DE VERDELGINGSOORLOG DER YANKEES TEGEN DE APACHEN-INDIANEN.

In de jongst verloopen tweehonderd-vijftig jaren zijn niet minder

dan negen tienden van de oorspronkelijke inwoners der tegenwoordige

Vereenigde-Staten van Noord-Amerika van den aardbodem verdwenen. Reeds

dadelijk nadat in de eerste helft der zeventiende eeuw de puriteinsche

pelgrimvaders, de grondleggers van de heerschappij van het

anglo-saksische ras in Amerika, den bodem der nieuwe wereld betreden

hadden, werd met dit werk der vernieling een aanvang gemaakt. In

het verjagen en dooden der heidensche Roodhuiden zagen deze vrome

mannen niets onbehoorlijks: integendeel, wanneer onder de Indianen

eene recht groote slachting was aangericht, werd dit feit met het

houden van een algemeenen dankdag gevierd.

Tusschen den Atlantischen Oceaan en den Mississippi leven tegenwoordig

nog maar eenige duizende Roodhuiden; en ook in de uitgestrekte

landstreken tusschen dezen "Vader der Stroomen" en den Stillen

Oceaan verdwijnt de eene stam na den anderen. De dagbladen brengen

ons juist in deze dagen berichten van de bloedige worsteling met

de Modoc-Indianen op de grenzen van Californië en Oregon: eene

worsteling die met den volslagen ondergang dezer Indianen eindigen

moet. Maar ook de stammen der noordelijke prairieën zijn in beweging;

en verschillende teekenen schijnen op eene aanstaande algemeene

worsteling te duiden. Wij zien hier, in den vollen zin des woords, een

strijd om het leven. De zwakkeren verdedigen zich zoogoed zij kunnen;

maar zij worden door den sterkere, die zonder eenige verschooning

of menschelijkheid te werk gaat, onbarmhartig vernield. De wapenen

waarmede deze gruwelijke verdelgingsoorlog wordt gevoerd, zijn van

verschillenden aard: pokken, brandewijn en syphilis--geschenken

der blanken--zijn vooral niet minder geducht dan naaldgeweren of

revolvers. De Indianen gevoelen als bij instinkt dat hunne dagen

geteld zijn; dat zij op den duur tegen de aanraking met de blanken niet

bestand zijn. De vreemde indringers nemen overal den grond in bezit,

ook in de prairieën, waar de rondzwervende nomade in de jacht op de

tallooze kudden van bisons, die vroeger de onafzienbare eenzaamheid

bevolkten, zijn levensonderhoud vond. De bisons, al verder en verder

teruggedrongen, verdwijnen, en met hen verdwijnen de Indianen, wier

leven en bestaan onafscheidelijk met het hunne verbonden was.

De bruine wilde past zonder genade op den blanken barbaar het recht der

wedervergelding toe, en beide partijen hebben elkander op het stuk van

wreedheid en gruweldaden hoegenaamd niets te verwijten. De Roodhuid,

als een wild dier gejaagd en neergeschoten, bedrogen, beroofd en

mishandeld, wreekt zich waar en zooals hij kan: hij steekt de oogsten

in brand, hij doet de woningen en hoeven in laaie vlammen opgaan,

hij skalpeert, vermoordt, mishandelt zonder onderscheid, jongen

en ouden, vrouwen en kinderen. Deze oorlogen zijn in vollen nadruk

rassenoorlogen; en zij zullen en kunnen ook niet ophouden, voordat de

oorspronkelijke inwoners geheel uitgeroeid, of nog slechts hier en daar

in verstrooide groepen zijn overgebleven, die dan van zelf uitsterven.

De politiek der Bondsregeering tegenover deze Indianen was tot dusver

zeer onverstandig. De mannen, die het toeval en de luim van het

oogenblik te Washington aan het roer plaatst, hebben bij herhaling

getoond niet het flauwste begrip te hebben van de hoofdwaarheden en

grondbeginselen der ethnographie. Dit is niet alleen gebleken uit de

met bloedig geweld doorgezette slaven-emancipatie en de onzinnige

gelijkstelling der half barbaarsche negerbevolking met de blanken,

maar ook uit de onbekookte maatregelen tegenover de Roodhuiden genomen

en de ondoordachte proeven, welker mislukking vooruit met zekerheid

was te voorzien. Het is nu eenmaal onmogelijk, den prairiebewoner,

den rondzwervenden nomade, die van jacht en visscherij leeft,

om te scheppen in een beschaafden landbouwer of handwerksman, die

zich op eene bepaalde plaats vestigt en daar rustig zijn bedrijf

uitoefent. De natuur zelf heeft hem de neiging en geschiktheid voor

zulk eene levenswijze onthouden: hij moet een vrij, ongebonden leven

leiden; wordt hem dit onmogelijk gemaakt, dan gaat hij te gronde. Eene

eeuwenlange ondervinding heeft de waarheid dezer opmerking bevestigd.

