Wie 't goede wil, en daarom 't kwade bestrydt, vergist zich
vaak--zooals andere geneesheeren--in de keuze der middelen. Ik vrees
dat het vorig hoofdstuk niet goed geschreven is. Sommigen zullen 't
geestig vinden, en by dezulken heb ik m'n doel gemist, wyl dan de
aandacht werd afgeleid van de bestreden kwaal, om die overtebrengen op
de eigenaardigheid van den geneesheer. Niet dáártoe meldt zich 'n arts
by den zieke. En wie m'n betoog _niet_ geestig vindt, heeft nog meer
reden om de strekking daarvan te versmaden. Waartoe ik my dan ook by
dezulken vriendelyk aanbeveel.
Indien ik my inderdaad vergist heb in de medikatie ... men vergeve het
my. Evenzeer als m'n vriend AUGUSTE, de advokaat-likdoornsnyder, ben
ik 'n voorstander van _emollients_. Maar na zóó dikwyls m'n krachten
vruchteloos beproefd te hebben aan 't uitroeien der frazenziekte, was
ik eindelyk wel genoodzaakt m'n geluk te beproeven met _cautéres_ van
spot. Ik verzeker den lezer, dat ik bedroefd ben over de hardnekkigheid
van de kwaal. Ingemoede tracht ik met gezond verstand te dienen. De
Rede is m'n godin.
Waar ik haar zie miskennen, bloedt my het hart.
Niets natuurlyker alzoo, dan dat ik alles haat wat tot die miskenning
aanleiding geeft, of daartoe meewerkt.
Onder de bondgenooten van redelooze Ongodsdienstigheid vinden we
steeds in de voorste gelederen: _fraze, spreekwoord, zegswys, manier
van spreken, dicton, citaat, zaag_ en _deun_ ... altemaal adjudanten
van den leugen-duivel, misbruik van het Woord--van den _Logos_--zonden
tegen den H. Geest der Waarheid, Godslastering.
Het eerste woord waarmee de eerste misdadiger den eersten doodslag
trachtte te vergoelyken, was ... 'n _praatje_.
--Ben ik myns broeders hoeder? vroeg KAÏN.
--Neen (had het zonderling spook kunnen antwoorden, dat in _sommige
gedeelten_ van den bybel--_volstrekt niet overal!_--voor «God» wordt
uitgegeven) neen, maar die ambteloosheid gaf je geen recht dien
broeder doodteslaan.
of:
--Niet dáárover loopt onze kwestie. De bedoeling van m'n vraag is, òf
je hem doodsloeg, en met welk recht?
KAÏN gebruikte die zegswyze--hy zal er wel bygevoegd hebben: _gelyk de
groote dichter zich uitdrukt_, of: _om 'n oudecht-vaderlandsch
spreekwoord te bezigen_ ... dat kleedt 'n fraze!--hy sprak zoo, uit
verlegenheid.
Juist. Wie broeders doodstaat, en met Waarheid overhoop ligt, voelt
zich verlegen. En 'n _fraze_ is daarvan de korollaire uiting. Waar we
dus frazen ontmoeten, ligt ergens een vermoorde broeder in 't
kreupelhout.
En daarom zal men my vergeven dat ik naar helschen steen gryp om
«praatjes» uittebranden. «God» deed het ook in die _cause sélèbre_. Hy
maakte korte metten met den praatjesmakenden moordenaar, en smeet hem
zonder veel vorm van proces 't paradys uit. _Bien jugè_!
* * * * *
Toen ik zoo-even de uitdrukking: _huurfraze_ ontdekte, was ik zoo
vergenoegd dat ik al m'n vrienden 'n driedaagsche champagneparty
gegeven heb. Nog niet geheel bekomen van den roes dien ik me by zulke
gelegenheden tot 'n gewoonte heb gemaakt, hoop ik in dit hoofdstuk
alle geestigheid te vermyden, en de vraag: _wat zyn specialiteiten_?
zoo burgerlyk-ordinair te behandelen, dat daaruit by geen mogelykheid
'n nieuwe champagneparty zal kunnen voortkomen. Dit vooruitzicht is my
te aangenamer omdat ik eigenlyk geen wyn lust, en vooral niet het
extrakt van rottekruid dat velen zich opdringen--alsof 't 'n
zaagcitaat ware!--zoo byzonder lekker te vinden.
M'n vreugde over 't woord _huurfraze_ vindt haar grond in de hoop dat
dit woord zelf tot _fraze_ zal verheven worden, en dat nog na veel
eeuwen deze of gene woordenkramer zal worden doodgeslagen met 'n
verpletterend: «je redeneering rydt op huurknollen ... gelyk de groote
MULTATULI zoo wèl gezegd heeft.» _Similia similibus_!
