MXI.

Sommigen zullen meenen dat ik door in 't vorig hoofdstuk aan de

advokatery wyder plaats interuimen dan waarop die ziekte, inverband

met het belang van andere onderwerpen aanspraak heeft, in dezelfde

fout verviel als die we dagelyks in de geheele Maatschappy zien

begaan. Straks zal ik me over dat schynbaar gebrek aan evenredigheid

verantwoorden, doch eerst wil ik my eenige oogenblikken bezighouden

met de vraag--ik zeg niet: met de _beantwoording_ van de vraag--wie we

voor gerechtigd mogen houden tot het uitreiken van diploom als

_specialiteit_?

Bij nauwkeurig onderzoek zal er blyken dat het wantrouwen op de drie

kategorien die ik noemde op blz. 72 (hfdst. MVI, n. v.d. tr.) gegrond is.

Noch de spontane publieke opinie, noch 'n willekeurig afgesneden brokstuk

daarvan, noch 't rechtstreeksch gezag in Lands-of Stadsbestuur, leveren

den minsten waarborg dat zulke aanstellingen niet worden weggeschonken

aan brekebeenen. Door één hoofdfout worden in nagenoeg gelyke maat die

drie kategorien beheerscht. Door deze: dat gewoonlyk, òf rechtstreeks òf

langs 'n omweg, aan ònbevoegden 't oordeel over _bevoegdheid_ wordt

opgedragen of overgelaten.

De roem van 'n geneesheer, byv.--_spontane publieke opinie_--grondt

zich op de meening van allerlei mensen die _niet_ studeerden in

geneeskunde.

De leden van Stads-en Landsbestuur worden gekozen door 'n _willekeurig

deel van 't algemeen_, door personen alzoo, die noch door oefening noch

door ondervinding te weten kwamen wat er tot wèl-besturen van Stad of

Land vereischt wordt.

Officieele aanstellingen in verreweg de meeste vakken, gaan uit van

waardigheidsbekleeders--_de par le Roi_, alzoo--die in deze vakken

vreemdelingen zyn.

Hieruit vloeit de ongerymd voort dat zeer veel specialiteiten hun

prestige ontleenen aan 't zelfde beginsel dat alle specialismus voor

overbodig verklaart. Om tot het uitoefenen van zekere funktie te

worden toegelaten, moet men bekwaam verklaard zijn door personen die

òf géén diploom van bekwaamheid kunnen overleggen, òf zoodanig

dokument aannamen uit onbevoegde hand. En al ware dit laatste niet

rechtstreeks het geval, al bestond de keten waarmee tenslotte de

toepassing verbonden is aan 't punt van uitgang, uit eenige schakels

méér, byna altyd toch loopt zy uit op _onbevoegdheid_. Alweder dus

bevinden wy ons hier in de buurt der fiktien, der gemakshalve als waar

aangenomen stellingen die ten-allen-tyde zooveel kwaads stichtten. Dat

zulke punten van uitgang niet geheel kunnen worden gemist, levert geen

reden om 't onderzoek naar de stevigheid van den grond waarop men

voortbouwt, te verzuimen.

Het is nu eenmaal waar, dat we in de praktyk dikwyls genoodzaakt zijn

genoegen te nemen met 'n axioma dat in 't afgetrokkene voor den

wysgeer nog altyd _bewys_ noodig hebben zou. In de werkelykheid echter

moet men zich vaak--_altyd_ misschien--tevreden stellen met eenige

_kans_ op juistheid, en in zekeren zin ligt dat berusten evenzeer in

de roeping der wysbegeerte, daar zy wel degelyk verplicht is rekening

te houden met het feitelyk bestaande. Het verschil tusschen haar en de

_onnadenkende_ praktyk, ligt slechts hierin dat zy--vooral niet minder

_praktisch_ dan de «mannen van zaken» gebruik makende van 't bekende

en voor wáár aangenomene--voortdurend zich beyvert om door nauwkeurige

berekening de kans op waarheid zoo voordeelig mogelyk te maken. De

theoretikus weet even goed als de gewone werkman dat er by 't bewerken

van materialen iets verloren gaat aan uitdamping, aan spaanders, aan

afslag, aan zaagsnee, enz. Ook weet hy dat de kracht, die 'n machine

in beweging brengt, niet onverminderd wordt overgebracht op den last.