Nu heeft de amerikaansche regeering den Indianen hun voorouderlijken

grond ontnomen, en hen opgesloten binnen zoogenaamde _Reservations_:

dat wil zeggen, hun eene zekere uitgestrektheid lands aangewezen,

waarbuiten zij niet mogen komen. Zeer dikwijls is daarbij in het minste

niet op hunne behoefte gelet; en in verscheidene _reservations_ kunnen

zij niet leven, omdat de noodige middelen tot onderhoud ontbreken. Toch

bepaalt de wet, dat ieder, die de grenzen der aangewezen landstreek

overschrijdt, als vogelvrij zal worden beschouwd; wie een aldus

"uitgebroken" Indiaan doodschiet, begaat geen moord! De Roodhuid weet

echter in zulk eene _reservation_ niets te beginnen; zijne gansche

natuur dwingt hem, met onwederstaanbare macht, naar buiten, over de

grenzen, in de wijde wereld te gaan, en daar om te zwerven. Volgt hij

dien aandrang, dan is hij vogelvrij.--De blanken van hun kant echter

bekommeren zieh niet het minst om de wettelijke bepalingen aangaande

deze _reservations_ en de rechten der Indianen. Hebben zij het land

noodig, dan verdrijven zij de Indianen ook van daar. De regeering te

Washington heeft wel uitdrukkelijk verboden, dat een blanke het gebied

der Indianen betrede, maar natuurlijk stoort men zich daaraan niet;

de Roodhuiden worden eenvoudig verjaagd, en dwars door hun land legt

men spoorwegen aan. De blanke kolonisten achten noch wet, noch recht,

noch billijkheid; zij nemen in bezit wat hun aanstaat, en wanneer zij

om eene of andere reden openbaar geweld minder verkieselijk achten,

dan nemen zij hun toevlucht tot andere middelen. Zij plagen en kwellen

en tergen den prikkelbaren Indiaan, en brengen hem tot vertwijfeling;

en als het dan eindelijk tot gewelddadigheden komt, die zij zelf

hebben uitgelokt, dan wordt aanstonds met groot geschreeuw een

verdelgingsoorlog tegen deze onverbeterlijke vijanden gepredikt. In

het Congres en in de regeeringskringen, waar niemand, die slechts over

genoeg geld beschikken kan, ooit te vergeefs helpers en beschermers

zoeken zal, vinden ook deze avonturiers en spekulanten altijd willige

verdedigers en woordvoerders. Onlangs nog is openlijk in het Congres

aangetoond, dat 600,000 dollars in rekening waren gebracht voor den

krijg tegen een stam der Dakotahs, die in het geheel niet bestaat;

de bedriegers hadden bovendien de onbeschaamdheid, op de betaling

van nog 250,000 dollars aan te dringen, wegens beweerde leveringen!

Wij vernemen nu dat de Apachen de grenzen van hun aangewezen gebied

hebben overschreden; dat zij uitgestrekte landstreken in Arizona

en Nieuw-Mexico afloopen, en hunne strooptochten tot in Sonora

uitstrekken. Zij rooven, branden en moorden, als dreef hen een booze

demon: het is inderdaad de woede der vertwijfeling. Nu schreeuwen en

jammeren de Yankees over de barbaarschheid dezer "onverbeterlijkste,

bloeddorstigste" van alle Roodhuiden, en vorderen hunne volkomen

uitroeiing. En de man, die tegenwoordig den presidentsstoel te

Washington bekleedt, heeft in eene echt amerikaansche boodschap,

vol grofheid en ruwe aanmatiging, beloofd aan dat verlangen te

zullen voldoen.

Maar wie draagt de schuld van den tegenwoordigen toestand? Wie heeft er

aanleiding toe gegeven, dat deze Apachen hunne vreeselijke tomahawks

hebben opgeheven? De gansche verantwoordelijkheid hiervoor treft de

Yankees, die ook hier, in hun verkeer met de inboorlingen van Arizona,

hun naam met smaad en schande hebben overdekt, en hun gewoon handwerk

van schelmerij en bedrog onbeschaamd hebben gedreven. De volgende

feiten leveren het bewijs, dat dit oordeel niet te hard is.

