Allen verhieven zich.—

Ook de ongehuwden.

Zijne Hoogheid knikte met een tevreden glimlachje en de voorzitter

sprak:

„Het voorstel van Zijne Hoogheid is met algemeene stemmen aangenomen.

„Als verder onderdeel onzer besprekingen komen de advertenties in de

kranten aan de orde en moeten wij een wet in het leven zien te roepen

om hieraan een einde te maken.

„Geheele pagina’s onzer dagbladen zijn gevuld met afschuwelijke

onzedelijkheid.

„In de eerste plaats zijn het de advertenties van onze

gummifabrikanten, verder die betreffende geneesmiddelen voor allerlei

geheime ziekten, gevolgen van jeugdzonden en dergelijke, in de derde

plaats de advertenties, waarin men onze dames een schoonen boezem wil

bezorgen.

„Ik bid u, mijne heeren, werkt niet reeds het woord boezem onzedelijke

voorstellingen op?

„Men kan gerust aannemen, dat dergelijke aankondigingen verderfelijk op

onze jeugd werken en aanleiding geven tot allerlei ondeugden.

„Er moest dus voor gezorgd worden, dat door de een of andere wet deze

advertenties worden verboden en dat de kranten, die ze toch

publiceeren, met een hooge geldboete of met de gevangenis worden

gestraft. Ik verzoek u, dit voorstel in stemming te willen nemen”.

Weer stonden alle aanwezigen op.

De president vervolgde:

„Zeer zeker zijn de kranten—uitgezonderd de berichten omtrent het hof

en de politiek—het verderf van onzen tijd. Alle soorten misdaden, ik

noem bijvoorbeeld de vergoding van John Raffles— — —”

„Zeer juist!” riep Baxter uit.

De president zag zich genoodzaakt om te herhalen:

„De vergoding van John Raffles. Het beschrijven van allerlei wandaden

is gevaarlijker dan alle mogelijke sensatieromans, want bij deze

laatste twijfelt men er aan, of dat, wat men leest, tot de

mogelijkheden behoort, maar wat in de kranten staat, is helaas

werkelijkheid.

„Ik bid u, mijne heeren, welken invloed moet het hebben op het karakter

van een jong meisje van tien jaar, wanneer het des morgens in de

kranten leest over een vergrijp tegen de goede zeden of op een

jeugdigen knaap, die op de hoogte wordt gesteld van de intimiteiten uit

het particuliere leven van de een of andere hooggeplaatste

persoonlijkheid! Is het niet waar, mijne heeren, dat is een groot

schandaal, het is publieke onzedelijkheid, welke voor iedereen te lezen

staat.

„Aan dit alles moet een einde worden gemaakt en daarover wenschte ik te

beraadslagen.”

De hertog stond op en allen luisterden vol eerbied.

„De oplossing van dit vraagstuk zou heel eenvoudig zijn”, sprak hij,

„wanneer er geen misdaden meer gepleegd werden.”

„Bravo! bravo!” riepen de aanwezigen, terwijl de spreker weer plaats

nam.

„Heeft nog iemand zijn oordeel hierover uit te spreken?” vroeg de

voorzitter en daar niemand het waagde, na den hertog nog iets in het

midden te brengen, verklaarde de voorzitter het zakelijke gedeelte voor

afgedaan en gaf tot algemeene vreugde het teeken om te gaan eten.

Met een honger als wolven wierpen allen zich op de voorgediende

spijzen.

Na korten tijd stond de hertog op en verliet het gezelschap.

Eerst nog had hij Baxter, als hooge onderscheiding, een handdruk

gegeven en deze voelde zich hierdoor zoo vereerd, dat hij vol diep

respect naar zijn hand keek.

Nadat de hertog was vertrokken, begon volgens Engelsch gebruik een

zwelgpartij. Het was reeds na middernacht, toen Baxter, arm in arm met

den president, het hotel verliet om zich op straat te begeven.

„Gaat gij al naar huis?” vroeg Sir Harper den inspecteur.

„Ik ben gewend”, antwoordde deze, „bijtijds te gaan slapen. Mijn dienst

is inspannend!”

„Kom!”, lachte de president, „dan maakt gij heden een uitzondering. Ik

ken hier in de buurt een klein Fransch restaurant, waar uitstekende

champagne wordt geschonken en waar men zich kostelijk amuseert. Gij

moet dat leeren kennen.”

„Natuurlijk!” antwoordde de chef van Scotland Yard, „als gij erop

gesteld zijt, dat ik u vergezel. Ik ben geen spelbreker.”

Zij behoefden niet ver te loopen en gingen van het Strand een kleine

zijstraat in. Zij bleven staan voor een huis, waaraan in geen enkel

opzicht te zien was, dat er nog leven in heerschte.

Aan de deur bevond zich een ouderwetsche klopper, dien zij meermalen in

beweging moesten zetten.

Na eenig wachten werd de deur geopend en een oude man, die er uitzag

als een kamerdienaar, maakte een buiging en sprak in het Fransch:

„Goeden avond, heeren!”

