OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER:
Cursief gedrukte tekst is gemarkeerd met _liggende streepjes_. De
originele spelling en interpunctie is gehandhaafd. Een lijst met
correcties bevindt zich aan het einde van de tekst. Ook de
inhoudsopgave bevindt zich aan het einde van de tekst.
MIJN
VERLUSTIGING.
MECVM DIONAEO SVB ANTRO
QVAERE MODOS LEVIORE PLECTRO.
HORAT.
[Illustratie]
_TE LEYDEN EN AMSTERDAM_,
BIJ C. VAN HOOGEVEEN, JUNIOR;
EN DE ERVEN VAN D. KLIPPINK.
MDCCLXXXI.
CARMINA MANSVETVS LENIA QVAERIT AMOR.
PROPERTIUS.
MIJN
VERLUSTIGING.
_Or' si quelque imp(r)udent me vient blasmer dequoy
Je ne suis plus si graue en mes vers que i'estoy
A mon commencement, quand l'humeur Pindarique
Enfloit empoulément ma bouche magnifique:
Dy luy que les amours ne se souspirent pas
D'vn vers hautement graue, ains d'vn beau stile bas,
Populaire & plaisant, ainsi qu'a fait Tibulle,
L'ingenieux Ouide & le docte Catulle:
Le fils de Venus hait ces ostentations._
RONSARD.
[Illustratie]
_AAN REGNILDE._
Vraagt ge een proefje van mijn zangen, schone Juffer? eisch het vrij:
't Koomt u toe, met de eerste hulde van de schone Poëzij'.
't Koomt u toe, als 't wettig offer, 't wettig offer, toegebracht
Aan de minnelijke weêrhelft van het menschelijk geslacht.
Haar is 't toegewijd, geheiligd: haar, als overheerscheres
Van ons hart, ons denkvermogen; onzes noodlots schikgodes.
't Leert beminnen, 't schetst de Liefde; hem, van wien ge uw macht
ontleent!
Die des aardrijks vierdedeelen onder uw gezag vereent!
't Leert beminnen, lieve Juffers! maar--gevoelig zijn daar bij:
't Leert meêdogenheid verbinden met den trots der heerschappij'.
Lieve schonen, leest mijn zangen: leest ze met een open hart!
Leert in 's minnaars boezem lezen, wat het zij, de minnesmart!
Leert, hoe 't teder hart zich uitdrukt, als het van verliefdheid
klopt:
Ja, gevoelt het aan het uwe, wen 't gevoel het overkropt.
ô Woudt ge eens een brandend zuchtje, een zuchtje dat uit wellust
spruit!
Woudt ge een gloeiend traantje schenken aan de tonen van mijn luit!
ô Mocht eens de oprechte minnaar, als gij hem gelukkig maakt,
Zich bedanken
Van mijn klanken,
Voor de hemelvolle weelde, die hij op uw lippen smaakt!
_Want waarlijk, zo eenige hartstocht tot 's menschen geluk dienstbaar
is, gelijk ze in de daad alle zijn, 't is bij uitstek DE LIEFDE. Zij,
die het hart door een' Hemelschen gloed verwarmt, uitzet, en met den
zuiversten wellust vervult! die den geest opheft, en, of 't ware, met
een veerkracht bedeelt, die zijne vermogens versterkt, zijnen ijver
gaande maakt, zijne bedoelingen veredelt!--Welk eene aandoenlijkheid van
gestel, fijnheid van gevoelen, levendigheid van beseffen, welk eene
kieschheid van denken onderstelt zij niet, brengt zij te voorschijn, ja
schept zij:--om die verkleefdheid aan 't geliefde voorwerp uit te
werken!--die afhangkelijkheid van het zelve!--die zelfverlochening, waar
door men er alles aan opoffert!--die belangeloosheid, waar door men niet
bemint dan om te beminnen, dan om gelukkig te maken!--die verknochtheid,
waar door zich de harten als in elkander uitstorten, als in een smelten;
waar door de zielen als samenvloeien, en niet dan in elkanderen
leven!--Om alle deze aandoeningen teffens te verwekken!--Aandoeningen!
niet te begrijpen, dan door een' geest, van den edelsten nektar van
onstoffelijke geneuchten als dronken! niet uit te denken, dan door een
hart, van de zuiverste vlammen doorgloeid; en niet te gevoelen, dan van
eenen boezem, door de herhaalde, door de aanhoudende kloppingen der
natuur en der menschelijkheid vertederd en week gemaakt! Aandoeningen!