Juist het wèl achtslaan op 't verlies aan tarra en door wryving, maakt

'n voornaam deel van z'n _theorie_ uit. En dit geldt almede omtrent de

_bruikbaarheid_ en _opportuniteit_ der gevonden waarheden. Wie by 't

berekenen van den inhoud eens cirkels de evenredigheid zou uitdrukken

in 'n groot aantal decimalen, ook daar waar de rede 7:22 _voor 't

beoogd doel_ voldoende is, zou in zeer veel gevallen evenzeer zondigen

tegen wysgeerige waarheid als wanneer-i 'n _geheel verkeerde_

verhouding tot grondslag had aangenomen. Maar nog grover zou de

zoogenaamde _praktikus_ dwalen, die z'n benaderings-waarheid wilde

toepassen op berekeningen welke door zeer wyde strekking behoefte

hebben aan meer nauwkeurigheid dan voor dagelyksch gebruik noodig is.

Het zou er slecht uitzien met astronomie, indien afstand, inhoud en

loop van hemellichamen werden berekend naar den maatstaf die 'n kuiper

gebruikt om te weten hoe groot de bodem wezen moet van 'n vat, welks

veelhoekige omtrek door 'n gegeven aantal duigen van zekere breedte

bepaald wordt. Maar, zegt men, de kuiper is tot sterrekundige

waarnemingen niet geroepen. Dit is waar. Doch wèl is in de zaak die we

hier behandelen--_onderzoek naar bevoegdheid van specialiteiten_--elk

lid der Maatschappy geroepen tot beoordeeling van de stevigheid der

gegevens, waarop voor 'n groot deel het welzyn van die maatschappy

gegrondvest is. Ik wil deze stelling betoogen door 'n voorbeeld uit

het dagelyksch leven.

Wie getuige is van 'n beenbreuk, is verantwoord door 't inroepen van

de hulp eens heelmeesters, en wel van de eerste de beste persoon die

_volgens de wet_ gerechtigd is het vak van heelmeester uitteoefenen.

Op dàt oogenblik 'n onderzoek intestellen naar de wys waarop dat

diploom verkregen werd, zou zeker heel onpraktisch gehandeld zyn.

