In hotel Cecilia was in een der zalen de tafel gedekt voor de leden van
de Vereeniging ter bevordering der goede zeden in Engeland en de gasten
zaten in feestgewaad met witte, driekantige mutsen op het hoofd, witte
schorten, waarop in gouden letters „deugd” was geborduurd en witzijden,
breede linten over de borst, waarop in roode zijde het woord
„zedelijkheid” was aangebracht, rondom de tafel, aan wier hoofd het
eerelid de hertog van Norfolk, presideerde.
Aan zijn rechterzijde zat de voorzitter, Sir Edward Harper en daarnaast
de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard.
Om de vergadering te openen nam de voorzitter het woord en hield, onder
diep stilzwijgen der aanwezigen, de volgende rede:
„Hooggeachte leden van onze Vereeniging!
„Ik heet u allen welkom en ben verheugd, dat gij in zoo grooten getale
zijt verschenen om door trouwen arbeid ons werk voort te zetten.”
Een algemeen handgeklap volgde op deze woorden.
Daarop vervolgde hij:
„Gij ziet hier aan mijn zijde den hooggeachten inspecteur van politie
Baxter van Scotland Yard, op wien onze keus is gevallen voor de functie
van tweeden voorzitter onzer Vereeniging.”
Wederom weerklonk luid en langdurig applaus, waarop Baxter gevleid
boog.
De president veegde met zijn servet het zweet van zijn vet gezicht en
keek met een vriendelijk lachje, zoodat zijn wangen nog dikker schenen,
naar Baxter, terwijl hij sprak:
„Ja, hooggeachte heeren leden! Onze keus is een uitstekende geweest,
want Sir Baxter heeft, hoewel hij niet behoorde tot onze Vereeniging
ter bevordering der goede zeden in Engeland, reeds oneindig veel goeds
gedaan.
„Gij weet, dat hij onze theaterstukken heeft te beoordeelen, dat de
censuur bij hem berust, dat hij moet beslissen, of een dergelijk stuk
zedig en niet van verderfelijken invloed is.
„Wij danken onzen hooggeachten inspecteur Baxter de betere handhaving
der censuur in Engeland en wij hebben het steeds vol vreugde aangezien,
wanneer wederom een van de vele stukken, die voedsel geven aan de
wellust en de echtbreuk in de hand werken, of wel een loflied zingen
voor de ondeugd, verboden werd.”
„Bravo! Bravo!” klonk het van alle kanten en Baxter maakte weer een
diepe buiging.
„Het is te hopen,” vervolgde de president, „dat wij onder de leiding
van inspecteur Baxter nog strenger en energieker onzen veldtocht tegen
de onzedelijkheid zullen kunnen houden.
„In de eerste plaats moet op krachtige wijze gestreden worden tegen de
vergiftiging van onze jeugd, van politiewege moet toezicht worden
gehouden op de lectuur voor onze jongens en meisjes.
„Hoeveel kwaad wordt hierdoor berokkend?
„Een geheel leger misdadigers wordt telken jare op deze wijze
aangekweekt.
„Inspecteur Baxter zal dit wel met ons eens zijn en zijn ervaringen in
Scotland Yard zullen het bewijs leveren— — —
„Niet waar, inspecteur?”
Baxter had slechts met een half oor naar de laatste woorden geluisterd
en antwoordde met een vriendelijk lachje:
„Gij hebt gelijk, mijnheer de voorzitter. Bij mij in Scotland Yard
worden dergelijke boeken ook gelezen”.
Doodelijke stilte volgde.
Het gelaat van den president geleek op dat van zijn Chineesch
afgodsbeeld, toen hij vroeg:
„Hoe, mijnheer de inspecteur! versta ik u goed? Men leest ze bij u in
Scotland Yard?”
Eerst nu bemerkte Baxter, dat hij zich op glad ijs had begeven.
„Ja!” knikte hij en vervolgde: „Helaas! Men leest ze!”
„O, wat een schande!” zuchtte de president en de geheele vergadering
zuchtte.
Daarop vroeg Sir Harper:
„En de misdadigers, die gij gevangen neemt...?”
De Vloo zou gezegd hebben:
„Eerst moeten wij ze te pakken kunnen krijgen.”
Maar Baxter antwoordde:
„De misdadigers worden allemaal achter slot en grendel gebracht!”
„Neen, neen,” sprak de president, „ik bedoel of die misdadigers ook
dergelijke boeken lezen?”
„Welneen, dat is onmogelijk,” antwoordde Baxter, „ik kan u bezweren,
mijne heeren, dat zij dergelijke boeken niet te lezen krijgen. Zulke
lectuur is in de gevangenisbibliotheek niet voorhanden.”
„Gij begrijpt mij verkeerd,” riep de president uit. „Ik wensch te
weten, of de gevangenen niet vóór hun arrestatie die boeken hebben
gelezen en daardoor op het slechte pad zijn gekomen. In de laatste
verhandelingen van de politiebladen gaven de misdadigers het lezen van
dergelijke boeken steeds op als verontschuldiging voor hun daden.”
„Dan liegen die kerels,” sprak Baxter, „want nog pas eenige dagen
geleden vertelde mijn secretaris mij, dat hij tot zijn groote ergernis
die boeken altijd moest koopen. Geen enkele van de schurken, die
opgebracht werden, had er een bij zich.
„Ik moet bovendien den geachten voorzitter op dit punt tegenspreken!
„Mijn beambten zijn ontegenzeggelijk nette menschen en lezen toch,
zooals ik nogmaals moet constateeren, bij voorkeur spannende verhalen.
In alle bureaux van Scotland Yard vind ik ze.”
„Dat is merkwaardig. Daarvan wisten wij niets,” merkte Sir Harper
verbaasd op. „Die misstand moet onmiddellijk worden opgeheven,
inspecteur! Uw beambten moet leerzame en hoogstaande lectuur worden
verstrekt. Wij zullen u morgen uit onze bibliotheek een groot aantal
van zulke boeken doen toekomen!
„En om nu op een ander onderwerp over te gaan: door Zijne Hoogheid den
hertog van Norfolk is de volgende wensch geuit:
„De hertog beveelt om het dorp Sandram in Schotland onder streng
politietoezicht te stellen, opdat er een eind kome aan de daar
heerschende ontucht.”
„Wat is daar dan voorgevallen?” vroeg een der leden, die aan het
ondereind van de tafel zat, waarna alle aanwezigen in een luid gelach
losbarstten.
„Sir,” antwoordde de president, „weet gij niet, dat uit het dorp
Sandram alle minnen voor het geheele koninkrijk komen? Hebt gij nog
nooit een min noodig gehad?”
„Neen, het spijt mij, maar ik ben ongehuwd,” antwoordde het lid der
Vereeniging.
„Dus,” vervolgde de voorzitter, „het kweeken van minnen, of liever de
ontucht moet eindigen in dat dorp.”
„Ja, maar,” opperde een der leden, „wat moet men dan doen, als men er
een noodig heeft in zijn familie?”
Nu stond de hertog op, klemde zijn monocle in de holte van zijn
rechteroog en sprak langzaam en op plechtigen toon:
„Sir, dan behelpt men zich zonder min. Er zijn, zooveel middelen, welke
dagelijks worden geannonceerd, dat het ten eenemale overbodig is, een
kind door een min te laten grootbrengen. Ik verzoek nogmaals de geachte
vergadering om mijn wensch, de minnen uit te roeien, te willen
vervullen.”
„Laten wij het voorstel van Zijne Hoogheid in stemming brengen,” sprak
de voorzitter.
Voor dit doel moesten de leden, die er vóór waren, van hun zetels
opstaan.