door geen koude woorden beschrijfbaar! en die niet dan door de van
weelde tintelende, van ijver vlammende oogen, van begeerte uitgedrevene
zuchten, en een van overkroptheid des harte trillende stemme, zijn uit
te drukken!--Voorzeker onderstelt zij deze gesteldtenis,--ja, zij
brengt ze te voorschijn en schept ze. Zij weet de traagheid van vernuft,
de dofheid van bevattingen, de ruwheid der denkbeelden, de logheid van
gevoel te verbannen: en het is hier door, dat zij de heilzaamste
uitwerksels heeft:--dat hare vlammen het hart van onwaardige driften
louteren:--en dat hare zachte kluister de sterkste teugel tegen de
ongebondenheid is.--En zou dan de afbeelding van een' hartstocht, zo
edel, zo heilzaam, zo geschikt om het hart te verbeteren, nadeeligen
invloed kunnen hebben?----Het is waar, dat een zekere wulpschheid, een
zekere wellustige dartelheid in de Minnedichten, op zich-zelve
beschouwd, in staat is, de beschroomdheid van zwaarmoedige
zedenmeesteren op te wekken.--Doch, dat men bedenke, dat deze aandoening
in goede Minnedichten aan de verhevene liefde ondergeschikt, door
dezelve bepaald, en van haar afhangklijk gemaakt wordt; dat zij slechts
dient om alle hare aanlokselen aan de gevoelens van 't hart, aan den
onstoflijken wellust der ziele op te dragen, en als wederom van die ten
leen' te ontfangen: dat, hoe verre een waar Minnedichter zich somtijds
moge laten vervoeren, zijne verzen wel verre van een' trek tot
ongebondenheid te ademen, dan zelfs, wanneer zij den eigen' wellust,
wanneer zij het zinvermaak afschilderen, al dat zoet doen afhangen van
die vereeniging van wil, van hart, van ziel, welke 't wezen der liefde
is:--en dat hem, die immer een teugje uit dezen Poëtischen beker
gesmaakt heeft, noodwendig van alle vermaken, waar in de ziel niet de
hoofdrol speelt, van alle ongebondenheid, walgen moet.----_
Onuitgegeven VOORBEREIDENDE STUKKEN tot de THEORIE der fraaie
Wetenschappen.
[Illustratie]
* * *
_In den slaap verscheen mij Venus,
en zij bracht mij haren zoon:
Dichter, onderwijs dit wichtje,
sprak zij, in den Cythertoon.
'k Stelde mijn ontsnaarde Cyther,
en begon mijne eerste les.
'k Zong, hoe 't fluitje wierd' gevonden
van de schone Vreêgodess':
Hoe Apol de luit hanteerde:
Pan het zevenmondig riet:
Maar die onbesuisde jongen
lettede op mijn zingen niet._
_Eindlijk sprak hij, arme Dichter,
staak uw dorre poëzij;
Geef het speeltuig mij in handen:
'k weet dit beter reeds dan gij.
Straks begon hij op mijn snaren
een' bijzondren toon te slaan;
En hief dartle minnelustjes,
minnegreepjes, kusjes, aan.
IJlings was ik 't al vergeten,
wat ik hem had voorgespeeld,
En kon verder niets meer zingen,
dan het lied, door hem gekweeld._
[Illustratie]
OFFERZANG.
Waar zijn de lauwren, waar de toovervinderijen?
Geef, Thestylis, geef aan: dat we ons aan 't outer vlijen:
Bekroon den drinkkop met een zwarte lammrenvacht;
Dat ik den minnaar offre, om wien mijn hart versmacht;
Die veertien dagen reeds mijn zijde heeft begeven,
Onzeker van mijn' dood zo wel als van mijn leven.
Helaas! een andre tocht en wisselzieke lust
Heeft de eerste minnevlam ontwijfelbaar geblust.
'k Zal morgen 't worstelperk van Timageet bezoeken,
Hem smeken; heden, hem door offerdienst verkloeken.
Gij, blanke Maan, schijn schoon: Godes, u zinge ik toe!--
Gij, achtbre Hecaté, wier ik mijn bede doe:
Voor wie de hondenwulp, van 't bloed der lijken dronken,
Van killen angst' besterft in de oude grafspelonken:
Ontvang mijn groet, Vorstin! sta mij ten einde bij!