En ... onwysgeerig evenzeer, want wysbegeerte die de eischen der

_praktyk_ over 't hoofd ziet, is valsche, d.i. géén wysbegeerte. Maar

de zaak verandert van aanzien, wanneer men tusschen twee even naby

wonende heelmeesters 'n keus kan doen, of ook als men grond meent te

hebben om aan 'n eenigszins verder wonenden chirurg de voorkeur te

geven boven 'n kollega die nader in de buurt is. De _embarras de

choix_ wordt grooter--en alzoo de beslissing van meer gewicht voor 't

geweten--indien de omstandigheden toelaten een keus te doen tusschen

'n ruimer aantal geneeskundigen. Van nòg meer belang is de uitspraak,

zoodra er, zonder _periculum in mora_, moet beslist worden wie _in

voorkomend geval_, onverschillig _waar, by wien, of wanneer_,

gerechtigd is heelkundige hulp te verleenen? Een gebrekkige methode

toch in die wyze van _bevoegd-verklaring over 't algemeen_, werkt

_organisch_-verkeerd, en benadeelt dus _allen_, terwyl aan 'n

ongelukkige keus van geneesheer _in byzondere gevallen_, slechts de

zieken worden opgeofferd die den zoodanige in handen vallen. De

«Wetgever» die 'n verkeerd stelsel van bevoegd-verklaring invoert of

handhaaft, is verantwoordelyk voor al de nadeelige gevolgen van dat

stelsel. Het doet er niet toe, dat het woord «Wetgever» hier niet

altyd kan worden opgenomen in strikten zin. By 't in-stand houden van

veel onbeschreven vooroordeelen, treedt de Maatschappy-zelf als

wetgeefster op, zonder dat men juist bepaalde individuen voor 't

verkeerde verantwoordelijk stellen kan. «Men» is ... niemand. Maar

alle niemanden te zamen genomen oefenen een macht uit, die zeer

dikwyls de beschreven Wet in uitwerking teboven gaat. Volkswaan is 'n

monster dat in onrechtvaardigheid, wreedheid en zotterny geen grenzen

kent, zelfs niet de grenzen der mogelykheid, want ... ook 't _ongerymde_

is hem welkom.

Kan dit verschynsel voldoende worden opgehelderd uit het gebrek aan

verantwoordelykheid, waarop ik reeds gewezen heb? Neen. Tot die

meening zou men slechts mogen overhellen, als men kon aannemen dat

andere autoriteiten dan 'n onpersoonlyke volksopinie, wèl

verantwoordelyk waren voor hun vonnissen in zake: _bevoegdheid_. Maar

dit is 't geval niet. Een minister die de schuld draagt dat aan

onbekwamen 'n diploom wordt uitgereikt, 'n «Wetgever» die deze fout

tot stelselmatigen regel maakt, zy beiden zyn evenmin citabel voor 'n

rechtbank als «de man op 't kerkhof» en z'n legio kornuiten die zònder

ambtelyke roeping 't hunne bydroegen tot vervalsching van de publieke

opinie. Wanneer wy alzoo dieper in de zaak doordringen, blykt er dat

hier geen tegenstelling plaats heeft, maar 'n treffende overeenkomst,

en dat ook in deze zaak alweer gelyke oorzaken gelyke gevolgen hebben.

De officieele beoordeelaars van deugd, verdienste, bekwaamheid en

bevoegdheid begaan precies dezelfde fouten als die we dagelyks in de

ongereglementeerde volksmeening waarnemen. Waarom zou 't «gezag» dat

uit die meening voortsproot, z'n oorsprong verloochenen? Dezelfde

mensen immers, die aan kwakzalvers den voorrang toekennen boven

bekwame geneesheeren, zullen by stemming over de belangen van den

geneeskundigen dienst, blyk geven van gelyksoortige voorkeur, en

weldra zal men ontwaren dat de zotterny niet veranderd is van aard,

doch dat men slechts 't aantal instantien vermeerderd heeft, waarlangs

onzuivere indruk en valsch oordeel uitloopen op gebrekkige toepassing.

Zoo meent de onkundige dat-i de kracht eener machine verhoogt, of haar

werking verbetert, door toevoeging van onnut--en dus schadelyk!

--raderwerk.

Deze laatste vergelijking zou kunnen leiden tot de meening dat de

_niet_-gereglementeerde opinie des Volks--d.i. de gebrekkige

beweegkracht zonder omslachtige belemmering--toch altyd eenigszins

hooger staat dan die welke buiten en behalve de gelyksoortige fout in

den oorsprong, nog bovendien de bedoelde instantien doorloopen heeft.

Oppervlakkig gezien ware hier alzoo stof te vinden tot verheerlyking

van de _Vox Dei_, waarvan ik op blz. 102 (hfdst. MVIII, n. v.d. tr.)

niet veel goeds gezegd heb. Welnu, die spreekwys zou inderdaad

_eenigen_ bruikbaren zin hebben, indien er: 1. kans bestond den

volkswil zuiver te leeren kennen, en 2. als niet die wil verbasterd

was.