Van m'n onsterfelykheid ben ik zeker. Ik heb te veel gezegd dat tot
_zaag_ kan omgeknoeid worden, om niet heel stevig in leven te blyven
na m'n dood. Ik schaam my als ik bedenk hoevelen er gereed staan de
skeletten van m'n arme statiepaarden, averechts opgetuigd voor hun
huurkarretjes te spannen. Iets eerlyker dan PYTHAGORAS waarschuwde ik
reeds voorlang tegen 't vervloekte _autosephae_ ... óók 'n _fraze_!
* * * * *
_Specialiteiten_ zyn ... byzondere dingen. Nu weet ge 't.
_Generaliteiten_ zyn ... algemeene dingen. Dàt weet ge nu ook.
Wanneer men 't laatste van die beide woorden toepast op personen, dan
zou men het allergevoeglykst kunnen toelichten door de omschryving: 'n
generaliteit is de zoodanige die van alles--of van niemendal--verstand
heeft. Iemand die tot alles bekwaam is, of tot niemendal.
Dat deze definitie even volledig en juist, als bondig is, valt in 't
oog door vergelyking met het woord _generaal_: een militair die alle
vyanden--of geen enkele vyand--doodslaat, in tegenstelling van den
soldaat die zeer _speciaal_ slechts op 'n enkelen tegenstander aanlegt,
en dien enkelen maar zelden raakt.
Na deze zoo nauwkeurige en stipte ontleding van den zin dien wy aan 't
woord _generaliteit_ behooren te hechten--ik vermeed het heenwyzen
naar _species_ en _genus_, om m'n pedanterie te verbergen--zyn we nu
voorbereid tot het wèl vatten van de beteekenis der uitdrukking die
als uithangbord boven dit vertoogjen in zoo passend gezelschap
geplaatst is. Een opschrift alzoo: _on its right place_.
Een _specialiteit_ is ...
Lieve lezer, ik weet het waarachtig niet!
Zou ook dàt woord misschien 'n _deun_ zyn, de basnoot waarop armoed
aan denkvermogen 't maseurige wysje doedelt van den _right man_?
* * * * *
Na de duidelyke uiteenzetting van de beteekenis die we aan 't woord
_specialiteit_ moeten hechten, behandelen wy nu--ik hoop even
afdoende--de vraag waar zoo'n specialiteit behoort geplaatst
te worden?
Wel ... niets eenvoudiger. _On the right place_, natuurlyk.
Wie dáármee niet tevreden is ...
De bakker by z'n oven, de smid voor z'n vuur, de kat achter de kachel,
en ROLLET in 't tuchthuis, als 't waar is althans, wat BOILEAU van
dien heer zeide.
En waar specialiteiten _niet_ behooren? Allereenvoudigst alweer!
ROLLET op 't kussen, enz. enz.
* * * * *
Het doet me waarlyk genoegen de verhandeling in drie deelen zoo goed
en kort te hebben afgedaan. Ik gunde me ditmaal den tyd niet, den
lezer te vervelen. Daar echter m'n blaadje nog niet vol is, vraag ik
't woord voor 'n klein verhaal. Misschien stelt het den lezer
eenigszins schadeloos voor de lankdradigheid van de verhandeling.
Aan 'n table-d'hôte in den Haag, sprak ik. Dit moet vermeld worden als
'n uitzondering, dewyl anders gewoonlyk _myn_ specialiteit in zwygen
bestaat. Maar 'n zeer byzondere reden drong my ... och, ik zeg niet
gaarne waarom ik deel nam aan de konversatie.
Er was spraak van handel, winkeliers-_smart_, kramers-_humbug_,
koopmanstrouw en verdere Nederlandsche volkomenheden. Ik had 'n paar
bydragen geleverd, doch met weinig succes. Men vond ze niet pikant. 't
Is dus met schroom dat ik die nu herhaal, maar ze kunnen by 't
afspinnen van m'n vertelling niet gemist worden.
Ik verhaalde dan hoe 'n gefortuneerd jong-mens middel had weten te
vinden om 'n zoogenaamd arbeiders-horloge van koper, voor honderd
gulden te verkoopen aan 'n «vriend» die 't ding slechts uit de verte
gezien had. De handige verkooper had zorggedragen zich te onthouden
van de verzekering dat het van goud was, en op 't schertsend bod van
den ander, die meende met 'n tamelyk kostbaar werk te doen te hebben,
driemaal gevraagd: _meen je 't?_
--Ja, ja, ja, was er geantwoord, ik meen het!
