De stoel, waarop Charly Brand zat, werd minstens een halven meter
achteruitgeschoven.
Met groote oogen staarde Charly Brand den zoon van het Hemelsche Rijk
aan.
Was de kerel gek of wat bezielde hem?
Waarschijnlijk kende hij niet genoeg Engelsch en bedoelde hij een ander
woord voor „stelen”.
„Gij staat mij zeker toe, Sir, dat ik u verbeter. De meubelen zijn niet
gestolen, maar gekocht.”
„Ik weten alles,” glimlachte de Chinees. „De meubelen gekocht zijn,
maar het geld, dat ervoor noodig, zijn gestolen.”
„Sir!” stoof Charly Brand op, „gij bevindt u in het huis van een
gentleman, van een baron!”
De Mongool glimlachte geheimzinnig en sprak door zijn neus:
„Ik weten alles! Ik zelf dief ben en gij klein diefje zijn. Gij nog
niet geslepen genoeg zijn!”
De jonge man wist niet of de grond links of rechts onder hem draaide.
Hij begreep niets van dien geheimzinnigen bezoeker en wist niet, wat
hij moest doen. Zenuwachtig keek hij naar den Chinees, die was
opgestaan en uit een sigarettenétui, dat Raffles had laten liggen, een
sigaret nam.
Op zijn gemak begon hij te rooken en bekeek onderwijl het kostbare, met
diamanten en robijnen bezette étui.
Charly Brand werd bleek van schrik, toen de Chinees met zijn vervelend
geluid sprak:
„Zeer schoon étui, ik zulk werk mooi vinden en meenemen.”
Op hetzelfde oogenblik had hij het étui in een der zakken van zijn wijd
bruinzijden overkleed laten glijden.
Nu werd het den secretaris al te erg. Hij ging naar den Chinees toe,
legde zijn hand op diens arm en sprak:
„Ik hoop, Sir, dat gij schertst. Het étui moogt gij u niet toeëigenen.”
„O, waarom niet?” vroeg de Chinees op kalmen, onverschilligen toon. „Uw
vriend, Mr. Raffles, kunnen zich immers een nieuw stelen.”
De jonge man greep den arm van den Chinees met ijzeren vuist beet en
trachtte hem het étui met de vrijgebleven hand weer uit den zak te
halen.
„Laat mij los!” klonk het dreigend terug, „of gij kunnen vliegen als
een elastieken bal in den hoek.”
„Vervloekt!” schreeuwde Charly Brand, „een dergelijke brutaliteit heb
ik nog nooit beleefd. Geef het étui terug of ik neem het met geweld.”
In het volgende oogenblik echter vloog hij als een voetbal midden door
de kamer en viel in een hoek op het tapijt neer.
Maar als een kat sprong hij weer op, haalde een Browningpistool uit
zijn zak te voorschijn en hield dat den Chinees dreigend voor.
„Geef het ding terug of ik schiet!”
„Gij zijt weinig beleefd,” sprak de Mongool, kalm doorrookend.
„Hoe komt gij ertoe om mij nog te sarren, nu gij u eerst op een manier
hebt gedragen, die u werkelijk het recht beneemt, een ander te
critiseeren? Gij steelt het étui van mijn vriend, gij gooit mij als een
elastieken bal in den hoek en zegt dan nog tegen mij, dat ik niet
beleefd genoeg ben tegenover u.”
Daar barstte de Chinees plotseling in een luid gelach uit. Charly Brand
keek verbaasd op, want dit lachen kwam hem buitengewoon bekend voor.
En nu klonk, inplaats van het neusgeluid van den bezoeker de welbekende
stem van zijn vriend, die uitriep:
„Steek die proppenschieter weer in je zak, mijn beste jongen. Ik heb
maar eens willen zien, of mijn vermomming onberispelijk is. Ik zie, dat
het in orde is en dat jij noch Joe mij hebben herkend!”
„Ben je het werkelijk?” vroeg Charly Brand en liep aarzelend, nog
steeds het wapen in de hand houdend, naar Raffles toe.
„Ja, ik ben het werkelijk!” herhaalde deze, „en ik ben blij, dat ik
zulk een schitterend succes had als Su-Ki-Bit-Wou-Wang.”