Schenk groter kracht dan ooit aan dees mijne artsenij:
Dat ik een mengsel make, als nimmer Perimede,
Of Febus wijze spruit, of Jazons Ega' dede!----
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Flux, Thestylis, strooi meel, ons meel is reeds vergaan:
Waar, achteloze, zeg, waar zweven uw gedachten?
Of drijft gij meê den spot met mijn benauwde klachten?
Strooi op, en zeg: ik strooi de beenders van Silvaan.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Silvaan bedroeft mijn hart; 'k wijd hem mijne offeranden:
'k Zal dezen lauwertak op mijnen minnaar branden.
Hoe kraakt dit blad in 't vuur, hoe krimpt het, en hoe dra
Verteerde 't in de vlam en laat geene asschen na!
Niet anders staa Silvaan, na 't voorbeeld dezer bladeren,
Een woedend vuur ten doel', dat ombruisch' door zijne aderen!
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Gelijk de gloed des vuurs deez' waschklomp doet ontlaân,
Zo moet hij zelf terstond van minne samenvloeien;
En met nog sneller spoed naar mijnen drempel spoeien,
Dan ik, met Venus hulp', dees werpschijf rond doe gaan.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Nu brenge ik zeemlen toe.--Godes der duisterlingen!
Gij zoudt des afgronds poort van uit heur naven wringen,
Ja, 's aardryks as, en 't geen nog vaster stond dan dat.
ô Thestylis, reeds huilt de bloedhond door de stad.
Aanvaard de bekkens, voort: verdoof het angstig janken,
Door 't daverend geluid der schelle tooverklanken:
De Godheid naakt: 't is tijd de koopren bom te slaan.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Zie daar, de zee zwijgt stil, de rust beheerscht de baren;
Maar ach! mijn boezemsmart weet nimmer van bedaren:
't Geblaas der winden heeft voor kalmte plaats gemaakt;
Waar rustloos woelt de vlam, die mij den boezem blaakt.
Ik blijf geheel en al voor hem in liefde branden,
Die mijn rampzalig hoofd gedompeld heeft in schanden.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
'k Pleng driewerv' offerwijn, 'k roep driewerv' om Silvaan:
Verkeer zijn liefde voor mijn medeminnaresse,
Godes, als Theseus min voor Kretes rijksprinsesse!
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Gelijk een ros, door 't vuur der teelzucht aangedaan,
Langs berg en heuvel rent, met woest en razend wrenschen,
Vlieg' mij Silvaan in d'arm op mijn mistroostig wenschen!
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem t'huiswaart aan!
Dit koord bezoomde 't kleed van Myndiër Silvaan:
'k Smijt dit ontrafeld koord met afschrik uit mijne oogen.
Wat hebt ge, ô wrede min, het bloed mij uitgezogen,
Als de echel, die in 't bad zich vasthecht aan de leên!
Lokvogel trek mijn' Gade, en voer hem herwaart heen!
'k Breng morgen u 't venijn van een verpletterde adder;
Doop dan, mijn Thestylis, dees bloemen in dat zwadder,
En spreng den opperkant des dorpels met dit vocht:
(Des dorpels, daar mijn hart zo vast aan blijft verknocht!)
En zeg, het giftig nat dus plengende onder 't huppelen:
't Gebeente van Silvaan bespreng ik met dees druppelen.
Lokvogel, trek mijn' Gade, en voer hem in mijn' schoot!
Hoe thands de bron geschetst waar uit mijn liefde sproot?
Hoe thands den oorsprong van mijn minnevlam beschreven?
Hoe vange ik 't aan? Wie heeft dees ramp mij toegedreven?
Men zou in 't heilig woud der achtbre Jachtgodinn'
Het jachtspel houden van een Lybische leeuwin,
Verzeld van andre vreemde en vreeselijke dieren.
De jeugd kwam van alom dit zeldzaam schouwfeest vieren.
Hoor d'oorsprong van mijn liefde, ô zilverblanke maan!
Melixo noopte mij, om derwaart heen te gaan.
En ik, (onzinnige!) ik! ik liet mij overreden,
In 't linnen staatsiekleed die voedster na te treden.
Hoor d'oorsprong van mijn liefde, ô zilverblanke maan!
Daar kwam Eudemon zich, en, nevens hem, Silvaan,
Van uit het worstelperk aan mijn gezicht vertonen.
