LIX.

O vrouw, gij zijt niet enkel het maaksel

van God, maar ook van menschen; zij kleeden

u voortduurend met schoonheid van hun

harten.

Dichters weeven voor u een webbe met

draden van gouden verbeelding; schilders

geeven steeds nieuwe onsterfelijkheid aan

uw vorm.

De zee geeft zijn paerlen, de mijnen hun

goud, de zoomertuinen hun bloemen, om u

te bekleeden, te bedekken, en kostelijker

te maken.

De begeerte der menschenharten heeft zijn

glans oover uwe jeugd gespreid.

Gij zijt half vrouw, half droom.

De Hoovenier · 第 80 / 106 题