dat publiek vindt smaak in zyn werk, en vereert

hem als specialiteit in 't vervaardigen van schoone stukken. Daar na

de lof die X inoogst, hem wordt toegekend door onkundigen, heeft ze òf

geen waarde, òf ze bewyst dat X 'n slecht schilder is. «Zoo zonderling

mag en zal X niet redeneeren, en hy behoort alzoo afstand te doen van

't uitvluchtje dat leeken onbevoegd zyn tot het beoordeelen van zyn

werk. In dit byzonder geval zou zelfs de eisch van _gegrondheid_ in

die oordeelvellingen niet meer te-pas komen, daar de kunstenaar om

niet omtekomen van gebrek, volgens sommigen wel verplicht is z'n

arbeid naar den smaak van dit goed of verkeerd oordeelend publiek

interichten. In-hoe-ver dit waar, wenschelyk, geoorloofd of ...

_mogelyk_ is, laat ik nu daar. Het behoort niet tot m'n onderwerp.

Is de leek _omdat hy leek is_ onbevoegd om aanmerkingen te maken op

zaken die onder 't begrip vallen van elken welgeschapen mensengeest?

Ten wiens behoeve ontsteken dan professers en specialiteiten hun

licht? Moet men juist lantaarnopsteker zyn om 't recht te hebben over

duisternis te klagen? Is er 'n aanstelling tot kok noodig voor men

weigeren mag aangebrande of uitgekookte spys welsmakend en voedzaam te

vinden? Er zyn koks en lantaarnopstekers die deze leer wel zouden

willen gepredikt zien, maar juist omdat ik daarover anders denk,

schreef ik dit boekje. Kom, lezer, help me wieden! Waarlyk, de zaak is

niet zoo moeielyk als sommigen u willen wys maken. Ge zult toch niet

mogen erkennen dat myn aanmerkingen op de kunde in letters die op onze

scholen voor _Letterkunde_ wordt uitgegeven, uw bevatting te boven

gaan? Ge meent toch niet dat er 'n diploom als «Doctor» in die

«Letteren» noodig is om te walgen van romannetjes die geen andere

aanspraak kunnen maken op oorspronkelykheid, dan dat de schryver 't

Hollandsche «toen» in 't Duitsche «als» overzet, en de tyden van 'n

werkwoord op de ongerymdste wyze door elkaar haspelt?[22] Zou er diepe

studie in harmonieleer vereischt worden om optemerken dat er zooveel

dieven zyn onder de hedendaagsche toonzetters die hun onhandig-

saamgelapte reminiscentien van oude meesters brutaalweg uitgeven voor

eigen werk? Mag 'n man die geen militairen rok draagt--ik zeg: 'n _man_

--zich niet ergeren wanneer hy verneemt dat _honderdduizenden gewapende

mannen_ als weerlooze schapen zich overgaven aan den vyand? Moet men

juist 'n schoolkursus in «krygskunde» hebben meegemaakt om 't vreemd

te vinden dat MAURITS en SPINOLA zoo weinig smaak vonden in elkanders

omgang, blykbaar uit de hardnekkige nauwgezetheid waarmee ze de

hoofdeigenschap van evenwydige lynen poogden natebootsen?[23] Moeten we

wachten op 'n aanstelling tot Haagsch bureelkommies voor we ons mogen

verwonderen over 'n minister van finantien die niet weet wat de funktien

--en de belangen!--zyn van 'n administratiekantoor dat met de uitgifte

eener geldnegotie belast is?[24] Of over z'n kollega--finantiespecialeit

by-uitnemendheid!--die alarm blaast over _honderd-en-dertien_ zoek

geraakte _millioenen_, zonder in-staat te zyn z'n bewering te staven?[25]

