Lord Edward Lister, of, zooals hij zichzelf noemde, John C. Raffles,
was juist met zijn vriend Charly Brand, die reeds verscheiden jaren
zijn assistent was en den Grooten Onbekende als zijn meester
beschouwde, van een Europeesche reis naar Londen teruggekeerd.
De deftige kleine villa in Hydepark, welke hij onder den naam van baron
Walkerfield had gehuurd en volgens zijn smaak op voorname manier
ingericht, was door den kamerdienaar, den ouden Joe, op voorbeeldige
wijze onderhouden.
Met een verheugden glimlach had hij zijn heer ontvangen, die zich
gedurende verscheiden weken in Parijs had opgehouden.
„Nu zijn wij weer thuis, mijn jongen”, sprak John Raffles tot Charly
Brand. „Ik moet je eerlijk bekennen, dat ik altijd, als ik eenige
maanden uit Londen weg ben geweest, heimwee naar onze stad krijg met
haar rustelooze menschenmassa.”
Charly Brand zette een nadenkend en zeer ontevreden gezicht.
„Ik moet zeggen”, sprak hij, een sigaret aanstekende, „dat ik altijd
verlang naar den dag, waarop je mij mededeelt, dat wij Londen gaan
verlaten. Ik sidder op dezen bodem, die altijd gevaar voor jou
oplevert.”
John Raffles lachte vroolijk.
„Je bent toch niet bang voor inspecteur Baxter?”
Hij nam zijn sigarettenkoker en stak er ook een aan. „Mijn beste
jongen, die krenkt mij geen haar. Hij is blij, dat ik hem niets doe.”
„Wie weet”, antwoordde Charly, „misschien heeft hij je met opzet
jarenlang van een zekere veiligheid laten genieten om er zich op een
goeden dag, als hij ze gevangen heeft genomen, op te kunnen beroemen,
dat het alleen hem, den alom gevreesden inspecteur Baxter van Scotland
Yard, is gelukt, om jou den genialen amateur-roofridder, eindelijk
onschadelijk te maken.”
„Geloof je dat werkelijk, mijn beste, jongen?” vroeg zijn vriend. „Ik
verzeker je, zoolang als ik op kalme wijze mijn eigenaardige sport
blijf uitoefenen, is mijn beroep absoluut ongevaarlijk. Alleen dan
wordt het een halsbrekend bedrijf, als ik lichtzinnig ga handelen.
„Dan gebeurt mij precies hetzelfde als dat elken zakenman of burger
passeert: ik ga over den kop!”— —
John Raffles nam, nadat hij deze woorden had gezegd, aan de groote
empire-schrijftafel plaats en begon een mededeeling te schrijven aan
zijn club, waarvan hij lid was, eveneens onder dien naam van baron
Walkerfield, dat hij weer van zijn reis was teruggekeerd.
Charly Brand had zich intusschen met de kranten bezig gehouden, welke
juist door den kamerdienaar waren gebracht en las de nieuwstijdingen.
Toen zijn vriend den brief af had, belde hij en gaf een kamerdienaar
den brief ter bezorging.
Daarop nam ook hij de kranten en vroeg of Charly iets interessants had
gevonden.
„Steeds hetzelfde,” antwoordde deze, „dezelfde misdaden, dezelfde
ongelukken, dezelfde sportberichten. Alleen de namen der persoonen
veranderen. Er is niet veel nieuws onder de zon.”
„Stop!” riep Raffles. „Jij bent nog een onervaren jongmensch, mijn
lieve Charly. Er is een groote massa nieuws, waarvan wij soms niet het
flauwste vermoeden hebben.”
Hij bladerde daarna de kranten door en sprak daarop, met een blik op
het blad, dat Charly in de hand hield:
„Je hebt daar zeker het blad, waarin de nieuwtjes staan uit de
Londensche hoogere kringen. Geef het mij eens.”