Een dons, gelijk safraan, versierde hun de konen:
Hun borst blonk meer dan gij, aanbidlijke Diaan!
Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!
ô Hoe beschouwde ik hen! En ach! met welke ontroering'!
'k Zag niets van 't schouwspel meer in deze zielsvervoering',
Noch weet op welk een wijze ik t'huiswaart ben gekeerd.
Mijn schoon versmolt, en 'k werd door 't hevigst vuur verteerd;
Terwijl ik onder 't pak dier kwelling' neêrgezegen,
Tien dagen achter een op 't krankbed bleef gelegen.
Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!
Mijn aanzicht nam de kleur des bleeken doodschriks aan;
Mijn hoofd verloor het goud, waar mede 't plach te prijken;
Men mocht mijn lichaam bij het dorre hout gelijken,
En welk een kunstnarij werd niet vergeefsch bestaan!
Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!
De tijd verliep. In 't eind ontdekte ik mijn slavinne
Het lang verheeld geheim van mijne ondoofbre minne:
ô Thestylis, zoek mij een middel voor mijn kwaal.
De Myndiër verwon me, en blaakt mij te eenemaal:
Ga heen, en laat niet na, u alles te onderwinden,
Om hem bij 't oefenperk van Timageet te vinden.
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)
En spreek hem, doe uw' last, in 't heimlijk, hem verstaan:
Dat hem Simetha toeft; dat gij hem in zult leiden:
Ik zal uw wederkomst met ongeduld verbeiden.
Vlieg heen, mijn Thestylis.--Dus sprak ik, en zij ging,
En bracht me in mijn vertrek den schonen jongeling.
Maar nauwlijks zag ik hem de kamerdeur genaken,
Of 't zweet vloot als een dauw bij drupplen langs mijn kaken:
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)
Een koude trilling greep mijn leden teffens aan:
'k Verbleekte, en bleef verstijfd, als ware ik zonder leven,
En was niet machtig, zelfs om 't minst geluid te geven.
Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!
Hij zag mij met een oog vol minnevonken aan,
Trad op 't aanminnigst toe, zat op mijn sponde neder,
Sloeg 't aanzicht voor zich neêr, en uitte zich dus teder:
Gij zijt me, ô schone maagd, zo verr' vooruitgesneld,
Als ik Filynus deed in 't roemrijk wagenveld:
Gij wist me in dezen strijd den gloriepalm te onttrekken,
Met aan mijn minnend hart het uwe 't eerst te ontdekken.
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)
Want ('k roep de Liefde-zelv' ten blijk' der waarheid aan)
Ik stond u dezen nacht (uw drift kon 't niet gehengen,)
In 't opgebonden kleed Iäcchus ooft te brengen,
Omsluierd, en omkranst met witte popelblaân.
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô zilverblanke maan!)
En waar 't mij dan vergund in uw vertrek te dringen,
(Want 'k voer den naam van stout bij onze jongelingen)
En vond ik u het oog bezwemen door de rust:
Hoe had ik in uw' slaap dien schonen mond gekust!
Doch vond ik mij de deur voor 't voorhoofd toegesloten,
Ik had den toegang dan door bijl en toorts genoten.
(Hoor d'aanvang mijner liefde, ô achtbre Nachtvorstin!)
Nu zeg ik d'eersten dank aan Cyprus koningin,
Na Cytherée aan u, die met mijn' druk bewogen,
Mij door uw gunstbewijs de vlammen hebt onttogen:
De min blaakt feller dan de vuurpoel van Vulkaan.
(Hoor d'aanvang van mijn vlam, aanbidlijke Diaan!)
Maar te onrecht doet ze een maagd, ter rustbedde uitgerezen,
Voor 't tintelend gezicht eens wakkren jonglings vrezen;
En jaagt de bruid, wen zij haars Egaâs koets verlaat,
Den blos op 't voorhoofd, van den gloênden dageraad,
Dus sprak hij:--ik, wier hart in zijn begeerte stemde,
Ik zonk in 't rustbed neêr, daar hij me in de armen klemde;
En straks werd mond op mond en lijf op lijf gestoofd:
Ons aanzicht voelde een' gloed, die opsteeg naar het hoofd:
Een lief gemurmel zuisde en speelde ons op de lippen:
En, om dees lieflijkheid niet verder aan te stippen,
Ons heet verlangen werd van wederzij' gebluscht;
En nooit werd onze min door achterdocht ontrust.