Is 't alleen den jockey van 'n legatie-sekretaris geoorloofd,

verontwaardiging te voelen over de knutselarytjes van de Schouwalows,

Ignatiefs, Salisbury's, Disraeli's en verder volkje van die soort, dat

zich door de kranten «Staatslieden» noemen laat, in den grond evenwel

slechts 'n bende effektenschacheraars is, en als zoodanig nog _valsche

spelers_ op den koop toe, daar zyzelf beschikken over 't ryzen en dalen

van den koers? Mag alleen zoo'n jockey ingewyd zyn in de nietswaardigheid

van _compérage_-kongressen die, onder voorwendsel van twistbeslechting,

de melkkoe in 't leven houden welke men in 't politiek bargoens doopte

met den naam van «_oostersche kwestie_?» Moet men scheepsjongen,

teekenaar by 'n hydrograaf, of bewoner van Sumatra's Westkust wezen,

om de moessoens te kennen waardoor de noordelyke reeden van die kust

onveilig worden gemaakt in 't derde vierendeel des jaars? Om beter te

weten alzoo dan zy die 't weten _moesten_ en blyk gaven dat ze 't niet

wisten, dat men tot het uitzenden van oorlogs-expeditien in die

gewesten, gunstiger saizoen behoort te kiezen?[26] Is er 'n byzondere

opleiding tot kamerbewaarder of parlementslid noodig, om met minachting

op onze volksvertegenwoordiging neertezien? Wordt er paedagogiek vereischt

tot het besef dat een _Onderwyswet_ ... 'n _Wet_ is, en dus met Onderwys

_als zoodanig_ niets goeds kan hebben uittestaan? Of, lezer, wilt gy

eerst uw vrouw zien vermoorden door 'n _Specialiteit in Verloskunde_,

voor ge 't recht meent te hebben wraak te roepen over den accoucheur

die--behoorlyk voorzien natuurlyk van 'n diploom als _Doctor_ in de

_Obstetrie!_--de kraamvrouw die hy verlossen zou, by 't verwyderen der

_placenta ... totum eripuit uterum_? De ellendeling die dezen gruwel

bedreef--'t geschiedde eenige jaren geleden te Rotterdam--heeft zich uit

de voeten gemaakt, maar de fakulteit die hem diplomeerde, is nog altyd

daar om de Maatschappy van specialiteiten in _Verloskunde_ te voorzien.

* * * * *

Is 't met ons _Rechtswezen_ beter gesteld! Ik heb gezegd my te zullen

verantwoorden over de ruimte die dat treurig onderwerp hier inneemt.