Charly Brand blies met aandacht den rook van zijn sigaret in de lucht,
nadat hij zijn vriend het nieuwsblad had gegeven, en sprak:
„Je bent een eigenaardig mensch, lieve Edward; ieder ander leest eerst
het werkelijk interessante, wat er in de wereld voorvalt:
politiek—eventueele oorlogsberichten en dergelijke. Jij daarentegen— —”
„Wees maar gerust”, viel John Raffles hem in de rede. „Je jeugd speelt
je alweer parten. Ik verzeker je, mijn jongen, deze schijnbaar droge
berichtjes, die mij vertellen, dat lord X met de dochter van den
Amerikaanschen beurskoning Smith uit Chicago is getrouwd, of dat
mevrouw v. Z. een eisch tot echtscheiding heeft ingediend tegen haar
echtgenoot, of dat de eigendommen van den Schotsen baron Y. zijn
verkocht—al die berichten zijn voor mij veel interessanter dan wat de
kranten verder op uitvoerige wijze hun lezers vertellen. Dat, wat jij
daar leest is voor de alledaagsche groote massa.
„Maar deze klein gedrukte mededeelingen zijn de werkelijk groote
treurspelen, welke in het geheim worden opgevoerd.
„Toe, stoor mij nu eens een oogenblik niet.”
Hij nam de krant en begon te lezen.
Nauwelijks had hij een paar seconden lang de berichten doorgekeken, of
hij liet plotseling het blad vallen en brak los in een luid gelach.
Charly Brand sprong verschrikt op en liet zijn sigaret vallen.
„Wat is er, Edward? Je doet mij werkelijk schrikken!”
„Neen maar, het is kostelijk, lieve Charly!” riep John Raffles uit. „O,
wat ik hier heb gelezen— —Je moet dit bericht uitknippen.”
„Allright!” sprak Charly Brand. Hij hield namelijk reeds jarenlang als
secretaris van zijn vriend een archief bij, waarin hij alle berichten
uit de kranten verzamelde, evenals alle mogelijke mededeelingen en
opmerkingen, welke op eenigerlei wijze betrekking hadden op Raffles en
welke hij alle zorgvuldig registreerde.
John Raffles had het bericht nogmaals gelezen en lachte opnieuw.
„Zou je mij niet willen vertellen,” vroeg Charly Brand, „waarom je zoo
vroolijk bent? Je schijnt buitengewoon veel plezier te hebben.”
„Zeker,” lachte John Raffles. „Alleen de Engelsche natie bezit zulke
grappenmakers, zulke komieke lui, onze Falstaffs, zooals Shakespeare ze
heeft geteekend.
„Een type daarvan is onze politie-inspecteur Baxter!
„Luister eens, wat hier staat: De Vereeniging ter bevordering der goede
zeden in Engeland vierde eergisteren in hotel Cecilia haar tienjarig
bestaan— —mooi, he?”
Charly Brand antwoordde glimlachend:
„Ik heb nog nooit iets gehoord van het bestaan eene dergelijke
vereeniging.”
„Ik ook niet,” antwoordde Raffles, „en ik had ook nu misschien nog
niets erover gelezen, wanneer een naam mijn aandacht niet had
getrokken.
„Deze naam is het grappige van de geschiedenis.
„Luister naar hetgeen hier verder staat:
„Op den feestavond, waaraan ook werd deelgenomen door den beschermheer
der Vereeniging, den hertog van Norfolk, werd door den president Sir
Edwin Harper, den nieuwen tweeden voorzitter der Vereeniging
geïnstalleerd: den inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard— —
—”
Nu barstte ook Charly Brand in een luid gelach uit, waar zijn vriend
opnieuw mee instemde.
Daarop riep deze uit:
„Dat is een mop, zooals men geen betere kan uithalen in de Vereenigde
Koninkrijken! Men moet Baxter zoo goed kennen als wij, om de
geestigheid, die in deze keus ligt opgesloten, te snappen.
„Deze drinker, om niet te zeggen zuiper, deze Don Juan, deze man, voor
wien deugd eenvoudig niet bestaat— — —die troont nu als president aan
het hoofd van een vereeniging ter bevordering van deugd en
zedelijkheid.
„Mijn hemel, wat een prachtige geschiedenis! Laat ons verder lezen!