Doch heden kwam Fenisse, als de eerste morgenstralen
De kim verguldden, mij zijn nieuwe vlam verhalen.
Zij weet niet, wie de bron van deze drift moog zijn;
Maar wel, dat hij mijn min geplengd heeft met den wijn,
En dat geheel zijn huis met bloemen werd behangen.
Dus was 't bericht dier vreemde, en 't mag geloof erlangen:
Want, daar hij me anders staâg geschenken plach te biên,
Heb ik hem heden in geen dubble week gezien.
't Gaat vast, een andre lust doet mij zijn bijzijn missen,
En wist mijn beeldtenis van uit zijn' geest te wisschen.--
Nu offer ik hem hier door tooverkruiderij:
Dan, zo ik langer nog van zijn trouwloosheid lij',
Ik zweer des afgronds deur te ontgrendlen door mijn offer:
Zo sterk eene artsenij beware ik in dees koffer,
Waar me een Assyriër 't gebruik van kennen deê.
Maar gij, vaarwel Godes, en spoed u naar de zee!
'k Voleind mijn werk met u, het is met u begonnen.
Vaar wel, ô zilvren maan! en gij, ô mindre zonnen,
Die door de loopbaan van 't onmeetlijk starrenveld
De schone Nachtgodes op haren tocht verzelt!
[Illustratie]
[Illustratie]
AAN CINTHIA.
Volschone Cinthia! maar schoner duizendmalen
Door zuiverheid van hart, begaafdheên van den geest,
En wat volmaaktheên meer in 't alvolmaakte pralen,
Dan 's lichaams juistgevormde en minnelijke leest!
Gun een' verwonneling', aan uw aantreklijkheden
Gekluisterd, gun een' slaaf die in uw boeien bukt,
Met sidderende schreên tot uwen throon te treden,
En zie meêdogend neêr op 't onheil dat hem drukt.
Maar ach! wat zegge ik u, wie 't alles waar gebleken,
Zo slechts uw boezem niet, ontrefbaar voor mijn smart,
De uitdrukkelijke taal die oog en boezem spreken,
Den vrijen toegang had verboden tot uw hart?
Of, daar 't ontzag der min mijn rede in d'aanvang smoorde,
Getuigde 't brandend oog de vlam die mij versmelt,
Verraadde een doffe zucht, die uit mijn' boezem boorde,
De schroevende angst u niet, die mij inwendig knelt?
Ach! moest de doodsche verw, zich spreidende op mijn kaken,
De ontroering, die de kracht vermeestert van mijn' geest,
Moest zelfs mijn spraakloosheid den staat niet kenbaar maken
Eens harts, dat in het uwe een' strengen rechter vreest?
ô Vreeselijke dag, als uw betoovrende oogen,
Gewapend met een vuur van onweêrstaanbre kracht',
Mij tevens rust en vreugd met eenen wenk onttoogen,
Mij leevrend tot een' prooi aan eindeloze klacht.
Ik zag u! en, verrukt door uw aanminnigheden,
Dronk mijn begeerig oog die minnevlammen in!
Straks zaagt ge uw mogendheid volstandig aangebeden,
Straks werd mijn hart de throon en 't outer van de min.
Onze aandacht zie aan 't zwerk de dagtoorts vierig blinken;
Mijn borst voedt heeter vlam, een vlam van groter duur:
Haar zien we in d'oceaan bij beurten nederzinken;
Mij blaakt een strenger, een onafgewisseld vuur.
Schoon Klytie eindeloos blijft staren op uw' luister,
Apol; de nacht verschijnt, zij wendt het aangezicht:
Maar 't oog van Cinthia blijft stralende in het duister,
En 't mijne is zonder eind op zijnen glans gericht.
Vergeefsch houdt de afstand ons in onderscheiden streken
Door beemden, stromen, en muuraadjen afgesneên:
De min weet door den vloed van Hellaas zee te breken;
Zij dringt door 't metselwerk der bouwgevaarten heen:
Zij heft zich boven 't zwerk, daalt in den afgrond neder:
Vermurwt de harde rots, versmelt het kille staal:--
Maar, wat haar macht bereik', haar heilig vuur verteder'!
De ontrefbre Cinthia belacht heur zegepraal.
ô Te ongevoelige! ô te wrede! wat vermogen
Bevrijdt u voor de macht, die 't alles overheert?
Ach! wil niet roekeloos op uw verwinning bogen:
De min doet meer geweld, wordt ze eenmaal afgeweerd.
