Andren genieten?--Welaan: 'k draag hun geene afgunst, geen' nijd.
Vruchtloos verteeren ze in kwelling', die 't heil van een' ander'
benijden,
Venus vergunt het genot, dien zij begunstigen wil.
Andren verkleven aan 't purper van knijpende, zuigende lipjes;
Leppen het tederste zoet uit een' bekoorlijken mond:
Scheppen de brandendste kusjes van blozende, gloeiende wangen,
Tergen het zwoegend albast van een aanbidlijke borst:
Blijven op 't dons, door den wellust, aan poezele tedere leden
Samengeschakeld, geklemd, boezem op boezem gedrukt:
Daar de begeerlijkste weelde, bij 't zuizende lippengemurmel,
't Lichaam naar 't kittlen der smart' slingert, en buigt, en
verwringt:
Zinken in koesterende armen, bij 't plukken der maagdlijke rozen;
Ploegen den lieflijken beemd, d'akker, aan Cypris gewijd:
Vellen den drillenden thyrs in den bloeienden hof van Kupîdo:
Drinken het vuur met het oog, boezem, en lendenen, in:
Zweeten een' vruchtbaren daauw op Venus wellustigen gaarden:
Zwijmen, van oogleên en ziel even vermoeid en vermast:
Deze, en nog andre, nog meer, nog onuitspreekbrer genuchten,
Zijn aan de zulken vergund, wie Cytheréa bemint!
Minder gelukkig dan zij, ô genieten wij 't ijdel genoegen
Van eene onvruchtbare minn', zo ons 't genot is verboôn.
INGETOOGENHEID.
Is ons 't genot verboôn, wel, dat we slechts beminnen!
Zijn andren in 't genot, 'k misgun, 'k benij' hun niet:
Die andrer heil aanschouwt met wrevelige zinnen,
Verteert zich-zelven slechts in vruchteloos verdriet.
De Idalische Godin doet haren wellust smaken
Aan hem, aan hem alleen, die in haar gunsten deelt;
Ontzegt Kupîdo ons zijn gloeiende vermaken,
Genoeg is 't, dat de min ons 't harte vleit en streelt.
Laat andren honigdaauw van malsche lipjes leppen,
En 't smeltend mondkoraal met zachte tanden kneên;
Van boezem, hals, en wang, verliefde kusjes scheppen,
En schaaklen zich op 't dons in poezle maagdeleên:
Laat andren, mond aan mond, en borst aan boezem hangen;
Bij 't staamlen van de tong' en 't zwoegen van het hart',
De maagdelijke heup' in dij' en armen prangen;
En wringen 't lijf naar eisch der kittelende smart':
Laat andren, boezemooft en rozebloesems plukken;
Met opgeheven' thyrs', in 't heiligdom der minn',
In 't binnenst lustprieel van Cypris hoven rukken,
En drinken 't vuur, met oog, met borst, en lenden, in:
Laat andren, Venus beemd met vruchtbaar zweet bedaauwen,
En moede en afgemat door 't slingren van den lust,
In dartle omhelzingen, van weelde en wellust flaauwen;
En zijgen in den schoot der liefelijkste rust'.
Dat dit, en hoger lust, zo iemand dien kan smaken,
ô Gij, wie Venus mint, aan u beschoren zij!
Maar ons, ontzegt ons 't lot die gloeiende vermaken,
Voor 't minst beminnen wij!
LIEFDE.
Geen overmaat van kunstgedienstigheden,
Op 't winnen van een schoonheid toegelegd;
Geen teedre taal, of diergezworen eeden,
Zijn 't kenmerk, dat den liefdegloed beslecht.
Maar, zonder hoop, zich-zelven weg te schenken;
Van 't diepst ontzag voor 't voorwerp aangedaan,
Verwarringvol te staren op heur wenken;
Door 't brandend oog zijn' boezem te verraân:
Standvastig, teêr, en vurig, zelfs in 't midden
Der teistring' van de doodelijkste smart',
De vlam, waar in men wegsmelt, aan te bidden:
Zie daar de min! zij huisvest in mijn' hart'.