„Luister:
„De Vereeniging nam voor het nieuwe jaar de volgende werkzaamheden op
zich:
„Het indienen van een wetsvoorstel betreffende afschaffing der
onzedelijke advertenties, verscherping der theatercensuur en— — —”
John Raffles moest plotseling naar lucht happen en riep, terwijl dikke
tranen van het lachen over zijn wangen rolden:
„Charly, Charly, de minnen zullen worden afgeschaft! De minnen zijn
onzedelijk! Heb je ooit dergelijken nonsens gehoord? Deze mop is bijna
even goed als die, om Baxter te benoemen tot president der Vereeniging—
— —”
„Hoe kan het mogelijk zijn geweest, dat men hem voor een dergelijke
functie uitkoos?” vroeg Charly Brand.
Raffles dacht even na en sprak:
„O, ik geloof, dat die oplossing heel eenvoudig is! Baxter is immer
onze theater-censor en zorgt er, in die hoedanigheid, al sinds jaren
voor, dat wij op het tooneel zoo weinig mogelijk gemeenheden te hooren
en te zien krijgen.”
„Och,” antwoordde Charly Brand, „daar mankeerde het anders niet aan. Ik
herinner mij nog, een paar maanden geleden in een onzer schouwburgen
dingen gezien en gehoord te hebben, die iemand een blos van schaamte op
de kaken tooveren.”
„Nu ja,” antwoordde Raffles, „de directeuren zullen wel over de brug
zijn gekomen om toestemming te krijgen, hun stukken op te voeren.—Ja,
ik herinner mij zelfs, dat de inspecteur een liaison had met een dame,
die verbonden was aan een onzer voornaamste variété-theaters.
„Maar dit heeft natuurlijk niets met zedelijkheid of deugd te maken.
„Doch nu genoeg.
„Kleed je aan en laat ons een wandeling in ons geliefde Londen gaan
maken. Ik verheug er mij op, door de straten te flaneeren!”
„Het is nog een beetje vroeg,” sprak Charly Brand.
„Je hebt gelijk!” knikte zijn vriend. „Wij kunnen nog wachten totdat
het tijd wordt voor de schouwburgen. Ik stel je voor om den avond door
te brengen in het Lyceum-theater en daarna op echt Engelsche wijze
ergens te gaan eten.”
Voordat Raffles zijn woning verliet, voorzag hij zich, daar sinds zijn
laatste zaakje zijn uiterlijk bekend was geworden, van een baard.
Tot dat doel begaf hij zich naar een cabinet naast zijn slaapkamer,
waarin een groote drie dubbele spiegel stond, welke van den vloer tot
aan het plafond van de kamer reikte.
Daarvoor waren electrische lichten aangebracht, zoodat de Groote
Onbekende, als hij voor den spiegel stond, elke lijn van zijn gelaat
kon onderscheiden.
Aan den eenen kant van de kamer stond een groote kast, die uit
verschillende deelen bestond en waarin costuums werden bewaard. Als
deze geopend was, meende men, een theatergarderobe voor zich te zien.
Aan den anderen muur bevonden zich langwerpige kasten, waarin allerlei
soorten schmink en gummimaskers lagen. Verder bevonden zich daarin
allerlei baarden.
De Groote Onbekende overlegde een tijdlang, voordat hij besloot, welke
verkleeding hij zou kiezen. Daarop ging hij naar de kast en nam het
costuum van een voornaam Chinees eruit.
Dit had hij met veel andere zaken van zijn laatste reis meegebracht en
er viel niet aan de echtheid te twijfelen.
Zelfs de naphtalinelucht, die gewoonlijk aan dergelijke kleeren hangt,
ontbrak niet.
Met de uiterste zorgvuldigheid trok Lord Lister het costuum aan en
vergat zelfs de daarbij behoorende onderkleeren niet. Daarop trok hij
de vilten schoenen aan, die er bij pasten en begon zich te schminken.
Daar zijn huid van nature bruin was en door de laatste zeereis nog
donkerder dan gewoonlijk was geworden, had hij in het geheel geen
schmink noodig, maar maakte alleen met een zwarte kleurstof zijn
wenkbrauwen iets langer, zoodat hierdoor de stand der oogen schijnbaar
een andere werd.