Toen Arizona van Mexico gescheiden en aan de Vereenigde-Staten

afgestaan werd, moesten deze een vergelijk zoeken te treffen met

de Apachen, een zeer krijgshaftigen indiaanschen stam, die sedert

menschenheugenis met de Mexikanen in erfelijke vijandschap leefde: de

bloedige oorlog tusschen die beide partijen rustte nooit. Tegenover de

Amerikanen namen zij, gedurende langen tijd, eene vriendschappelijker

houding aan; zij, de wilde, vrije nomaden, lieten zich opsluiten

in eene _reservation_, die hun, in den zuidoostelijken hoek van het

territoir, nabij de grenzen van den mexikaanschen staat Sonora, werd

aangewezen. Men zegt dat de in Arizona en Nieuw-Mexiko nog overgebleven

Apachen-stammen omstreeks 60.000 man sterk zijn: eene opgave, die

waarschijnlijk zeer overdreven is. Zij gehoorzamen aan verschillende

opperhoofden, waarvan Kotchise de voornaamste is; de overigen zijn:

de Eenoogige Riley, Del-Schay, Es-zim-en-sin en Schelter-pau. Zij

allen zijn in de laatste maanden vijandelijk opgetreden, en rooven en

plunderen in het noorden van Sonora. Door de grenzen van hun aangewezen

gebied te overschrijden, hebben zij natuurlijk het hun opgedrongen

verdrag geschonden: de Yankees verklaren nu dat de verdelgingskrijg

tegen hen met allen nadruk zal worden gevoerd.

Nu ongeveer twee jaren geleden, schenen de politieke tinnegieters

te Washington toch eenig besef te krijgen van de onverstandige,

verkeerde handelwijze der regeering tegenover de Indianen. Verstandige,

welgezinde mannen bewezen met onwederlegbare duidelijkheid, dat

men tot dusverre, tegenover alle Indianen, op de ondoelmatigste

en ondoordachtste wijze was te werk gegaan; zij toonden aan,

hoe schandelijk deze oorspronkelijke ingeborenen des lands door de

blanken waren mishandeld, benadeeld en stelselmatig misleid en bedrogen

geworden. Zij drongen er op aan, dat men nu eenmaal oprecht de proef

zou nemen met eene waarlijk vredelievende politiek. De regeering

te Washington gaf daaraan gehoor; zij vaardigde eenige Kwakers

als hare gevolmachtigden af om met de Indianen te onderhandelen en

hunne belangen te behartigen. Deze mannen des vredes togen met den

besten wil en de loffelijkste bedoelingen aan den moeilijken arbeid;

zij wilden inderdaad de humaniteit bevorderen en aan het bestaande

onrecht een einde maken:--maar al hunne inspanning was vergeefs. Zij

waren een doorn in het oog der blanke kolonisten, tuk op landroof,

en der scharen van bedriegers en schacheraars, die als roofvogels door

de territoriën rondzwerven en op alle mogelijke wijze de inboorlingen

plunderen. Al deze lieden hebben rechtstreeksch belang bij een oorlog

tegen de Indianen: zij nemen de noodige leveringen voor de troepen

aan en bestelen de regeering. Deze schelmen hebben natuurlijk in

het Congres ijverige advokaten en machtige beschermers, die met hen

gemeene zaak maken en in de winsten deelen; zoolang het nu vrede is,

kan er van die winsten geene sprake zijn: alzoo moet een of ander

voorwendsel gevonden worden om een oorlog met de Indianen uit te

lokken, dan gaan de zaken weer haar gang: en dat is toch voor iederen

echten Yankee de ééne hoofdzaak. Deze lieden werkten de welmeenende

Kwakers en de weinige vredelievende en eerlijke planters op alle

mogelijke wijzen tegen; en nu zij een onhoudbaren toestand in het

leven hebben geroepen, wordt door hen en hunne omgekochte organen

luide verkondigd, dat met "het roodhuidig ongedierte (_vermin_)"

geen vrede mogelijk is, en dat zij, in het belang van beschaving en

christendom(!) volledig moeten worden uitgeroeid!

Van Dakota tot aan de kust van zuidelijk Oregon, in de prairieën en

in de landstreken van het zuidwesten, overal zijn de indiaansche

stammen in beweging gekomen; allen zijn zij den blanken vijandig,

omdat de Yankees tegenover allen, op de schandelijkste wijze, hun

woord gebroken hebben; omdat allen door hen mishandeld zijn op eene

manier, die inderdaad ten hemel schreit.