Helaas, 't _moet_ wel! Zou 't ons niet vergund zijn, lezer, by mangel

aan speciale kennis van de «Rechten»--ongelukkigen die we

zyn!--aanmerking te maken op vonnissen waarin onhandigheid en onkunde

worden aangenomen als verontschuldiging van poging tot moord? Moet men

dan juist «Meester» in allerlei _soorten_ van «Recht» wezen, om zulk

_Onrecht_ bespottelyk en infaam te vinden? En de dwaasheden die in de

zaak van 't echtpaar JUT werden ter-markt gebracht[27] moeten ze voor

extrakt van wysheid worden gehouden door ieder die niet de eer heeft

«_jurist_» te zyn? Maar, eilieve, 't zijn immers juist _juristen_ van

wie al die zotterny uitging, en 't is waarlyk niet van hèn te

verwachten dat zy de afschuwelyke verbastering van rechtsbegrippen

waartoe hun speciaalstudie geleid heeft, zullen erkennen, gispen en

brandmerken, veel minder nog dat zy de hand zullen uitstrekken tot

genezing eener kwaal waarmee ze zyn opgegroeid, en die ze lief kregen

als bron van aanzien en welvaart. Het verzet _moet_ immers wel uitgaan

van den leek, van den opmerkzamen, niet tot scheefzien afgerichten

beschouwer die ongaarne gevaar loopt z'n dierste belangen overgeleverd

te zien aan de beslissing van mannen uit dezelfde school als waaruit

rechters voortkwamen die zulke vonnissen begingen, advokaten die zich

schuldig maakten aan zulke pleitery? Hoe kan 'n burger van den Staat

vertrouwen stellen in de toegezegde veiligheid van personen en

goederen, wanneer hy dagelyks 't oordeel over _Recht_ en _Onrecht_

ziet opdragen aan personen, wier rechtsgevoel tot in 't monsterachtige

werd verwrongen door zeer speciale studien in ongerymdheid? Welken

grond heeft de bewering der advokaten, dat ze verdedigers zijn van

«_weduwen en wezen_,» van «_verdrukte onschuld_» enz.,[28] wanneer

elke verdrukte weduw of wees, die in rechten wordt aangevallen, haar

bespringers dapper ziet bystaan door ... 'n advokaat? Welke slotsom

moeten we halen uit de opmerking dat we na sedert drie eeuwen

leerstoelen voor studie in de «Rechten» te hebben gehad, nog altyd

niet in 't bezit zyn van 'n oorspronkelyk-inheemsch, met den aard en

de behoeften des Volks overeenstemmend _Wetboek_? Dat het _uitleggen_

van de Wet--die helder als kristal wezen moest!--'n winstgevend beroep

is?[29] Wat hebben we van die uitlegging te verwachten, wanneer de

jongelui die als volleerde «juristen» aan de Maatschappy worden

afgeleverd, zich maar zeer zelden duidelyk en korrekt weten

uittedrukken? Taal en styl van onze rechtsmannen zyn gewoonlyk

ellendig, en ver beneden 't peil waarop 'n hulponderwyzer behoort te

staan om geen gek figuur te maken by z'n kollegaas of zelfs in de

school. Men meene toch niet dat dit byzaak is. Het kan niet te dikwyls

herhaald worden dat zuiverheid van uitdrukkingen--ook vooral omdat

daartoe veel arbeid vereischt wordt--'n kenmerk is van moraliteit. Wie

zich niet bekommert over de _juistheid van 'n woord_, geeft blyk van

onverschilligheid voor de _zuiverheid zyner denkbeelden_, en neemt het

dus niet zeer nauw in 't onderscheiden van goed en kwaad. In dit

opzicht vooral is 't poëtiek samenvatten van schynbaar ongelyksoortige

gegevens van toepassing, dat ik (blz.106, 107) (hoofdstuk MVIII, n. v.

tr.) als hulpmiddel tot ontwikkeling van ware zedelykheidsbegrippen

voorstelde. «_De taal is gansch het Volk_» is er gezegd. Wel zeker! De

geheele _Mens_ kan beoordeeld worden naar de moeite die hy zich geeft

om z'n woorden tot den zuiveren spiegel zyner gedachten te maken, en

deze opmerking dwingt ons tot medelyden met ieder over wiens wel of

wee door mannen van de _Wet_ moet beslist worden, tot deernis vooral

met «_Weduwen en Weezen_» die beklemd raakten onder de bescherming van

zekere advokaten. Rechtbanken, parket en pleitbezorgers ... komen, om

niet alleen te staan met m'n ongunstige meening over die specialiteiten,

wil ik ditmaal eens m'n opinie behandelen als 'n verdrukte weduw. Ik

stel haar onder bescherming van wetmannen, van ... alle advokaten die

ooit 'n proces verloren, van alle publieke-ministerien die zich door

pleiters en rechtbanken behandeld zagen als 'n overvragend marktwyf.

Hoe is 't oordeel van _die_ heeren over de rechtbank die maar niet tot

besef te brengen was van 't «Recht» dat zy verdedigden, van de

gegrondheid hunner «_Eischen_?» Welken indruk maakt het op den advokaat

die by A of B zweert--de man méént het, want hy zegt er uitdrukkelyk by

dat-i dezen keer eens geen «praatje» verkoopt--wat heeft hy te denken

van de Rechtenkennis--en de eerlykheid!--zyns tegenstanders die z'n

leven te-pand geeft--liever: z'n advokateneer: niemand moet meer wagen

dan-i zonder schade missen kan!--voor de gegrondheid zyner meening dat

de zaak in kwestie X, Y of Z heet? Ook die tegenstander houdt zich niet

met «praatjes» op--godbewaarme!--en van weerskanten is de goede trouw

van den _geachten confrère_ boven allen twijfel verheven. Ligt de schuld

dan aan den rechtsprofessor die--in oogenblikken van Romeinsche

distraktie, zeker--meer dan één «Recht» tegelyk gedoceerd heeft? Of

had misschien een der advokaten z'n studien gemaakt vóór, en de ander

nà de dagen toen de:

«doode kennis (?) van de uitspraken van het Romeinsche Recht vervangen

was door de herleving van de Romeinsche methode van rechtsvorming en

rechtsbeoefening, en toen het niet alleen de vraag werd wat recht is

geworden, maar inzonderheid hoe het recht ontstaan is?»

Volgens het stuk, waaraan deze aanhaling ontleend is, worden sedert

eenigen tyd--juicht, verdrukte weduwen!--de leerlingen in rechtskennis

niet meer gevormd:

«naar het model van oude elegante rechtsgeleerden, die er hun werk van

maakten om de rechtregels van hun tyd door geleerde aanhalingen, door

byzonderheden uit de Latynsche schryvers op te sieren, zonder over 't

wezen der zaak iets meer licht te verspreiden.»