DE LIEFDE en de DICHTER.
DE LIEFDE.
Wijd toch eens, ô lieve Dichter,
wijd toch eens een lied aan mij.
Zeg wat loon gij wilt ontfangen,
'k schenk u alles, eisch het vrij,
DE DICHTER.
Ik ter uwer eere zingen!
Ik heb niets van u dan pijn.
--Spreek nochthands, vermetel wichtje,
zeg mij, wat mijn loon zou zijn.
DE LIEFDE.
Voor mijn Moeders staatsiewagen
staan twee tortels in 't gareel,
't Liefste paar dat ge ooit beschoudet!
zo ik u daar een van steel?
DE DICHTER.
Hoe! twee duifjes, 't een voor 't ander zo getrouw,
zo lief, zo teêr,
Van elkander aftescheuren!
Dwingland, schaamt ge u dan niets meer?
DE LIEFDE.
Nu dan, 't is mij toch om 't even:
dat ik u de zwanenvlucht
Van haar wolkenkoets vereerde?
Die vloog met u door de lucht.
DE DICHTER.
Mij die zwanen? schone gaven!
of ik ooit ten Hemel steeg!
Maar waar of ik voor die vogels
ambrozijn of nektar kreeg?
DE LIEFDE.
'k Zal u dan mijn' oogband schenken,
door mijn Moeders eigen hand
Van de fijnste zij' geweven.
Voel, hoe zacht is deze band.
DE DICHTER.
Dat die wil, zich de oogen blinde;
mij geen sluiers voor 't gelaat!
Ik staar altoos op Selene,
En mijn oog wordt nooit verzaad.
DE LIEFDE.
Zie dan hier de minnepijlen,
die mijn wapenbus besluit,
Die door maagdenboezems vlijmen.
kies er u den snelsten uit.
DE DICHTER.
Neen: hij maakt te wreede wonden:
houd hem, Liefde, 'k gruuw er van.
Welk een wreedaart, die den boezem,
dien hij aanbidt, grieven kan!
DE LIEFDE.
Wel, voor 't laatst dan, wreevle Dichter!
wijst gij 't alles van de hand,
Neem dan 't peesje van mijn boogje,
dat gij 't op uw Cyther spant.
DE DICHTER.
Geef, ja geef het, lieve Liefde!
geef mij 't minnepeesje hier:
Trof uw boog er harten mede,
't geev' die kracht ook aan mijn Lier!
[Illustratie]
AAN DE LIEFDE.
Bij welken Leeraar, in
Wat Hogeschool, ô Min!
Is uwe kunst te leren?
Wat onderwijs kan ons ontleên
Haar heilige verborgenheên,
Die 't fijnst vernuft trotseeren?
Wat taal, wat tong, ons doen
Bevroên;
Wat spraaktuig, leren kennen;
Het geen de vlugge geest beseft,
Wanneer hij op uw Zwanenpennen
Zich boven lucht en zwerk verheft?
Minerve kon met al
De wijzen van haar' wal
Uw gronden nooit doordringen.
Ja Febus-zelf is op Parnas
Een kunsteloze Marfyas,
In u te willen zingen.
Dan trilt, dan heeft zijn stem
Geen klem,
Geen kracht, geen vuur, geen leven:
Dan kruipt, dan sleept zijn geest langs de aard,
Onmachtig om u na te zweven
Met eene vlucht, uw grootheid waard.
Gij, Min! gij zelve, zijt
Alleen, ten allen tijd',
Uw eigen onderrichting
En Leeraar.--Uw ervaren hand
Schenkt zelfs het duisterste verstand
Een Hemelsche verlichting.
Ge ontvonkt den ruwsten geest?
Hij leest
In uw geheimenissen,
In 't onbegrijpbaar wonderschrift,
Met trekken, nimmer uit te wissen,
Door u, in 's minnaars oog gegrift.
Uw gunstige invloed maakt
De lippen welbespraakt,
En weet de tong te kneden.
Ja, dikwijls maalt, (ô vreemd beleid
Van 's Minnegods welsprekendheid!)