„Ongelooflijk!” sprak Charly, „wat zou jij een groot tooneelspeler zijn
geworden, Edward!”
„Mijn lieve Charly, om een groot tooneelspeler te zijn, is het
noodzakelijk, dat men op de planken staat en beschilderde coulissen van
linnen als milieu heeft. Ik ben van meening, dat men in het werkelijke
leven een veel grooter acteur moet zijn, als men succes wil hebben.
„Doch maak je nu gereed en steek je in de uniform van een
gardeluitenant, dan gaan wij—”
Een half uur later verliet het tweetal in een cab de woning van Lord
Lister om zich naar den schouwburg te begeven.
De Londenaren, die gewend zijn, vreemdelingen te zien, keken gedurende
de voorstelling toch vol belangstelling naar den Chinees, die naast een
gardeluitenant in een loge dichtbij het tooneel zat.
John Raffles interesseerde zich intusschen het meest voor een zijloge,
waarin een zwartharige dame zat met fonkelende oogen, die blijkbaar in
de beste stemming den naast haar zittenden gentleman pikante dingen in
het oor fluisterde, waarover deze, zonder op zijn omgeving te letten,
luidkeels lachte.
„Wie is die dame? Ken je haar?” vroeg Charly Brand op zachten toon.
„Ja!” sprak de Chinees door zijn neus. „Het is een der sterren van ons
Drury Lane theater, Miss Martha Raabe.”
„En wie is de heer, die naast haar zit?”
„Ik heb haar den naam een paar keer hooren noemen. Dat is de beroemde
Edwin Harper, de voorzitter der Vereeniging ter bevordering der goede
zeden. Daar ontbreekt Mr. Baxter nog maar aan om een waardig klaverblad
te vormen.”
„Het zou ook een klaverblad van vieren kunnen worden,” sprak Charly
Brand, „als Baxter ook met een dame kwam!”
Op dit oogenblik ging de deur open en—politie-inspecteur Baxter trad
binnen in smoking, met een roode anjer in het knoopsgat, terwijl aan
zijn arm zweefde een slanke sylphide met eigenaardige roodblonde
krulletjes, een brutaal wipneusje en met zulke slanke vormen, dat zij
veel overeenkomst vertoonde met een Engelsche rijzweep.
Ook zij was buitengewoon vroolijk, klopte den inspecteur voortdurend op
den schouder en noemde hem „mijn dikkertje”, terwijl hij haar teeder
met „schatje” aansprak.
Mr. Harper begroette haar met een vertrouwelijk lachje en hij sprak met
zijn dikke stem:
„Goeden avond, Miss Hansch.”
Daarop wendde hij zich tot Baxter, dien hij reeds met jij en jou
aansprak:
„Zeg eens, doe mij het genoegen, hier naast mij te komen zitten, opdat
Martha niet meer naar die loge daar kan kijken, waar die vervloekte
Chinees zit. Zij stelt, geloof ik, veel te veel belang in de
slangenoogen van dien kerel.”
„Allright,” antwoordde de inspecteur en nam op den aangewezen stoel
plaats, zoodat zijn arm dien van Raffles bijna aanraakte.
De tooneelspeelster met de zwarte schitteroogen sprak op eenigszins
beleedigden toon:
„Je maakt je belachelijk, Edwin, denk je heusch, dat ik verliefd zal
worden op een Chinees?”
De slanke Miss Hansch lachte spottend en sprak:
„Nu, hoor eens, jij doet precies alsof Mr. Harper knapper was dan de
Chinees. Ik denk, dat wij het eerst verliefd worden op den persoon, die
het meeste geld heeft.”
De gentleman wierp haar een woedenden blik toe, dien zij met een
brutaal lachje beantwoordde.
Daarop sprak hij:
„Wel, als het op het meeste geld aankomt, dan denk ik mij wel met den
Chinees te kunnen meten. Ik heb Miss Martha vandaag 1000 pond sterling
gegeven.”
De oogen van Miss Hansch fonkelden van hebzucht, toen zij die hooge som
hoorde noemen.
„Is dat waar, Martha?” vroeg zij op spijtigen toon.
„Natuurlijk,” antwoordde deze, „waarvoor is hij anders bankier?”