--Daar heb je 't dan! werd er gezegd en ernstig volgehouden door den
ander, tot de betaling inkluis.
Hierin lag nu de _pointe_ van m'n vertelling niet. Maar ik meende
die te leggen in 't vervolg van de historie. Een «zeer geacht»
groothandelaar, scheepsreeder, diaken, enz. wien ik vroeger dat
voorvalletje meedeelde, had me geantwoord: «hoor eens, daarin moet ik
je nu tegenspreken. Hy had driemaal gewaarschuwd, en niet gezegd dat
het van goud was. De ander had niet zoo onvoorzichtig moeten zyn ...
je begrypt ... in den handel ... neen, ditmaal ben ik 't niet met je
eens ... _driemaal_ gewaarschuwd ... wat wil je nog meer?
Ik had staat-gemaakt op wat verontwaardiging. Maar m'n table-d'hôte-
gezelschap scheen voor 'n goed deel uit groothandelaars, scheepsreeders
en kerkvoogden te bestaan. Niemand zei: hè!
Nu, 't gebeurt wel meer dat 'n vertelling dóórvalt. Ik moest me
schikken.
Doch dit verklaarde niet waarom 'n heer die schuins tegenover me zat,
my zoo vreeselyk boos aankeek. Ik kende hem niet, en pynigde m'n
geheugen te-vergeefs met de vraag of ik dien man ooit kon beleedigd
hebben? De table-d'hôte was zeer goed, ruim voorzien ...
Ik moet er dit by zeggen, om te voorkomen dat men dien zuurkyker
verdenke van spysnyd, of my van indiskretie in 't ledigen der
schotels. Het stuk speelt in den goeden _Toelast_, waar de voorraad
van gerechten waarlyk tegen grooter onbescheidenheid bestand is, dan
ik noodig heb me te veroorlooven.
De man keek zuur, en was deftig.
Het uitvaren tegen witte dassen is wat zagerig geworden, en 't spyt me
dus veroordeeld te zyn tot geschiedschryver der verblindende
kleurloosheid van z'n keelbedervend halsgewaad. In 's hemelsnaam ...
dat is nu eenmaal zoo. En ook overigens zat de man vol witte dassen.
Z'n zwarte rok was 'n witte das. Z'n welgedaan zachtblozend gelaat was
'n witte das. Z'n _embonpoint_ was 'n witte das. En z'n zuurkyken ...
'n luiermand vol witte dassen!
Na den diepen val van m'n vertelling, oogstte een _commis voyageur_
grooten byval met oneindige «hé!» 's in, over 'n verhaal dat met 'n
«mooien slag in de amerikanen» eindigde.
M'n tweede neerlaag liet zich niet lang wachten. Ik verhaalde hoe 'n
eerlyk man te ... Groningen gebukt ging onder gewetenswroeging, omdat
hy--door fielten meegesleept in «handelszaken»--zich 'n tyd lang ...
_l'occasion, la faim, l'herbe tendre,
Et quelque diable aussi le poussant_...
Och, m'n goeie beste LAFONTAINE, die _diable_ had best achterwege
kunnen blyven! Honger, gelegenheid en ... essenbladen zyn ruim
voldoende om 'n afgetobden gebreklyder op 'n dwaalspoor te helpen. De
man had meegedaan in 't maken van _thee_ die in Gelderland langs de
wegen groeit. En hy leed onder 't besef van die fout ...
Ga heen in vrede, roep ik hem by dezen toe, en maak geen valsche thee
meer. Uw zonden zyn u vergeven. _Ik_ weet wat gy gedragen hebt. Èn
daarover, èn omdat ge overigens uw geheel moeilijk leven offerdet aan
de waarheid!
Maar niet dàt vertelde ik aan m'n table-d'hôters. De tot 'n rampzalig
einde veroordeelde _pointe_ van m'n verhaal kwam hierop neer, dat
ik--natuurlyk zonder namen te noemen--iets over die Geldersche-
theekultuur gezegd had aan ... 'n industrieel die allerliberaalst was.
De man had me--daar gaat de _pointe_!--ouwerwetsch en dom gevonden, en
geantwoord «dat zulke dingen overal gebeurden, en dat hyzelf 'n fabriek
had van koffiboonen.»
De gasten praatten dóór alsof ik niets interessants gezegd had. De
witte dassen bleven zuurkyken.
