XLVI.

Gij verliet mij en ging uws weegs.

Ik dacht, dat ik om u treuren zou, en uw

eenzaam beeld in mijn hart zetten, gevat in

een gouden lied.

Maar ach, mijn slecht gesternte, de tijd is

kort.

De jeugd gaat voorbij jaar op jaar; de lentedagen

zijn vluchtig; de brooze bloemen sterven

voor niets, en de wijze man waarschuwt

mij, dat leeven niet is dan een daauwdrop op

een lotosblad.

Zou ik dit alles verwaarloozen, om eene

na te staren, die mij de rug gekeerd heeft?

Dat zou lomp zijn en dwaas, want de tijd

is kort.

Kom dan! mijn reegen-nachten met kletterende

voetjes; glimlach dan, gouden herfst!

zorgelooze April! die onderweg uw kussen

rondstrooit.

Kom gij, en gij, en gij ook!

Geliefden, gij weet dat wij sterfelijk zijn.

Is het verstandig ons hart te breeken voor

die eene, die ons haar hart onttrok? Want

de tijd is kort.

Het is zoet in een hoekje te zitten, en te

peinzen en in rijmen te schrijven, dat gij mijn

gansche waereld zijt.

Het is heldhaftig zijn smart te koesteren,

en vastbeslooten ontroostbaar te zijn.

Maar een nieuw gelaat kijkt door mijn

deur en heft de oogen tot de mijnen.

Ik moet wel mijn tranen weg wisschen en

een ander wijsje zingen.

Want de tijd is kort.

De Hoovenier · 第 67 / 106 题