Daarop wendde Miss Hansch zich tot Baxter met de woorden:
„Heb je gehoord, hoe netjes je vriend zich tegenover mijn vriendin
heeft gedragen?”
De inspecteur knikte toestemmend en sprak:
„Zeker, mijn kind, hij is bankier en heeft het geld er voor!”
„Och kom,” lachte het meisje spottend, „met de bankiers is het lang
niet altijd zuiver spel. Ik heb al verscheiden van hen uit Londen zien
verdwijnen, nadat zij den armen menschen hier hun geld afhandig hadden
gemaakt.
„Ik moet ook zoo eentje zien te vinden.
„Jij bent gierig. Welk beroep heb je eigenlijk?”
De inspecteur van politie, die de kleine actrice pas sinds een paar
dagen kende, durfde haar zijn werkelijke betrekking niet noemen en daar
hij niet wist, wat hij zou antwoorden, sprak hij:
„Ik ben president!”
Beide dames keken hem met scherpe blikken aan, daarop sprak Miss
Hansch:
„Wat voor een soort van president?”
„Dat komt er niet op aan,” antwoordde Baxter.
„Ja,” lachte Harper, „als je dat zoudt hooren, zou je vreeselijk
schrikken en misschien hard wegloopen.”
„Zoo?” lachten zij beiden, „is hij misschien president van de
rechtbank?”
„Och, vraag toch niet verder,” weerde Baxter af, „kijkt nu naar de
voorstelling en dan gaan wij soupeeren.”
„Zeg”, vroeg Miss Raabe haar vriendin, „heb jij wel eens een verhouding
gehad met een Chinees?”
„Neen,” antwoordde de andere, „jij?”
„Ik zou het graag eens willen,” antwoordde Miss Raabe. „Als men dan
valsch haar noodig heeft, neemt men er doodeenvoudig de vlecht van den
Chinees bij! die zou verrukkelijk bij mijn haar passen.”
„Houdt op met die flauwe aardigheden!” riep Harper uit, „jelui bent
niet erg beleefd. Sinds ik je vandaag dat geld heb gegeven, schijn je
te denken, dat je mijn vriendschap niet meer noodig hebt.”
Miss Raabe lachte.
„Wat is 1000 pond!” sprak zij. „Ik had verleden jaar een vereerder, met
wien ik in Monte Carlo en Nizza ben geweest, die heeft mij zijn geheele
vermogen vermaakt.”
„En wat is er van dien man geworden?” vroeg Baxter.
„Hetzelfde, wat ik met het geld deed. Beide gingen aan den rol. Hij is
nu ergens in Amerika als glazenwasscher.
„Maar dezen keer ben ik verstandiger. Ik laat het geld niet weer door
mijn vingers gaan en als ik 10.000 pond bij elkaar heb, ga ik stil
leven als een voorname dame.”
„Wel”, knikte de bankier, „die 10,000 pond zal je wel gauw bij elkaar
hebben. Van mij alleen heb je tot dusverre 7000 gehad.”
„7000 pond? Drommels, dat is veel geld!”
„Hij heeft het er immers voor,” lachte het meisje, „hij is immers
bankier!”
Bij die woorden maakte zij de beweging van iemand, die geld wegneemt,
zoodat de drie anderen lachten.
„Een net klaverblad,” fluisterde Charly Brand, wien geen woord van het
gevoerde gesprek was ontgaan.
Zijn vriend knikte toestemmend.
Toen John Raffles den schouwburg verliet, sprak hij tot Charly Brand:
„Mijn beste jongen, wil je wel gelooven, dat men Londen werkelijk een
dienst bewees, wanneer men die Vereeniging ter bevordering der
zedelijkheid eens ging ontleden?
„Die Vereeniging moet ontbonden worden, men moet de leden ontmaskeren.
„Men walgt letterlijk, als men bedenkt, dat dit de mannen zijn, die
zedepreeken houden voor het volk. Met deze beide broeders moet ik mij
nader bezighouden.”
Daarop gingen zij soupeeren en reden al vroeg naar huis terug.
Voordat de Groote Onbekende zich ter ruste begaf, sprak hij:
„Ik heb een schitterend plan gemaakt en zal voorloopig als Chinees in
Londen leven.
„Onthoud goed mijn naam: Su-Ki-Bit-Wou-Wang!”