XI.

Kom zooals je bent; treuzel niet met je

toilet.

Als je gevlochten haar losgegaan is, als je

scheiding niet recht is, als de linten van je

keursje niet vastgestrikt zijn, let er niet op.

Kom zooals je bent, treuzel niet met je

toilet.

Kom, met vlugge stappen oover 't gras.

Als het roode kleursel door den daauw is

afgegaan van je voeten, als de ringen met

belletjes van je voeten losgaan, als paerelen

uit je snoer vallen, let er niet op.

Kom, met vlugge stappen oover 't gras.

Zie je hoe de wolken den heemel omhullen?

Vluchten kraanvoogels vliegen op van de

ooverkant der rivier, en plotselinge windstooten

vliegen oover de heide.

Het angstige vee rent naar zijn stalling in

het dorp.

Zie je de wolken die den heemel omhullen?

Te vergeefs steek je je toilet-lamp aan.--Zij

flakkert en dooft uit in den wind.

Wie kan weeten dat je oogleeden niet met

lamp-zwart zijn bestreeken?

Want je oogen zijn donkerder dan reegenwolken.

Te vergeefs steek je je toilet-lamp aan--ze

gaat uit.

Kom zooals je bent; treuzel niet met je

toilet.

Al is de krans niet gevlochten, wie geeft er

om? Is de armband niet geslooten, laat

haar zoo.

De heemel is met wolken ooverdekt. Het

is laat.

Kom zooals je bent; treuzel niet met je

toilet.

De Hoovenier · 第 28 / 106 题