Er schynen alzoo volgens den schryver van die regelen--in vroeger tyd

natuurlyk!--inderdaad rechtsgeleerden geweest te zyn die geen licht

verspreidden. Wel jammer dan van al de studien dien ze ten-koste

legden aan duisterheid. En niet heel aangenaam ook voor kliënten die

er weleens belang by hadden dat hun zaak tot helderheid werd gebracht,

en daarvoor betaalden. Gelukkig echter dat men van methode veranderd

is! Die heuchelyke ommekeer heeft plaats gehad ... niet by de

stichting van Rome, lezer. Ook niet by de oprichting der Leidsche

akademie, maar ... weinig jaren geleden eerst, en wel by de benoeming

van den heer GOUDSMIT tot hoogleeraar. We moeten dus aannemen dat de

duizenden juristen welke onder 'n vroeger gehuldigd stelsel werden

uitgebroeid, zich met «doode kennis» behielpen en hun verdrukte

weduwen in 't donker lieten zitten. Thans evenwel, na dien heuchelyken

ommekeer, onderzoekt men ... _wat Recht is_, meent ge? Eisch toch 't

onmogelyke niet, onbescheiden leek! Men zal voortaan onderzoeken «hoe

't Recht _geworden_ is»--wel verbazend!--«en hoe de Romeinen ... maar

genoeg daarvan.[30] We waren bezig met die twee advokaten wier

«studien» misschien dagteekenden van zóó onderscheiden tydperken dat

ze tweeerlei begrip opdeden van _Recht_ tweeerlei sleur van

rechtspraktyk. De een gebruikt «elegantie» met «doode kennis» terwyl

de ander volgens de nieuwe methode zich liever bezighoudt met ... met

... wie zal ons zeggen waarmee! Ik kan er waarachtig niet uit wys

worden! En dit behoeft ook niet, als we maar inzien dat die twee

heeren niet zeer veel méér eerbied dan _ik_ kunnen hebben voor

elkanders juridische rechtgeloovigheid en dus kostbare getuigen zyn

in m'n aanklacht tegen het «vak» dat zy _als specialiteiten_

vertegenwoordigen. De advokaat die 't zeldzaam voorrecht genoot

_ridderlykheid_ in JUT te ontdekken, moet woedend zyn over 't

lasterlyk vonnis waarin z'n held wordt uitgemaakt voor 'n

tuchthuisboef. En--nòg meer bondgenooten!--de rechters die KRISTIEN

niet beminnelyk genoeg keurden om de Maatschappy langer door haar

tegenwoordigheid te versieren, kunnen onmogelyk gunstig oordeelen over

de bekwaamheid--of de integriteit?--van den advokaat wiens advies

luidde dat men die dame met rust moest laten.

* * * * *

Voor heden goddank genoeg van de juristery, schoon 't onderwerp ver

van uitgeput is. M'n verantwoording over de onevenredig-groote plaats

die ik aan dat onderwerp inruimde, ligt in de uitgebreidheid en 't

gevaarlyke van de kwaal. Ik moest den lezer opwekken en den weg wyzen

tot het berekenen der gevolgen die ze na zich sleept. Hy houde daarby

vooral in 't oog dat de onzedelyke verwringing van rechtsgevoel die

door de hier behandelde specialiteiten _fachmässig_ beoefend wordt,

zich geenszins tot eigenlyk-gezegde rechtszaken bepaalt. De zieke

dringt ongehinderd, jazelfs onder bescherming van 'n gunstig

vooroordeel _tot schade van allen_, in Lands-en Stadsbestuur door.

Niet het minst, helaas, strekt ze ten-verderve van 't zoo

misdadig-verslonst INSULINDE! Door kooplieden, zeelui en krygsvolk

werd het gewonnen ... door advokatery zal 't voor Nederland verloren

gaan: de Van Twisten hebben eer van hun werk! Parasieten van die soort

nemen alle eereplaatsen in, matigen zich alles aan, voeren overal 't

hoogste woord, dringen zich overal op, maken zich van alles meester.

Het wemelt in alle vergaderingen en korporatien van juridische

beunhazen in _bitjara kossoeng_, die maar al te gemakkelyk met hun

«Romeinen» en hun «elegantie»--och arm!--toehoorders en _Volk_ in den

waan brengen dat zy iets degelyks te-koop veilen. Het algemeen belang,

altyd samengaande met _ware_ zedelykheid, eischt dat daaraan 'n eind

kome, of althans dat er perken worden gesteld aan 't dóór-kankeren

eener kwaal welker naam aldus geschreven wordt: specialiteit in 't

prostitueeren van _Waarheid Recht, en ... Volksbelang!_

Mochten wellicht sommige advokaten met dit hoofdstuk niet tevreden

zyn, ik smeek om een genadig vonnis. De heeren gelieven te bedenken

dat ik nooit in doode kennis studeerde, en dus wel beschouwd het

rechte verstand niet hebben kan van een vak dat sedert de benoeming

van den heer GOUDSMIT zoo loffelyk achteruitging in Romeinsche

elelantie.

Specialiteiten · 第 16 / 18 题