Ook de Apachen zijn zwaar gekrenkt en snood bedrogen geworden. Indien

Kotchise nu sedert twaalf jaren in vijandschap met de Yankees leeft,

zoo heeft hij daartoe voorwaar alleszins reden. Het is bewezen dat

een officier der bondstroepen, Bascom genaamd, op verraderlijke

wijze, afgezanten van Kotchise, die met vredesvoorstellen tot hem

gekomen waren, onder een nietig voorwendsel liet ophangen, en dat

Kotchise zelf slechts ter nauwernood, door eene overhaaste vlucht,

aan een gelijk lot ontkwam. Het is waarlijk niet te verwonderen, dat

hij tot dusver alle vleiende uitnoodigingen om den "grooten Vader"

in Washington te komen bezoeken, van de hand heeft gewezen: hij weet

bij ondervinding hoe valsch en verraderlijk de Yankees zijn. Zelfs de

vredesonderhandelaren Colyer en Howard, die het toch eerlijk meenden,

vertrouwde hij niet; maar toch bood hij aan, zich vrijwillig in het

hem aangewezen gebied terug te trekken. In het gebergte waarheen hij

de wijk genomen heeft, kan men weinig tegen hem uitrichten.

In Februari zwierf hij met eenige duizenden zijner krijgslieden door

de mexikaansche provincie Sonora rond, waar de amerikaansche generaal

Crook hem niet bereiken kon. Tegenwoordig is dat gewest bij voorkeur

een "bloedige grond", zooals dit vroeger Arizona was. Hoewel zelfs

van amerikaansche zijde meermalen openlijk is erkend, dat het ongelijk

hoofdzakelijk aan de zijde der blanken was, houden toch de planters, de

agenten der regeering, de leveranciers der troepen, de gouddelvers, in

één woord al die lieden die bij een indiaanschen oorlog belang hebben,

met al hunne aanhangers en vrienden, niet op, de noodzakelijkheid en

de rechtmatigheid van een verdelgingskrijg tegen dat "ongedierte" te

verkondigen. Blanken en Indianen, zoo heet het, kunnen niet vreedzaam

naast elkander leven; de Apachen zijn duivels, de geesels des lands,

die uitgeroeid moeten worden. Binnen de hun aangewezen landstreken

blijven zij toch niet; zij overschrijden telkens de grenzen, rooven

en plunderen en richten overal schade aan.

Het is volkomen juist, dat de Apachen, wanneer hun dit maar

eenigszins mogelijk is, hunne _reservations_ verlaten, en naar de

minder onvruchtbare streken trekken, waaruit zij door de blanke

kolonisten verdreven zijn. Daarbij komt het niet zelden, door de

schuld van beide partijen, tot botsingen en bloedvergieten. Men kan

echter niet loochenen, dat vele Indianen "niet slecht" zijn, en dat

onderscheidene hoofden zich inderdaad moeite geven, den vrede met

de blanken in stand te houden. "Maar de blanke burgers maken geen

onderscheid", schrijft een berichtgever van de _New-York Herald_, die

blijkbaar de bestaande toestanden, zooveel mogelijk, naar waarheid

wil teekenen. De Indianen, zoo zegt hij, hebben zich over veel te

beklagen. Men heeft hen gedwongen, hunne oude jachtvelden te verlaten,

en zich binnen onvruchtbare _reservations_ op te sluiten, waar zij niet

genoeg te eten vinden. Zij willen niet verhongeren, niet rustig toezien

dat hunne kinderen van gebrek omkomen, terwijl in de onmiddelijke

nabijheid vruchtbaar land te vinden is, dat vroeger hun eigendom was,

en waaruit men hen met geweld verjoeg. Wel verschaft de bondsregeering

de noodige middelen, om in het te kort komende te voorzien, maar de

agenten en andere lieden houden een groot deel van hetgeen voor de

Roodhuiden bestemd was, voor zichzelf. De blanke kolonisten zien daarin

niets onbehoorlijks; zij denken aan niets anders dan aan de schade,

die zij reeds herhaaldelijk door de schuld der Indianen geleden

hebben, en houden zich overtuigd, dat er geen vrede en veiligheid

denkbaar is, zoolang de wilden in hunne nabuurschap blijven. Maar de

officiëele bescheiden in het departement van binnenlandsche zaken te

Washington leeren onwedersprekelijk, dat de Indianen van Arizona en

Nieuw-Mexiko, sedert zestien jaren, ernstig den vrede gezocht hebben;

en dat de agenten der regeering bij herhaling op hot toestaan der

noodige middelen hebben aangedrongen, opdat de inboorlingen, in de

hun aangewezen _reservations_, niet van gebrek zouden omkomen. Nog

in den allerlaatsten tijd gaven zij hun verlangen te kennen, naar het

Indianen-territoir, ten westen van Arkansas, te mogen trekken, omdat

zij in de hun nu aangewezen streken geen voldoend voedsel konden

vinden. De Apachen waren, ondanks den kwaden roep van bijzondere

bloeddorstigheid, die van hen uitging, vrienden der Amerikanen, toen

zij voor het eerst met dezen in aanraking kwamen; toen men hen in 1858

over eenige _reservations_ verdeelde, lieten zij zich dit welgevallen,

toonden zich vlijtig, verstandig en voor beschaving en ontwikkeling

vatbaar. Maar sedert de Yankees de leer der Mexikanen zijn toegedaan,

dat de oude ingeborenen des lands hoegenaamd geen recht op den grond

hebben en uitgeroeid moeten worden; sinds zij die theorie ook ijverig

in de praktijk zijn begonnen toe te passen, hebben zij zich natuurlijk

de Indianen tot onverzoenlijke vijanden gemaakt, die zich nu op alle

mogelijke wijzen op hunne verdrukkers wreken.