Wat het eerste punt betreft, moet men zich tevreden stellen met de

opinie van de _meerderheid_, en er zou _iets_ gewonnen zyn, indien

daaromtrent zekerheid te bekomen was. Ik zeg: _iets_, want véél was 't

niet. De waarde van x/2+a-(x/2-a) kan zeer gering wezen, en de heele

goddelykheid van den volksstem moest dan in die onnoozele _2a_ gezocht

worden, die by 'n oneven getal stemmen nog kunnen dalen tot de helft

van die waarde, zegge: tot één persoon. Herhaaldelyk wees ik op 't

fiktieve van deze methode. Maar ze is nog gebrekkiger dan uit _deze_

redeneering schynt voorttevloeien. Zeer dikwyls namelyk wordt de stem

van God tot iets als x/2-a - (x/2+a)en alzoo tot _negatieve_ waarde

teruggebracht, omdat het zuiver byeenbrengen van de stemmen 'n

onmogelykheid is. We hebben hier alzoo te doen met fiktie _in_ fiktie.

Eerst moeten we ons de gewaagde veronderstelling getroosten dat _vier_

mensen meer verstand hebben dan _drie_, om later in twyfel te geraken

of we ons _in_ die onjuiste schatting nog verteld hebben bovendien,

zoodat zelfs onze konklusie ook dàn zou te-kort schieten als we, 't

vechten eens _niet_ overslaande (IDEE 7) haar lieten afhangen van ruw

geweld. Ik stem toe dat zoodanige vergissing niet voorkomt in zeer

eenvoudige gevallen die zich oplossen in 'n opiniestryd over slechts

_twee_ mogelykheden. Maar in de zaken die we behandelen, is dit nooit

het geval. De volksmeening is altyd gesplitst in partyen, groepen en

onderverdeelingen, waarvan het aantal schakeeringen dat der individuen

vry naby komt. De _meerderheid_ waaraan we goddelyke eerbewyzen,

bestaat alzoo nooit uit de grootste helft van 't gegeven aantal

stemmers, maar God moet zich vergenoegen vereenzelvigd te worden met

de minst kleine van de breuken waarin dat getal verbrokkeld is, en dus

ook dan wanneer die breuk op verre na de som der overigen niet

bereikt. De zaak komt hier neer op de ongerymdheid dat 1/10 meer

gewicht op de schaal brengt dan allerlei breuken met hooger noemer,

die te zamen 9/10 bedragen. Wanneer _een-en-twintig_ personen 'n keus

te doen hebben tusschen _twintig_ opinien, dan moet noodwendig één van

die opinien worden aangekleefd door minstens twee personen. Deze

_twee_ vormen alsdan 'n meerderheid tegenover de negentien anderen,

in-geval deze negentien over de overschietende meeningen gelykelyk

verdeeld waren. In zoo'n geval zou Gods wil slechts voor 2/21 door den

wil des Volks zyn uitgedrukt, en de Duivel zou zich in de nogal

aanzienlyke meerderheid van 19/21 te verheugen hebben.

En by dat alles lieten we nu nog de zonderlinge rekenfout buiten spel,

die ik meen voldoende toegelicht te hebben in den eersten bundel myner

IDEEN. (121 en 133).

