XXX.

Gij zijt de avondwolk, die aan den heemel

mijner droomen drijft.

Ik kleur u en bootseer u altijd-door met

mijn liefde-verlangen.

Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster

van mijn eindelooze droomen.

Uw voeten zijn roozerood door den gloed

van mijn hartsbegeeren, Sprokkelaarster van

mijn zangen van zonsondergang.

Uw lippen zijn bitterzoet door de smaak

van mijn smarten-wijn.

Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster

van mijne eenzame droomen.

Met de schaduw van mijn drift heb ik uwe

oogen verdonkerd, Bezitster van de diepte

van mijn blik!

Ik heb u gevangen, mijn liefste, en u gewikkeld

in het net mijner muziek.

Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster

van mijn onsterfelijke droomen.

De Hoovenier · 第 47 / 106 题