Een afgebroken reden,
Een uitroep, hoe verward,
Het hart
Met levendiger verven,
Dan de allerrijkste woordenpraal:
Ja 't zwijgen zelfs is menigwerven
De krachtigste, de teêrste taal!
ô Min! laat andren dan
De schrandre lessen van
Een' Sokrates doorzoeken.
Twee lonkende oogen leren mij,
Wat warelijk beminnen zij,
Beschamende alle Boeken.
En de allerwijsste dicht-
pen zwicht
In 't rijk van d'Albedwinger
(Het Zanggodinnendom ten spijt')
Voor vaarsjes, die een ruwe vinger
In ruwe beukenschorsen snijdt.
DE ZACHTE KLUISTERS.
De Muzen betrapten de Min in heur bosschen,
Terwijl hij haar dacht te verschalken in 't groen.
Zij bonden den loosaart met rozelaartrossen,
En gaven hem voorts aan de schoonheid te hoên.
Zijn Moeder kwam vaardig om 't wichtje te lossen,
En bood aan zijn wachtster een' kus tot rantzoen.
Maar 't dartele boefje vond groter behagen
De lieflijke kluisters der Muzen te dragen,
En bad dat ze er nooit hem van wilden ontdoen.
* * * * *
En zou dan een minnaar zijn boeiens beklagen?
Neen; liefde vereert ze, bemint ze, en bidt ze aan.
ô Fyllis! houd me altoos in de uwe geslagen:
Verbraakt gij ze, ik zou weêr naar andere jagen.
Hoe duur zou de vrijheid het harte niet staan!
AAN DE ZANGKUNST.
_Van waar, ô strelend Zangvermogen,
In wederzijdsche zustermin
Met de eedle Dichtkunste opgetoogen,
Die in hare afkomste uit den hogen
Op d' eigen' grond met u mag bogen:
Van waar toch zoog uw ziel zo dwaas een trotschheid in?_
_Zo dwaas een trotschheid?--Ja, volschone!
Voegt dit verwijt u niet met recht,
Die 't deelgenootschap uwer krone
Der teêrste Bloedverwante ontzegt?_
_Hoe heeft zij, vroeger rijp in krachten,
Uw kindsche zwakheid niet geschraagd!
Ja zelfs, om u, heur Arendsschachten
Aan 't lijm der werkloosheid gewaagd!_
_Hoe kroop zij soms den voet der bergen,
Om uwe grilligheden, rond;
En ging de steilste rotsen tergen,
Daar uw belang 't zich dienstig vond!_
_Wat waart gij, had ze uw wankle schreden,
Met zusterlijke tederheid,
Niet eertijds door de onzekerheden
Der hobbeligste paân geleid?_
_Maar, thands, geleerd, met vaste voeten
Door 't ongebaande heen te spoên:
In 't diep van 's menschen borst te wroeten:
Het ongenaakbaarste aan te doen:_
_Thands, dwinglandes van 't vrije harte,
Voertge, aangebeden van al de aard,
't Volstrektst gezag op vreugde en smarte,
Zo verre uw hand de Cymbel snaart._
_Ja, ge onderstaat Natuur te dwingen,
En de Echo, die tot de oogen spreekt,
't Penceel van uit de hand te wringen;
En weinig! dat er aan ontbreekt._
_Dus, dus heeft ook uw drift de palen
Van 't rijk der Dichtkunste overschreên.--
Zij deed u aan haar zijde pralen;
En gij, gij eischt haar' throon alleen._
_ô Zinnestreelster, zo uw klanken
De wellust zijn van al wat leeft;
Herdenk, wie ge alles hebt te danken,
Tot zelfs den rang waar naar gij streeft._
_De bloemen, die uw borst versieren,
Zijn door uw zuster-zelv geplukt:
En prijktet ge ooit met prijslaurieren,
Zij-zelv heeft ze op uw hoofd gedrukt._
_En gij, op 't volksgejuich vermeten,
Gij hebt door redenlozen tocht,
Den liefdeband van een gereten,
Die beider glorie hield verknocht,_
_Keer van die maatloze eerzucht weder,
En huuw uw' galm aan 's Dichters stem:
Wel verre dat u zulks verneder,
Het geeft uw' klanken de echte klem._
_Of, houdt een valsche schaamte u tegen.
