O vrouw, gij zijt niet enkel het maaksel
van God, maar ook van menschen; zij kleeden
u voortduurend met schoonheid van hun
harten.
Dichters weeven voor u een webbe met
draden van gouden verbeelding; schilders
geeven steeds nieuwe onsterfelijkheid aan
uw vorm.
De zee geeft zijn paerlen, de mijnen hun
goud, de zoomertuinen hun bloemen, om u
te bekleeden, te bedekken, en kostelijker
te maken.
De begeerte der menschenharten heeft zijn
glans oover uwe jeugd gespreid.
Gij zijt half vrouw, half droom.