In het jaar 1871 was een aanzienlijk aantal Indianen bij Camp-Grant

in Arizona vereenigd. Zij hadden geen ander doel dan zich vreedzaam

op de naburige _reservations_ te vestigen, en zich aan het gezag der

regeering te onderwerpen; geene enkele vijandelijkheid was van hunne

zijde gepleegd. Op zekeren nacht, toen zij rustig in hunne tenten

lagen te slapen, werden zij door een troep blanken overvallen, die

niet minder dan honderd-achttien indiaansche vrouwen en kinderen

vermoordden!--Eenige maanden later bracht men weder een aantal

vriendschappelijk gezinde Apachen bijeen, en aanstonds werd er

nogmaals een poging beproefd om ze allen te vermoorden. Reeds waren

een menigte burgers uit Tucson--de hoofdstad van Arizona--vergezeld

van Mexikanen en een troep met hen verbonden Papayos-Indianen met dat

doel op weg gegaan, toen kapitein Nelson van hunne nadering bericht

kreeg, en hun verbood hun tocht te vervolgen. Zij beweerden, naar goud

te willen zoeken: in ieder geval moesten zij hun weg nemen door de

_reservation_, hetgeen bij de wet uitdrukkelijk is verboden. Nelson

liet zijn soldaten oprukken, en dreigde vuur te zullen geven, wanneer

de troep nader kwam: ziende dat het den braven krijgsman ernst was,

trokken de laffe moordenaars terug.

De Apachen beklagen zich, dat bij den nachtelijken overval bij Camp

Grant zeven en twintig van hunne kinderen gevankelijk zijn weggevoerd,

waarvan er slechts vier weder zijn teruggegeven. Zeer waarschijnlijk

zijn de overigen naar Mexiko gebracht en daar verkocht. Alle moeite,

die de Indianen zich gaven om hunne kinderen terug te vinden, bleef

vruchteloos; wellicht heeft Kotchise zijn laatsten tocht naar Mexiko

ook met het doel ondernomen, om hen, zoo mogelijk, te verlossen. De

Apachen zijn wantrouwend geworden, omdat men hen op de schandelijkste

wijze bedroog, hen met een witte vredevlag naderde en aldus misleidde,

om hen dan plotseling te overvallen en een slachting onder hen aan

te richten.

De strengste afkeuring verdient het, dat men den Indianen, die in de

hun aangewezen landstreken blijven, tegen het uitdrukkelijk verbod

der regeering in, brandewijn verkoopt. In beschonken toestand zijn

zij tot alles in staat, ware wilden. De mexikanen, wetende hoezeer

de Roodhuiden op sterken drank verzot zijn, en welke noodlottige

gevolgen het gebruik daarvan voor hen heeft, voorzien hen daarvan

op heimelijke wijze: een bedrijf, waarin de Yankees natuurlijk

niet achterblijven. Amerikaansche handelaars en mexikaansche

landloopers onteeren de vrouwen, bedriegen en bestelen de mannen,

voeren de kinderen weg. Om de bevelen der bondsregeering bekommert

zich niemand. Alle pogingen om deze booswichten te verdrijven,

zijn volkomen ijdel gebleken, wel wetende dat zij veel vermogende

beschermers hebben, die de winsten met hen deelen, zetten zij, alle

wetten ten spot, hun snood bedrijf ongehinderd voort.