Te buigen voor een nieuwe wet:
Hoor Dichtkunst-zelv, u steeds genegen,
Daar ze op uw' toon haar vaarzen zet._
[Illustratie]
MIJN CYTHER.
Ik wil Alkménes groten zoon
Verbreiden op een' fieren toon,
Zijn deugd ten loon:
Maar ach! al te onervaren
In 't hartverheffend Heldendicht,
Weêrgalmen mijne snaren
Van Pafos dartel minnewicht.--
'k Span nieuwe koorden op mijn Lier,
En zing van Mavors Veldbanier:
Maar ach! wat onvermogen!
Mijn Cyther klinkt van Venus spruit,
Weêrspannig aan mijn pogen.--
Welaan dan, mijn geliefde Luit!
Druk teêre minnelustjes uit,
In plaats' van bloedige orelogen.
AAN DE AVONDSTAR.
Rijs vrolijk, rijs met spoed,
Gewenschte Nachtbodinne,
Die ik met eerbied groet,
Als leidstar mijner minne!
Geef mij gehoor!
Licht op deez' avondtocht mijn' vluggen schreden voor!
Bevangen
Van verlangen,
Trotseer ik 't aakligst van den nacht:
Niet om roof of menschenslacht;
Maar om Fyllis, die mij wacht.--
Zo pralen
Uwe stralen
Met zilvren licht en gouden' glans,
Aan d'azuren Hemeltrans.
OP EENE ROOS.
ô Lust van 't oog, ô lenteplant,
Die, als Vorstin van 't bloemrijk land,
De veldkroon spant:
Ontluik, bekoorlijk Roosje!
Maar neen: ontzie, vertraag dien stond;
Of uw aanminnig bloosje
Gaat ijlings, eer gij 't weet, te grond.
--Mijn Fyllis is een bloem als gij;
Haar roem gaat als uw roem, voorbij:
Gij moet, als zij, bekoren;
En hare schoonheid (hoe volmaakt!)
Als de uwe, gaan verloren.
Helaas! het vreeslijk uur genaakt,
Dat uw satijnen bladers slaakt,
En 't zelfde lot is haar beschoren.
* * * * *
Welaan dan, frisse bloem, ontluik:
En, eer de tijd uw' luister fnuik',
Verlaat uw' struik!
Ga Fyllis borst bekleeden!
Haar sneeuwwit gloei' door uwen gloed;
En, slage ik in mijn beden,
Uw zachtheid lenig' heur gemoed!
--Beminlijk Roosje, dat 'k benij'!
Erken uw heil! het staat u vrij,
Aan Fyllis borst te sterven!
Haar boezem is uw throon en graf!
Mocht ik dit lot verwerven!
Ik wees Augustus wareldstaf
En Krêzus goudtrezoren af,
Om dus het levenslicht te derven.
* * * * *
Ga dan, en volg haar schone hand,
Beschikster van uw plaats' en stand';
Als 't onderpand
Van mijn wanhopig blaken.
Doch, als zij u deze eerplaats biedt;
Wier glans gij moet volmaken,
Versier haar; maar bedek haar niet.
--Dan, teffens, sla haar zuchtjes ga,
Indien haar ooit een zucht ontsta:
En poog haar te overreden,
Door 't onherstelbaar ondergaan
Van uw bevalligheden,
Naauwkeurig acht op zich te slaan:
ô Dat ze, zonder blinden waan,
In tijds de haren mocht besteden'!
DE TAAL DER MIN.
'k Ging naar Pafos heiligdom,
Om de taal der min te leren;
Maar in Pafos werd ik stom,
En moest spraakloos wederkeren.
'k Schrei Cythére troostloos aan;
'k Zie haar bij mij nederstijgen:
Jongling, (zegt zij) wees voldaan;
't Is de taal der min, te ZWIJGEN.