Daarop gingen zij binnen, terwijl de bediende de deur geruischloos

achter hen sloot.

Beide heeren ontdeden zich in de deftig ingerichte, met zware tapijten

belegde voorkamer van hun overjassen en Baxter hoorde het gedempte

lachen van vrouwenstemmen, het klinken van wijnglazen en de zachte,

welluidende tonen van een Zigeunerkapel.

Baxter keek verbaasd om zich heen, wat de president zag.

„Ja, ziet gij, mijn waarde”, sprak deze, terwijl hij voor een der

spiegels zijn haar in orde maakte, dat zich uiterst spaarzaam op zijn

spiegelgladden schedel vertoonde, „telkens na zulk een vermoeiende

vergadering voel ik er behoefte aan, mij een kleine afleiding te

gunnen. Ik verzeker u, dat gij u heerlijk zult amuseeren in dezen

kleinen tempel.”

Hij nam Baxters arm, de kamerdienaar, die eerbiedig bij een met

Perzische gordijnen versierde deur stond, sloeg de portières terug,

opende een kleine vleugeldeur en beide heeren traden een salon binnen.

Daar wachtte een andere bediende, die ook een buiging maakte en hun

tegelijkertijd een zilveren blad voorhield.

„O, drommels”, mompelde Baxter, „ik heb geen visitekaartje bij mij.”

De president lachte.

„Een visitekaartje? Neen, mijn waarde, dat is ook niet noodig, maar een

bankbiljet van een pond. Mocht gij er geen bij u hebben, dan ben ik

bereid, u er aan te helpen.”

Terwijl de inspecteur zijn portefeuille te voorschijn haalde om het

verlangde geld op het blad te leggen, fluisterde hij:

„Tot welk doel betaalt men hier?”

„Dat zult gij dadelijk in de zaal wel zien. Ik verzeker u, mijn beste

heer, dat het er heerlijk is.”

Hij trok Baxter met zich mee.

De portière van een tweede deur werd weggeslagen, een vleugeldeur

geopend en beide heeren traden een schitterend verlichte zaal binnen,

waar bij de muziek van een kleine kapel verscheiden paren dansten,

terwijl rondom aan de muren uit een menigte nissen het vroolijke lachen

en schertsen van dames en heeren weerklonk.

Overal brandden roode lampen en stonden rijk bekleede fauteuils.

Eenige der intiemste plekjes waren door blauw fluweelen gordijnen aan

de blikken der gasten onttrokken, andere waren half of gedeeltelijk

geopend en Baxter zag daarin alleenzittende dames, die hem met haar

waaier wenkten en hem allerliefst toelachten.

De president scheen hier een bekende persoonlijkheid te zijn.

„Er moeten hier een paar nieuwelingen zijn”, fluisterde hij den

inspecteur toe. „Luister naar mijn raad en neem niet een der oudjes.

Ziet gij daarginds dat kleine zwartje, dat is een nieuwe. Hoe vindt gij

haar? Of houdt gij meer van blondines met rijpere vormen?”

Baxter wist van verbazing niet wat hij zou antwoorden.

Zonder dat hem verder iets werd gevraagd, schoof de president hem naar

een dame en sprak:

„Lady, het zal dezen heer een genoegen zijn, met u te soupeeren.”

Hij zelf verdween in een der nissen.

Toen de inspecteur vele uren later in een cab naar huis reed, had hij

zooveel champagne gedronken, dat hij in de beste stemming zachtjes zong

en eerst toen hij thuis was, herinnerde hij zich, dat hij om 6 uur des

morgens dienst had en dat het nu tien minuten vóór 5 was.

Zoo goed als het hem mogelijk was, trok hij zijn frack uit en kleedde

zich in zijn dienstjas.

In hetzelfde rijtuig, dat hem naar huis had gebracht, liet hij zich

naar het hoofdbureau van politie brengen.

De Vloo had juist een kopje morgenkoffie voor zich staan en een pijpje

gestopt, toen Baxter binnentrad. Hij had moeite, op de been te blijven

en liep waggelend naar zijn schrijftafel.

„Wel, inspecteur”, riep de Vloo lachend, „waar komt gij vandaan?”

„Gij moet mij vervangen”, stotterde zijn chef met moeite. „Gij weet

immers, dat ik vergadering had van de Vereeniging voor ontucht van

minnen en gummi-artikelen—en—en—en— — —”

Marholm lachte luidkeels, maar antwoordde niet.

„Ik zal u later alles vertellen...... voorloopig moet ik slapen, mijn

lieve Marholm.”

Hij liet zich door de Vloo naar de kleine kamer naast het bureau

brengen, waar een lederen sofa stond en nauwelijks lag hij, of hij

sliep ook al.

Marholm echter sprak tot zichzelf:

„Jammer, dat John Raffles den inspecteur van politie niet heeft gezien;

wat zou hij een pret hebben gehad!”

Lord Lister No. 0046: Vereeniging ter bevordering der goede zeden · 第 7 / 20 题