Gij zijt de avondwolk, die aan den heemel
mijner droomen drijft.
Ik kleur u en bootseer u altijd-door met
mijn liefde-verlangen.
Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster
van mijn eindelooze droomen.
Uw voeten zijn roozerood door den gloed
van mijn hartsbegeeren, Sprokkelaarster van
mijn zangen van zonsondergang.
Uw lippen zijn bitterzoet door de smaak
van mijn smarten-wijn.
Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster
van mijne eenzame droomen.
Met de schaduw van mijn drift heb ik uwe
oogen verdonkerd, Bezitster van de diepte
van mijn blik!
Ik heb u gevangen, mijn liefste, en u gewikkeld
in het net mijner muziek.
Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster
van mijn onsterfelijke droomen.