De uitvinding van 't zoeken naar «volstrekte meerderheid» by

herstemming, levert 'n nieuwe fiktie, nieuwe ongerymdheid. Om de

verbrokkeling van stemmen tegen-tegaan, en den schyn te leveren alsof

we werkelyk met 'n meerderheid te doen hadden, wordt het aantal

meeningen waarover beslist moet worden, ingekrompen tot twee

mogelykheden. Deze methode kan leiden tot verschynselen als die welker

ongerymdheid in 't hier volgend voorbeeld wordt gekenschetst. Gesteld

dat twintig personen te kiezen hebben tusschen twee-en-twintig

opinien, en dat twee dezer opinien respektievelyk door twee personen

worden voorgestaan, dan blyven er achttien personen over wier

meeningen over de resteerende achttien mogelykheden kunnen verdeeld

zyn. Dewyl er in dit geval niet verkregen is wat men heeft gelieven te

doopen met den naam van «volstrekte meerderheid» dwingt men die

achttien stemmers party te kiezen voor een der beide meeningen die

zich in twee aanhangers mochten verheugen. Van waarheid en juistheid

is hier alzoo weer geen spraak. De achttien slachtoffers hunner

verdeeldheid worden gedwongen tot medeplichtigheid aan leugen, en de

uitslag der stemming die straks zal worden verkondigd is 'n

onvervalschte naklank van 't wetgevend onweer op Sinaï, was niets dan

'n armzalig _faute de mieux_. Wie de meening _x, y_ of _z_ van

ganscher harte is toegedaan, werd gedwongen 'n keus te doen tusschen

_a_ en _b_, al ware het ook dat z'n inzichten op staatkundig of

godsdienstig gebied hem voorschreven de eerste letters van 't alfabet

teverafschuwen. Hy mocht niet stryden voor wat hem voorkwam goed te

zyn, maar moet z'n invloed besteden aan de bevordering van iets dat-i

voor verkeerd houdt, om in 's hemelsnaam te ontwyken wat in zyn oog

nòg verderfelyker wezen zou. Ziedaar alzoo de «stem van God»

onderworpen aan 'n belemmering die ons van allen eerbied voor haar

heiligheid ontslaat.

By deze aantooning der onnauwkeurige werking van ons kiesstelsel heb

ik me tot het allereenvoudigste bepaald, tot opmerkingen die onder de

bevatting vallen van elken lezer, en slechts voor-zoo-ver de eisch van

m'n betoog meebracht. Wie dieper in de zaak wil doordringen--of,

juister uitgedrukt: _in een gegeven kant der zaak_--wordt verwezen

naar 'n zeer belangryke wiskundige studie van den heer D.I. KORTEWEG,

in het _Journal des Actuaires français_[20] t. III, 1874:

«_Réflexions, calculs et solutions particulières à propos du calcul

des probabilités sur les votes_. Er is evenwel, om de wetenschappelyke

en de praktische strekking van dat werk te beoordeelen, meer

wiskunstige voorbereiding noodig dan waartoe ik tot-nog-toe in de

gelegenheid was. Waarschynlyk verkeeren sommigen myner lezers in 't

zelfde geval, doch ieder kan er uit leeren--en dit is hier

hoofdzaak--dat de _Vox Dei_ heel ònalmachtig onderworpen is aan de

wetten der waarschynlykheidsrekening en dus 't recht niet heeft hooger

toon aanteslaan dan de _Aard der dingen_ toelaat.

Doch dit alles geldt nog slechts de _methode_ volgens welke men tracht

tot de kennis van die fameuze Volksstem te geraken. Hoeveel treuriger

nog is de uitslag van 't onderzoek, indien we achtslaan op de wyze

waarop die volks-meening _ontstaat_. Ze is verwrongen, vervalscht,

bedorven, en zou voor den denker niet het minst gewicht in de schaal

leggen, ook al bestond er kans tot het vormen of leeren kennen eener

niet-gefingeerde meerderheid. Op het gebied der begrippen geschiedt de

voortplanting naar vaste wetten die--behoudens de uit den aard der

zaak voortkomende verschillen--vry-wel overeenkomen met de regels die

wy in de afstamming van planten en dieren waarnemen. Niemand

verwondert zich als-i bemerkt dat uit het zaad eener vrucht 'n boom

spruit van dezelfde soort als die waarvan de vrucht geplukt is. Dat

ook hierin door bykomende oorzaken afwykingen kunnen plaats

hebben--afwykingen die toch evenzeer als de hoofdregel-zelf op vaste

wetten berusten--mag ons niet doen voorbyzien dat hoofdwet en afwyking

beide van volle toepassing zyn op de geschiedenis der begrippen,

meeningen en vooroordeelen, ja zelfs op de waggelingen van den smaak.

We hebben echter in dit betoog hoofdzakelyk met den _regel_ te doen.