M'n ouderling--hy was dit inderdaad--scheen verstand van wyn te
hebben. Gedurig hield hij z'n glas tegen 't licht, en doorboorde het
met kennersblikken. Hy dronk echter zeer weinig, waaruit ik opmaakte
dat de wyn niet deugde. Ik bedroog me. Hy verzekerde z'n buurman die
hem daarnaar vroeg, dat de wyn uitstekend was. Maar ... zonderling, hy
zei dit op ontevreden toon, en als iemand die 'n onaangename waarheid
verkondigt.
Met bliksemsnelheid nam ik die byzonderheid aan als opheldering van
z'n zuurkyken. De wyn is goed, hy is er boos om. My ziet-i boos aan,
dus is hy goed op me ... zóó zal 't wezen!
Weer mis! Hy was me volstrekt niet welgezind. Integendeel. Z'n heele
linnenkast was hevig op me verstoord. Dit bleek uit de wys waarop hy
't zoutvat niet zien wilde, dat ik hem toeschoof toen hy dit scheen te
zoeken. Hy wou van my en m'n zout niet gediend zyn, en voorzag zich
elders, uittartend-duidelyk met opzet.
Twee _pointes_ in 't water, zout versmaad ... och, 't was zoo bitter!
--Wie is toch die ... heer, vroeg ik aan iemand naast me. «Man» durfde
ik niet zeggen, om de witte dassen.
En er werd my 'n naam genoemd, dien ik kende.
--Dat is 'n vrome familie, zei ik.
--Zeker! En hyzelf is vooral niet minder vroom dan de rest. Hy is ...
--Ouderling, wil ik wedden.
--Geraden! En hy is boos op je, omdat je ... nu dan, omdat je 'n
«vrydenker» bent.
't Was zoo! De witte dassen gloeiden van heiligen toorn «omdat ik den
CHRISTUS smaade, versmaadde» enz. Hy zou liever sterven dan een myner
werken lezen, en had z'n kinderen verboden m'n naam te noemen, of
zelfs van me te droomen. Hoe ik dit later zoo precies te weten kwam,
doet nu niets ter zake. Ik begreep eenigszins hoe laag hy op my moest
neerzien, en op al de fameuze werken die hy uit afschuw niet gelezen
had.
--Ouderling alzoo? Gut, ik dacht dat-i nog meer was dan dat. Z'n heele
voorkomen kan dominee wezen.
--O neen! Van beroep is hy fabrikant ...
Weer doorboorden de blikken van den christelyken zuurkyker z'n wynglas.
Ontevredenheid met den wyn--die _goed_ was, had-i gezegd--lag op z'n
wezen.
Zou die wyn ook den CHRISTUS gesmaad hebben? dacht ik.
--Ah zoo ... fabrikant! En wat fabriceert de man?
--Hy is 'n specialiteit ...
Genade ditmaal voor m'n _pointe_, lezer! Een derde nederlaag overleef
ik niet!
--Hy is _specialiteit in wynvervalschingsmiddelen_!
* * * * *
Gy die zweert bij 't prachtige _right men on right places_, eilieve,
waar plaatst ge:
m'n _horlogeverkooper_?
m'n _scheepsreeder-groothandelaar_?
m'n _liberalen koffiboonenfabrikant_?
m'n _godvreezenden ouderling-wynvervalscher_?
* * * * *
Nog altyd zit de kat achter de kachel, en spint. Het beest is op z'n
plaats.
De bakker staat voor z'n oven, en bakt. De man is op z'n plaats.
De zon schuilt achter mist en nevel. En al verwarmt ze niemendal ...
ze staat op haar plaats.
Vuurpook en tang leunen tevreden tegen hun standertje, de kolen liggen
rustig in den bak, de asch valt melancholisch door den rooster, de
sneeuw op het dak wacht met geduld den tyd van smelten ... _all things
on their right places_ ...
Maar de eerlyke JACOB DE VLETTER zit in het tuchthuis.
En heel veel boeven, die daar wezen moesten, zitten er nog altyd
_niet_.
En DUYMAER VAN TWIST zit in de Eerste-Kamer, en vertegenwoordigt daar
'n brok van 't Nederlandsche Volk, en praat mee over _Recht,
Menschelykheid, Staatkunde, Indische belangen_ ...
En CHRESOS schrijft vertellingen over witte dassen, voor 't publiek
van Nederland.
* * * * *
Met uw verlof ... staat ook dit hoofdstuk wel op _the right place_?
Wel zeker! 't Is 'n brandmerk, en hoort van rechtswege thuis in een
_Ietsjen_ over SPECIALITEITEN.