De _Tolorasa-reservation_, aan de grenzen van Sonora, heeft Kotchise

verlaten, omdat zij voor de Indianen volstrekt onbruikbaar is. Men

heeft hen, zooals bekend is, tegen hun wil gedwongen derwaarts te

gaan: toch lieten zij zich dit welgevallen, tot hun de volle waarheid

bekend werd. Nu beklaagden zij zich dat de streek, waarbinnen men

hen gebannen had, ongezond en koud was, en dat er ook geen water was

te krijgen. Niemand kan ontkennen dat deze klachten, in meer dan een

opzicht, volkomen gegrond waren; maar het is onmogelijk de Apachen naar

hun vroeger verblijf terug te brengen: want daar hebben zich blanken

gevestigd, die geen Indianen in hun midden dulden. In de _reservation_

heerscht ontegenzeggelijk gebrek aan water; de blanke kolonisten

(Rancheros) hebben de landen hooger langs de rivieren gelegen in bezit

genomen, en gebruiken het water tot bevloeiing hunner velden, zoodat

de akkers der Indianen uitdrogen en verdorren: het zou hun dus weinig

gebaat hebben, het land te bebouwen, daar toch op geen oogst te rekenen

viel. Het is bewezen, dat in eene dezer _reservations_, ongeveer

vijftig Apachen binnen eene maand tijds, ten gevolge van het slechte

drinkwater, stierven. In zulke omstandigheden valt de ontevredenheid

der Indianen licht te begrijpen. En wanneer men overweegt, hoe

talloos vele malen de blanken ook de plechtigste verbintenissen en

beloften tegenover hen geschonden en als niets geacht hebben, en hoe

men het stelselmatig op hunne uitroeiing toelegt:--dan is het ook

zeer gemakkelijk te begrijpen, dat zij niet veel vertrouwen stellen

in eene regeering, die zulke schandalen niet wil of niet kan beletten.

De correspondent van de _New-York Herald_ verzwijgt wijselijk zijn

naam en woonplaats: het zal hem maar al te wel bewust zijn, welk lot

ieder, die de waarheid durft zeggen, van de blanke bandieten te wachten

staat. Hij verhaalt verder, dat voor korten tijd ongeveer tweehonderd

Mormonen naar Arizona zijn gekomen, en zich daar in de streek langs den

35° breedte hebben gevestigd, waar de spoorweg wordt aangelegd, die de

_Southern-Pacific_ van Californië met de _Atlantic-and-Pacific_-baan

verbinden moet. Hij merkt daarbij zeer te recht op, dat de Mormonen

altijd en tot den huidigen dag steeds in de beste verstandhouding met

de Indianen hebben geleefd. Waarom dan zijn anderen er niet evenzeer

in geslaagd, op vreedzamen voet met hen te verkeeren?

De troepen der Vereenigde-Staten zijn op dit oogenblik ook in krijg

gewikkeld met een ander opperhoofd, de Éénoogige Riley genaamd. Deze

aanvoerder der Apachen had voor eenigen tijd een mondgesprek met den

overste Dudley, waarbij hij hem mededeelde, dat hij gaarne met zijne

lieden naar de aangewezen _reservation_ wilde gaan; zij allen waren

het verblijf in holen en wildernissen, het omzwerven door het ruwe

bergland, waar het leven voor de vrouwen en kinderen te vermoeiend

en te bezwaarlijk was, van harte moede; zelfs het drinkwater moest

men daar van uren ver gaan halen. Bovendien werden zij overal als

wilde dieren nagejaagd en vervolgd; de hazen en konijnen hadden een

dragelijker leven dan zij. "Wij lijden honger, wij moeten stelen

of van gebrek omkomen. Uwe soldaten hebben ons van onze maïsvelden

verdreven; het wild is hier zeldzaam, en wij wagen het ook niet op

de jacht te gaan, omdat wij weten dat men op ons loert. Gijlieden

hebt vier van mijne kinderen gedood--de tranen sprongen hem hierbij

uit de oogen;--maar toch wil ik een grooten dikken vrede sluiten,

en eene rots daarop rollen; en van mijne zijde zal de vrede trouw

gehouden worden, tot dat een regenbui het rotsblok wegspoelt."--Riley

vroeg toen vijf dagen tijd, om met zijne lieden, met Del-Schay en

andere hoofden te raadplegen. De overste Dudley verklaart dat hij

gedurende zijn zeventienjarige dienst in het gebied der Indianen,

nog nooit bij een Roodhuid zooveel gezond verstand had gevonden als

bij dezen éénoogigen Riley.

In Januari 1873 werd eene Apachenbende door eene afdeeling

van het vijfde regiment ruiterij aangevallen en neêrgesabeld;

tegelijkertijd werd eene andere bende in het gebergte bijna geheel

uitgeroeid. Deze laatste behoorde tot de volgelingen van Riley en

Del-Schay. Laatstgenoemde had in November 1871 eene samenkomst met

Colyer, die over den vrede kwam onderhandelen, en zeide tot hem:

"Het bevalt mij niet, langer in het gebergte om te dolen; ik wil

een duurzamen vrede sluiten en mijn woord houden, tot de steenen

smelten. God schiep den blanke, en Hij schiep ook den Apache, en de

Apache heeft evenveel recht op dit land als de blanke. Wanneer ik

een verdrag sluit, dan vertrouw ik, dat men mij tarwe-, pompoen-

en meloenzaad zal geven; dat zal ik dan nabij het oude fort Reno

zaaien. Wanneer het verdrag gesloten is, en de bevelvoerende officier

zijn woord niet houdt, dan zal ik zijn woord in een gat wegstoppen

en dat met vuiligheid bedekken. Ik beloof dat, na het sluiten van het

verdrag, de blanke lieden en de soldaten hunne paarden en muildieren

onbewaakt in het veld kunnen laten; en wanneer dan nog een enkel dier

door de Apachen gestolen wordt, wil ik mij den hals afsnijden. Wanneer

echter de Amerikanen het verdrag breken, dan zal het verder geen

gevolgen hebben; zij gaan dan hun weg en ik ga den mijnen."

