Gij verliet mij en ging uws weegs.
Ik dacht, dat ik om u treuren zou, en uw
eenzaam beeld in mijn hart zetten, gevat in
een gouden lied.
Maar ach, mijn slecht gesternte, de tijd is
kort.
De jeugd gaat voorbij jaar op jaar; de lentedagen
zijn vluchtig; de brooze bloemen sterven
voor niets, en de wijze man waarschuwt
mij, dat leeven niet is dan een daauwdrop op
een lotosblad.
Zou ik dit alles verwaarloozen, om eene
na te staren, die mij de rug gekeerd heeft?
Dat zou lomp zijn en dwaas, want de tijd
is kort.
Kom dan! mijn reegen-nachten met kletterende
voetjes; glimlach dan, gouden herfst!
zorgelooze April! die onderweg uw kussen
rondstrooit.
Kom gij, en gij, en gij ook!
Geliefden, gij weet dat wij sterfelijk zijn.
Is het verstandig ons hart te breeken voor
die eene, die ons haar hart onttrok? Want
de tijd is kort.
Het is zoet in een hoekje te zitten, en te
peinzen en in rijmen te schrijven, dat gij mijn
gansche waereld zijt.
Het is heldhaftig zijn smart te koesteren,
en vastbeslooten ontroostbaar te zijn.
Maar een nieuw gelaat kijkt door mijn
deur en heft de oogen tot de mijnen.
Ik moet wel mijn tranen weg wisschen en
een ander wijsje zingen.
Want de tijd is kort.