Volgens dien regel kan men zich verzekerd houden dat er _fouten_

worden gebaard door _fouten_, en wel gewoonlyk _gelyksoortige_. Het

meer of min plotseling overspringen van de ruimte die twee uitersten

van elkander scheidt--reaktie--mogen we nu buiten spel laten. Ook dat

overspringen, die meestal onverwachte terugslag--veel geregelder-

periodiek dan men gewoonlyk meent--is een gemakkelyk te verklaren gevolg

van den aard der dingen. De slinger, nu eenmaal niet kunnende stilstaan,

_moet_ wel door 't loodpunt heen naar de tegenovergestelde zyde zoodra

hy aan den anderen kant de grens van z'n bewegingsvermogen bereikt heeft.

Dat veranderen van richting vereischt slechts een oogenblik, 'n _tydstip_.

Maar de beweging-zelf heeft 'n aaneenschakeling van oogenblikken noodig,

die een _tydperk_ vormen. Met zoodanig tyds-verloop hebben we by 't

beschouwen der wording en voortplanting van volksmeeningen te doen, en

de in zulke perioden voortgebrachte wanbegrippen zyn gelyksoortig met

hun oorsprong. Dezelfde fouten alzoo die 'n Volk verleiden tot mistasten

in de keus van z'n voorgangers, zullen het den verkeerden weg opdryven

zoodra er moet worden uitspraak gedaan in vraagstukken van

wetenschappelyken, socialen of zedelyken aard. Aannemende dat het

denkbeeld _a_ zekere dwaling vertegenwoordigt en dat de persoon A daaraan

z'n verheffing te danken heeft, dan is de voortplanting van 't ongelukkig

a-begrip--natuurlyk altyd slechts tot op 't oogenblik vanterugslag!--op

'n goeden weg, en de A-dynastie zit voor langen tyd op troon of kussen.

Over eenigen tyd--dagen, maanden, jaren, eeuwen, al naar de oorzaken die

de perioden der slingerbeweging bedingen--verwondert men zich over het

taai bestaan van meeningen die de naneef voor niet levensvatbaar houden

zou indien niet de Geschiedenis hem leerde _dat men wel werkelijk in

zekeren tijd zoo dwaas geweest is_! Vindt men deze opmerking banaal,

afgezaagd tot vervelens toe? Ik erken dat ze dit _is_, maar vraag waarom

we dan dien naneef zooveel stof leveren om op onzen tijd met minachting

neer te zien? Waarom zoo ... middeleeuwsch berust in verkeerdheden welker

verbetering slechts wacht op de toepassing der voorschriften van 't

gezond verstand? Ook die stompzinnige berusting komt me banaal voor.

Erger dan dat, ze is onverantwoordelyk.

Maar ... wie zal beslissen welk verstand voor _gezond_ mag worden

gehouden? Wat _is_ gezond verstand?

Dergelyke vragen zyn te voorzien, en ik hoop ze in 'n volgend

hoofdstuk te beantwoorden op 'n wyze die voor ons tegenwoordig doel

voldoende is. De lezer houde my ten-goede dat ik hem by die

gelegenheid niet onthaal op akademisch-onverteerbare bespiegelingen

over «_Kritik der reinen Vernunft_» en dergelijke valsch-wysgeerige

school-praat. Ik veronderstel dat hy zich daarmede niet ophield sedert

de dagen zyner kindsheid, toen hy onthutst, angstig en onnoozel naar

z'n spaarpot ylde, als 'n sprookjesverteller z'n verhaal gesloten had

met de vreeselyke epiloog: «wie 't niet begrypt betaalt 'n duit!»

Ik zou 't billyker vinden die duitenbelasting opteleggen aan 't volkje

dat onbegrypelyke praatjes voor _wysbegeerte_ uitgeeft, en aan hen die

kwakzalvery in de hand werken door zich als verzadigd aantestellen na

't nuttigen van 'n schoteltje draderige spitsvondigheid.

Specialiteiten · 第 15 / 18 题