[Illustratie]
DE LIEFDE.
't Hoofd der dartle minnegoden,
Van een Honigbie gewond,
Die hij in een roosje vond,
Gaf, tot Venus schoot gevloden,
Kreet op kreet.
Moeder, riep hij, 'k zal 't besterven,
Red mij, laat mij troost verwerven
In mijn leed.
In de rozeblaân gedoken,
Heeft me een kleene draak gestoken,
Dien de boer een Bietje heet.
* * * * *
Cypris zag zijn schreiende oogen,
Overstelpt van traan bij traan,
Met een' zoeten glimlach aan;
En ze drukte uit mededogen
Hem de hand.
Staak, dus sprak zij, staak uw zuchten;
Zoudt ge een' Bietjes angel duchten?
Welk een schand!
Doet zo klein een wond u klagen,
Denk, wat pijnen hij moet dragen,
Dien ge uw' schicht in 't harte plant?
[Illustratie]
DE SCHONE KUNNE.
Natuur heeft al wat zij deed leven
Met eigen' wapentuig' voorzien;
Of om 't geweld te wederstreven,
Of om zijns vijands macht te ontvliên.
Den rossen Koning van de dieren
Gaf ze overmacht in klaauw en tand:
En heeft het woest geslacht der Stieren
Het voorhoofdwapen ingeplant.
Dus schonk zij, voor de felle krachten,
Verleend aan Tijger, Wolf, en Beer,
Den Ever, ondoordringbre vachten;
Den Haas, de snelheid, tot geweer.
Zij gaf den Visschen, om de baren,
Den Vooglen, om het hemelruim,
Op vlugge wieken door te varen,
De breede vin en lichte pluim.
Zo heeft zij, voor alle ander wapen,
Den Mann' een' onbetembren moed,
Een stugge zielskracht, ingeschapen;
Waar voor hij 't alles buigen doet.
Dit alles werd der Vrouw' onthouen.
Zij bleef dan ongewapend?--Neen.--
Wat was dan 't aandeel van de Vrouwen?--
't Aanminnig lichaamsschoon alleen.
Dit strekt haar in de plaats van speeren,
Van klingen, bijlen, boog en schicht.
Hier door weet ze alles te overheeren,
Met eenen wenk van haar gezicht.
[Illustratie]
BEDRIEGLIJK MEDEDOGEN.
't Was middernacht; men zag het wentelend gewemel
Der starren aan den duistren hemel;
De mensch, door d'arbeid en de zorg des daags vermoeid,
Lag in den zachten slaap geboeid;
Wanneer ik aan mijn deur een dof geraas hoor maken.
"Wie (roep ik,) doet mij dus ontwaken"?
Men antwoordt: "'k ben een kind, doe open onbevreesd:
'k Ben al den nacht op weg geweest:
Mijn kleedren zijn doornat van zware regenvlagen:
Dus koom ik u herberging vragen.
Mijn leden zijn verstijfd, van 't onweêr aangedaan,
Zo dat ik verder niet kan gaan".
Dit hoorend, word ik straks door teder mededogen
Voor 't hulpeloze wicht bewogen:
'k Ontsteek een fakkel, en ontsluit in ijl de deur,
Als ik een' jongen knaap bespeur;
Maar met een' boog voorzien, en wapperende pennen,
't Geen mij Kupîdo deed herkennen.
Ik breng hem bij den haard, op dat hij drogen mocht',
En uit zijn lokken pers ik 't vocht,
En poog de stramme leên van 't wichtje te verwarmen,
Door 't wel te koestren in mijne armen.
Doch naauwlijks was het warm, en zijn gewaad weêr droog,
Of 't sprak: "beproeven wij mijn' boog,
Of mogelijk de pees, bevochtigd door den regen,
Ook eenig letsel heeft gekregen".
Dus zegt hij; spant den boog; en treft me in 't ingewand,
Dat ijlings vloog in vollen brand.
Toen sprong hij schaatrend op, en riep: "wees wel te vreden,
ô Vriend; mijn boog heeft niets geleden:
Maar gij gevoelt nog lang de folterende smart
Van deze wonde in 't kwijnend hart".