Tegen alle Apachen, die hunne _reservations_ verlaten hebben, werd

nu rusteloos krijg gevoerd; blanke vrijwilligers en ook indiaansche

bondgenooten, zooals de Pimos van de Rio-Gila en de Papayos, sloten

zich bij de amerikaansche soldaten aan. In September 1872 werden vier

indiaansche legerplaatsen overvallen, veertig Apachen gedood, een groot

aantal gewond, de vrouwen en kinderen ditmaal niet vermoord, maar

gevangen genomen. Eenige dagen later werden door eene rondzwervende

bende zeventien gewapende Apachen doodgeschoten; in Januari van dit

jaar zijn er wederom meer dan honderd om het leven gebracht.

"Ons, Amerikanen, heeft de oorlog in Arizona, gedurende de laatst

verloopen twaalf jaren, duizende menschen en ongeveer veertig millioen

dollars gekost: en toch is het doel, de volkomen uitroeiing der

Apachen, nog niet verwezenlijkt. Voortaan zal de oorlog nog veel

bloediger worden, en zich over eene grootere uitgestrektheid lands

verbreiden. Op de verzekeringen en beloften van Kotchise en de

andere hoofden valt nu niet meer te rekenen. De blanke kolonisten

dringen op doortastend handelen aan; en ongetwijfeld zullen ook een

aantal Mexikanen over de grenzen komen, om tegen hunne erfvijanden

te strijden. De vredelievende staatkunde is niet geslaagd."

Wij hebben deze correspondentie uit de _New-York Herald_ uitvoerig

medegedeeld, omdat juist uit deze bijzonderheden ten duidelijkste

blijkt, hoe de zaken eigenlijk staan, en welke waarde men te

hechten hebbe aan de luide declamaties der Yankees tegen het

"wilde ongedierte." Het ware "ongedierte" zijn de blanke schurken,

roovers en landdieven, die in de door Indianen bewoonde streken hun

afschuwelijk handwerk drijven. De gansche blanke bevolking in het

uitgestrekte territoir Arizona, dat niet minder dan 5358 duitsche

vierkante mijlen beslaat, beloopt ter nauwernood tienduizend zielen;

de volkstelling van 1870 geeft slechts een cijfer van 9658 zielen.

Het ligt in het minst niet in onze bedoeling, de Apachen van alle

schuld vrij te pleiten, en hen, in zekeren zin, tot een soort van

idyllische ideaal-menschen te maken; wij wenschten slechts te doen

uitkomen dat de blanke, zoogenaamd christelijke barbaren, die op

hunne beschaving roem dragen, in geen enkel opzicht beter zijn dan de

heidensche Roodhuiden, die van hun kant geen aanspraak op beschaving

maken. Deze Indianen zullen het lot niet kunnen ontgaan dat hen

onvermijdelijk wacht, en dat reeds zoo talloos vele indiaansche stammen

getroffen heeft; de natuur zelf heeft hun het vermogen onthouden, eene

andere levenswijze aan te nemen, hunne steppen en prairiën vaarwel

te zeggen, en zich in dorpen of steden op landbouw of handwerk toe

te leggen. De beschaving, die hen niet geleidelijk wordt aangebracht

en zich uit hen zelven ontwikkelt, maar plotseling en wel van hare

slechtste zijde op hen aandringt,--kunnen zij niet aannemen; in den

schok, dien eene dergelijke aanraking overmijdelijk veroorzaken moet,

gaat de zwakkere reddeloos te gronde. Dit rechtvaardigt evenwel de

schandelijke handelwijze der blanken niet, die van hunne meerderheid,

in ieder opzicht, zoo gruwelijk misbruik maken; en in stede van naar

vermogen te trachten, van deze rampzalige stammen te redden en te

behouden wat nog te behouden is, met alle mogelijke middelen hun

ondergang verhaasten.