Daarop nam hij een in goud gevatten bril, die aan zijn gelaat het
uiterlijk gaf van een Chineesch geleerde.
Ten slotte zette hij het in China gebruikelijke zwartzijden mutsje op,
waaraan een zwarte staart was bevestigd. Daarop stak hij aan zijn
vingers eenige ringen, nam een waaier in de hand en verliet door een
zijdeur het cabinet.
Langs een kleine trap kon hij in de gang van het huis komen, zonder de
studeerkamer, waarin Charly Brand zich bevond, door te gaan.
Toen de Groote Onbekende in de gang stond, opende hij zacht de deur en
belde. Er verliep eenige tijd, daarop werd hem door den ouden
kamerdienaar Joe opengedaan.
John Raffles amuseerde zich over het verbaasde gezicht, waarmee de
trouwe bediende hem aankeek.
Nauwkeurig het neusgeluid van een voornamen Chinees nabootsend, sprak
Lord Lister:
„Ik zij een goed vriend van uw heer baron Walkerfield. Mijn naam is
Su-Ki-Bit-Wou-Wang. Hier mijn kaartje.”
De bediende nam het kaartje, dat de Chinees hem overhandigde en
antwoordde:
„Ik kan niet zeggen, Mr. Su-ki Bat Bung”— —
„Su-Ki-Bit-Wou-Wang”, verbeterde Raffles op nasalen toon.
De oude, welopgevoede man sprak:
„Pardon, Sir, de naam is wel een beetje lang en tamelijk moeilijk voor
mij.”
„O,” sprak Raffles, „wij hebben in China nog veel langere namen. Dit is
maar een heel kleine.”
„Ik zal eens hooren,” antwoordde de kamerdienaar met een buiging, „of
mijnheer de baron u kan ontvangen.”
„O,” zei Raffles, „hij zijn een goed vriend— —ik met u mee ga. Hij zeer
blij zal zijn, wanneer hij mij ziet.”
Joe wist niet, wat hij moest doen. Maar daar het bezoek zeker geen
onaangenaamheden voor zijn heer kon hebben, stond hij toe, dat de
Chinees hem vergezelde.
Charly Brand sprong verschrikt uit zijn fauteuil op, toen de
kamerdienaar met den Chinees binnentrad.
„Pardon, Mr. Brand,” sprak de bediende, „deze gentleman zegt, dat hij
een goed vriend van mijnheer den baron is en dat mijnheer zeer verheugd
zal zijn hem te zien.”
„Ja,” bevestigde Raffles met onuitstaanbaar neusgeluid en met een
vreeselijk accent, „hij heel blij zal zijn, mij te zien. Wij veel te
zamen beleefd hebben in Peking.”
De kamerdienaar ging heen en de secretaris maakte een beleefde buiging
voor den Chinees en sprak:
„Mijn naam is Brand. Ik ben de vriend en vertrouwde van baron
Walkerfield!”
„O, ik dat weten!” antwoordde de Chinees. „Heeft dikwijls de baron
verteld van zijn vriend.”
„Zeer vleiend voor mij,” sprak Charly. „Mag ik vragen met wien ik de
eer heb?”
„Zeer goed,” antwoordde de Chinees, „men mij noemen
Su-Ki-Bit-Wou-Wang”.
Charly Brand maakte weer een buiging. Hij had al het andere verstaan,
alleen den naam van den vermeenden bezoeker niet.
Hij wees met zijn hand naar een fauteuil en verzocht:
„Wees zoo goed, plaats te nemen, Sir, totdat mijn vriend komt. Ik
verwacht hem oogenblikkelijk.”
„Ik zal wachten,” antwoordde de Chinees, terwijl hij plaats nam.
Charly Brand zag, dat de vreemdeling oplettend in de kamer rondkeek.
Na eenige minuten van het diepste stilzwijgen sprak de Chinees:
„Gij wonen zeer mooi hier in Londen. Ik had niet gedacht in China, dat
men hier zooveel als bij ons bij elkaar kon stelen.”