BEKLAG.
't Valt hard, den bloem, de lente van zijn dagen
In doodkil ongevoel te slijten zonder min:
't Valt hard, den last der minnekwaal te dragen:
Maar liefde zonder hoop heeft alle rampen in.
Dan ach! wat grond, om zich met hoop te vleien?
Thands wordt de aeloude roem van 't glorierijkst geslacht,
Thands 't eêlst vernuft, de groenste lauwrenmeien,
Ja 't heilig zilverblank der reinste deugd veracht.
Wees om den glans der onbevlekste zeden,
Wees om 't verlichtst verstand, beroemd, gezocht, geëerd:
De Geldgod spreekt: en geen voortreflijkheden,
Die zijn gezag niet straks met d'eersten wenk verneêrt.
Vervloekt zij hij, en zijn gedachtenisse,
Die 't eerst aan schittrende erts een waarde heeft verknocht!
Hij heeft het recht, de waarheid, en 't gewisse,
Begeerlijkheid ter gunst', voor 't misdrijf omgekocht.
Hij heeft de twist ontstoken in gemoederen,
Door de inspraak van natuur op 't allerteêrst vereend:
Den band van 't bloed verbroken tusschen Broederen,
En 't ouderlijke hart voor 't hulploos kroost versteend.
Van daar die pest, van bloed en tranen dronken,
Wier voetstap 't bloeiendst veld met de ijzren zool vertrapt;
Wier druipend zwaard, geschaard op menschenschonken,
Niets aanblikt in 't gevecht, dat aan zijn woede ontsnapt.
Van daar, van hem, alle onheil in ons leven.--
Hoe zalig vloot het uwe, ô vroeger menschdom! voort,
Eer weelde ons nog de wet had voorgeschreven,
En 't onrustbarend goud de stem van 't hart versmoord!
Gij leefdet vrij van al die slaafsche boeien,
Waar meê 't verderf der eeuw uw' naneef heeft belaân:
Een zuivrer vreugd mocht u de borst doorgloeien,
Dan die ooit overvloed in de onze deed ontstaan.
Gij mindet meê; maar vrij van de ongenuchten,
Waar mede in onzen tijd de liefde wordt omstuwd.--
Leide ooit uw hart zich wetten op in 't zuchten?
Of dwong het zich, om 't goud, te vleien 't geen het schuwt?
Noodlottig goud! Onlijdbre dwinglandije!
Is 't offer onzer rust dan nog niet groot genoeg,
Ontbreekt er iets aan uwe heerschappije,
Ten zij het harte-zelf in uwe ketens zwoeg'?
ô Gruwzaamheên!--Door vuig metaal bewogen,
Verraadt zich 't maagdlijk hart, en werpt zich weg, en beeft!
De minnaar ziet zijn hoop, zijn heil vervlogen!--
Hij zwijgt, en voedt zijn vlam, en kwijnt, en zucht, en sneeft!
DE LIEFDE.
Als Kupîdo, met zijn' staf,
Mij in hobbelige dalen,
Die nooit wind verfrissing gaf,
Door de struiken heen deed dwalen;
Heeft me een adder, voor het oog
In de kruiden neêrgedoken,
Op het onvoorzienst gestoken:
't Scheen dat mij de geest ontvloog;
't Hart kromp in mijne ingewanden;
'k Dacht, mijn dood is nu voor handen:
Maar Kupîdo, die dit ziet,
Slaande 't dons van zijne vlerken
Op mijn hoofd, om mij te sterken,
Zegt: gij kunt nog 't minnen niet.
[Illustratie]
AAN MIJNE LUIT.
Voor overvloed, voor mateloze schatten
Bezit ik u, beminnelijke Luit!
Gij zijt mij meer, dan Peruus mijnen vatten,
Of de Indus in zijn kronklende armen sluit.
Gij zijt mij de eer, de wellust, en 't genoegen,
't Genot van 't heil, de troost in 't zwoegen,
En perst aan 't drijvend oog de zoetste traantjes uit.