De Apachen vormen twee groote hoofdgroepen, die zich weder in een groot

aantal kleinere afdeelingen of stammen splitsen, die ieder hun eigen

opperhoofd hebben. Zij zijn zeer verbreid in het zuidwesten van de

Vereenigde-Staten en in de noordelijke streken van Mexiko. De Apachen,

die ten oosten van de Rio del Norte wonen, worden _Mescaleros_ genoemd,

naar een van de hoofdbestanddeelen hunner voeding, den _mescal_, dat

is de gebakken wortel van den maguëy, de _Agave americana_. Talrijker

is de groote groep, die zich ten Westen van de genoemde rivier

ophoudt, voornamelijk in Arizona. Men noemt hen _Coyoteros_, omdat

zij voornamelijk van het vleesch van den jakhals der prairiën,

den _coyote_, leven. Alle Apachen zijn nomaden, die voor een goed

deel van roof en plundering leven; zij voeren hunne tenten met zich,

en eerst in de laatste jaren hebben sommigen, aan den aandrang van

vreemden gehoor gevende, zich aan landbouw gewijd. Deze proefnemingen

zijn echter in den regel mislukt, omdat eene bestendige, aanhoudende

werkzaamheid met hunne gansche natuur in strijd is: zij kunnen zich

daarin niet schikken.

Met de Mexikanen leven zij, zooals wij reeds zeiden, van oudsher in

vijandschap; zij waren steeds en zijn nog de grootste vijanden der

planters, wier kudden zij voortdurend rooven; zelf hebben zij noch

zin noch talent voor de veeteelt. Zij strekken hunne strooptochten tot

Sonora, Chihuahua, ja zelfs tot Durango, uit: voor al deze grenslanden

zijn deze Apachen een ware geesel geworden. De vervolgingen en

mishandelingen, die zij van de Mexikanen moesten ondergaan, hebben

eindelijk dit resultaat opgeleverd, dat de gansche uitgestrekte

landstreek van Nieuw-Mexiko tot Durango, door hun toedoen, tot een

wildernis is geworden. Zij kunnen en willen niet van honger sterven,

en daarom kunnen zij niet voortdurend in vrede leven.

Alle Indianen der prairiën, aan deze en aan gene zijde van het

Rotsgebergte, zijn thans voor de blanken, en in de allereerste plaats

door de schuld der blanken zelf, in onverzoenlijke en ondragelijke

vijanden verkeerd. Zij hebben meermalen gansche wagentreinen

overvallen en geplunderd, en geheele troepen-afdeelingen op de

vlucht gedreven. Moord en doodslag gaat ongehinderd zijn gang, en de

eene partij geeft daarin der andere niets toe. Toen, nu omstreeks

vijf-en-twintig jaar geleden, de Vereenigde-Staten in oorlog waren

met Mexiko, kwamen de Apachen overal in beweging; zij overstroomden

den ganschen staat Zacatecas, trokken door de poorten der hoofdstad

binnen en skalpeerden eenige blanken midden op de markt. Geheel

Sonora was in hunne macht; in de stad Oputo brachten zij op éénen dag

honderd-twee-en-dertig blanken om het leven; de Yaquis bestormden de

havenstad Guaymas aan de golf van Californië; de Opatas overmeesterden

Hermosillo, en de Pimos hadden zich in Los Ures genesteld. In het

oosten verschenen de ruiterbenden der Comanchen in de stad Austin

in Texas, en zetten hunne strooptochten voort tot aan de kusten der

golf van Mexiko, overal plunderend, blakend en moordend; terwijl

gelijktijdig de woeste krijgskreet van andere indiaansche benden over

de prairiën ten noorden van de Arkansasrivier weergalmde.

De uitroeiing van deze wilden is geene gemakkelijke taak; de

ondervinding heeft dit nu pas nog geleerd ten aanzien van den kleinen

stam der Modocs, die door de Yankees even verraderlijk en slecht

waren behandeld geworden. Vijanden, die duizende ruiters in het veld

kunnen brengen en, op hunne vlugge paarden gezeten, in vliegenden ren

vijftig mijlen per dag over de grazige vlakte der prairie of de dorre

steppe afleggen, zijn niet gemakkelijk te bereiken en nog moeilijker te

verslaan. De aangevangen verdelgingsoorlog zal nog menig offer vorderen

en stroomen bloeds doen vloeien, zal tot ongehoorde gruwelen en

hemeltergende boosheden aanleiding geven; de amerikaansche republiek,

door velen, die haar niet kennen, zoo onverstandig geprezen, zal een

nieuwe, zware bloedschuld op zich laden;--toch kan de uitslag niet

twijfelachtig zijn. De Indianen kunnen zich in de nieuwe toestanden,

door het voortdringen der beschaving, of althans van hetgeen daarvoor

doorgaat, onvermijdelijk geworden, niet schikken; zij kunnen hunne

natuur niet veranderen:--daarom zullen ook zij, als reeds zoovelen

van hunne broeders en stamgenooten, reddeloos te gronde gaan.

De Verdelgingsoorlog der Yankees tegen de Apachen-indianen De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 1 / 5 题