* * * * *
Rampzalig! die, gevoelloos voor uw klanken,
Die sombre vreugd miskent, waar meê ge ons harte streelt.
Hij moog zich vrij van 't blinde lot bedanken,
Wien 't staven gouds en gouden staven deelt:
Hij is, wat staat hem zij beschoren,
In 's Hemels ongenaâ geboren,
Die 't hart voor maatzang heeft vereeld.
* * * * *
Mijn Cyther, klink, ja klink dan in mijn handen!
En zo mijn ziel ooit zweemsel voel' van nijd,
Zo ze ooit mijn borst van wrevel voele ontbranden,
ô Wees mij dan, wees gij mij tot verwijt!
Dan moeten, midden in mijn zingen,
Uw snaren mij voor 't voorhoofd springen,
En roepen, dat gij me alles zijt!
[Illustratie]
LIEFDE.
Het lust, het lust me te beminnen:
Kupído had het mij geboôn;
Maar ik, geheel beroofd van zinnen,
Verachtede 't bevel van Cytherêaas zoon.
Dus, na mij tot den strijd te dagen,
Maakt hij zijn' stalen boog gereed,
En pijlen, op den rug gedragen,
Die hem Vulkaan weleer in Lemnos had gesmeed.
Ik gesp het harnas aan de leden,
En koom, van speer en schild voorzien,
Als Peleûs zoon, te voorschijn treden,
Om met een' fieren moed Kupído weer te biên.
't Gevecht begon; hij schoot; ik vluchtte;
Tot hij, van pijlen gantsch ontbloot,
Van spijt en wrevel diep verzuchtte,
En, als een' schicht, zich-zelv' in mijnen boezem schoot.
Dus drong het wicht zich in mijn harte:
Op zulk een wijs beheerscht hij mij.
Nu baat geen schild voor deze smarte:
't Is al inwendig en onzichtbaar dat ik lij'.
DE PIJLEN DER LIEFDE.
Als Venus kreupele Gemaal
In Lemnos smits', van blinkend staal,
Kupído pijlen stond te smeden,
Die zij met honig streek, door 't wicht vermengd met gal;
Kwam daar de Krijgsgod, bij geval,
Den heirbijl zwaaiende, uit het slagveld binnen treden.
Hij spotte met den kleenen schicht,
Van 't snelgevleugeld Minnewicht,
Dat hij beneden zich verachtte.
Kupído sprak hier op: "dit tuig is u te zwaar:
Beproef mijn woorden vrij, hou daar":
En Mavors nam 't geweer, daar Cytherê om lachte.
Doch zo als hij het aangevat,
En in zijn hand geheven had,
Moest hem zijn overmoed berouwen:
"'t is zwaar, (verzucht hij straks;) neem gij het pijltje weêr:
Ik geef u uw verschuldigde eer".
"Neen, (zegt de loze knaap:) gij zult den pijl behouen".
AAN EENE SCHONE.
Men zegt dat Niobe voorheen
Aan Xanthus oever is veranderd in een' steen;
En dat Pandsons telg het wraakzwaard naar den hogen
Op zwaluwwieken is ontvlogen:
Maar ik, ik wenschte een spiegelglas
Te zijn, op dat me altoos uw minlijke oogen zagen:
Ik wenschte dat ik u een kleed, ô schone, was,
Op dat gij me altijd meê mocht dragen.
ô! Ware ik u een halssieraad,
Of kostelijk kleinood van jaspis of agaat:
Zo mogt ik 't zachte albast van uwen boezem strelen,
En dartel om uw' gorgel spelen!
Och of ik ware een zuiver vocht;
Zo waschtet gij met mij uw poezle en blanke leden!
Och of ik in uw' schoen voor 't minst verwandlen mocht;
Zo wierd ik door uw' lieven voet vertreden!
AAN DEN NACHTEGAAL.
Bewoneres der dichte loovrenzalen,
ô Toef, ja toef, geliefde Filomeel!
Verbeid bij 't licht der eerste morgenstralen,
Verbeid Lykoor in 't ruischend woudprieel.
Uw gorgeltoon verrukt de veldelingen;
Doch hoor heur stem: en tuig, dat ze u verwint.
Leer, leer van haar een' zuivren Zangtoon zingen;
Maar gij, leer gij Lykoris, hoe men mint.
[Illustratie]
VERGANGKLIJKHEID VAN HET GENOEGEN.
Op zachte myrth- en lotosblaân
Genoeglijk uitgestrekt,
Breng' mij Kupído-zelf den vollen beker aan,
Met opgestrikt gewaad bedekt!
Want, met wat spoed een rennend wagenspan
Door 't vlak der velden rijd',
Veel sneller is het vlieden van
Des menschen levenstijd:
En liggen we in het graf ter neêr,
Wij zijn een hand vol asch; niets meer.
* * * * *
Waar toe stort ge offergaven uit?
Wat zalft gij toch den steen,
Die in zijn' hollen buik het zielloos rif besluit?
Wat strooit gij daar 't gebloemte om heen?
Spil liever nu den nardus aan mijn hoofd,
En vlecht me een' rozenkrans:
Eer ik, van 't levenslicht beroofd,
De schimmen lei' ten dans',
Wil ik van alle zorg en pijn,
Van allen druk ontheven zijn.
[Illustratie]
HET GOUD.
Kon 't Goud de stervelingen
't Geweld des doods ontwringen;
'k Vergaarde een' groten schat,
Om, tot rantsoen voor 't leven,
Aan 't lelijk spook te geven,
Wanneer het tot mij trad.
Maar wijl men 's menschen dagen
In 't minst niet kan vertragen,
Vergeefsch is 't wat ik klaag:
Moet ik mijn leven laten,
Wat kan het geld mij baten,
Dat 'k in mijn' gordel draag?
Mag ik, voor alle schatten,
Den berkenmeier vatten
In de opgeheven hand!
Mag ik mijn' lust verzaden,
En in de weelde baden
Van 't troetelledikant!
OP DE MINNAARS.
De Paarden hadden in hun zijden,
Voorheen, huns meesters merk gebrand;
Zo was de Parth, sints oude tijden,
Te kennen aan zijn' tulleband:
Maar mij zijn al die liefde kweken
Op 't allereerst gezicht bekend;
Want allen is een zelfde teeken
In 't teêrverzuchtend hart geprent.
[Illustratie]
OP EENE DUIF.
Beminlijk Vogeltje, van Cytherê geliefd,
Ai! zeg, wat is de reên
Dat gij, met zulk een' spoed, de ruime lucht doorklieft?
Waar toch, waar vliegt gij heen?
Van waar brengt gij dien balsem aan,
Waar mede uw wieken zijn belaân?
En waar gij 't bloemtapijt der velden meê besproeit,
Daar 't van uw veedren vloeit?
"Hoe dus? gaat u dat aan? of waarom vraagt gij dit?
Mijn Meester vaardigt me af
Aan haar, die, als vorstin, geheel zijn hart bezit,
Dat haar de liefde gaf.
Beschouw hoe ik op zijn bevel,
Zijn minneliederen bestell'.
Hij zei' mij voor de trouw, die ik hem blijken doe,
Ontslag en vrijheid toe.
"Doch alhoewel hij mij in volle vrijheid stelt,
Ik blijf bij mijnen Heer.
Want waarom zoude ik toch, om berg, en bosch, en veld,
Steeds vliegen heen en weêr;
Op dat ik, in mijn snelle vlucht,
Mij de eene, of andre wilde vrucht
(Wat wordt men, buiten die, in 't woeste woud gewaar?)
Ter wrange spijz' vergaar'?
"Terwijl ik, in mijn' dienst', een beter lot geniet,
En edeler onthaal.
'k Eet brood uit 's Meesters hand, die mij te drinken biedt
Uit zijn kristallen schaal:
Waar na ik om hem henen zwier,
Of rust op zijne ijvoren Lier.
Vaarwel! Gij hebt der kraai', om haar geklap gelaakt,
Mij reeds gelijk gemaakt".
* * * * *
OP DE ROOS.