ô Liefde, ô tederheid! ô Liefde, die mij 't harte
Verscheurt! waar om op mij uw krachten uitgeput?
Die fiere, die tot nog uw pijlen strafloos tartte,
Zal eedler doelwit zijn voor uw gevreesd geschut.
Haar voegt het u (niet mij, rampzaalge!) te bestrijden.
Zij is uw zege waard: wat toeft gij? wet uw' schicht.
Of zoude u nevens mij de stugge moed ontglijden
Bij d'eersten opslag van 't aanbidlijk aangezicht?
Dat aanzicht, dat, bestierd door teder mededogen,
Met eenen enklen lach den hemel open stelt:
Maar, met een wrede wolk van strengheid overtoogen,
Geheel 't geschapendom met doodschen rouw' beknelt!
Gewis, dit fier gelaat, die oogstraal van Minerve,
Vervult de Liefde-zelv' met Godgewijd ontzag:
Die boezem, die in glans, gevoelloosheid, en verve,
Het eedle albast braveert, braveert Kupidoos slag.
Maar, al te onnoosle Min! bij Pallas hemelsche oogen
Voegt zij dat kwijnend vuur, daar Venus oog van gloeit;
En 't marmer van haar borst, door d'ademtocht bewogen,
Toont purpren druiven, op zijn heuveltjes gegroeid.
Leer des, bedeesde min, uit dees voldoende blijken,
Dat Cinthia, hoe fier van hartsgesteldteniss'!
En welk een strengheid ook op heur gelaat moog prijken!
Dat Cinthia noch rots, noch wrede Pallas is.
Gewis, zij is, zij kan niet gantsch ontrefbaar wezen.
Zij is gevoelig, ja! voor teêre minnepijn;
Schep moed, mijn hart:--maar neen, vermeer uw angstig vrezen:
Een teder hart kan zelfs voor u gevoelloos zijn.
Gevoelloos zijn voor mij,--en teder voor een' ander'!
ô Hemel! welk een taal! ik ijs, ik gruuw daar van!
Waar is op 't wareldrond die trotsche tegenstander,
Die bij mijn min, zijn min slechts vergelijken kan?
Spreek: wie gij wezen moogt, die zo veel heils zoudt wachten:
Vermeetle spreek, en meld me uw' fellen boezemgloed:
Beschrijf me uw kwijning, angst; verhaal me uw jammerklachten,
Noem me al uw zuchtjes op, en toon me uw' tranenvloed.
Zeg, of uw gloed den gloed van d'Etna oversteiger';
Zeg, of een knagend gift u door uw aders kruip',
Zeg me, of de nacht u rust, de dag genoegen weiger',
Uw boezem eindloos zwoeg', uw oog oneindig druip'?
En kunt gij 't oeverzand, de blaauwe pekelbaren,
De zilvren druppelen van 's uchtends milden daauw,
Door 't bruischend tranenvocht in menigte evenaren;
Noem dan uw liefde nog bij mijne liefde flaauw.
Kom, wrede, kom en zie, mijn eindloos smeltende oogen,
Verdronken, afgewaakt, verduisterd, uitgeknaagd:
Mijn borst, door zucht op zucht het krimpend hart ontvlogen,
Verscheurd, betoont wie 't zij, die waarlijk liefde draagt,
'k Zwijg van een uitzicht, dat door wanhoop is verwilderd;
Gelaat, waar op de dood met eigen rechterhand
In bleeke lijkaschverv' zijn beeldtnis heeft geschilderd;
En voorhoofd, dat van 't vuur der felste woede brandt.
Zie dit, en durf u dan van uwe vlamm' beroemen!
Of schroomt gij 't echte merk van een' oprechten gloed,
Uit spoorloos onverstand, bewijs van minn' te noemen;
Nog één onwraakbaar blijk is me over in mijn' bloed'.
Aanvaard dit blijk: treed toe: zie hier den toets der minne.
Stel u voor mijnen arm, ik geef mijn borst u bloot.
Gelukkig! zo ik slechts dit gunstbewijs verwinne,
Dat Cinthia alleen een' zucht loost om mijn' dood.
Thands moet het kloppend hart het weemlend oog vervangen;
Een stroom van gudzend bloed het lekend tranenbad:
Een andre daauw vall' neêr, droogt op, bedaauwde wangen!
--Maar ach! waar dwale ik heen, door 't woeden afgemat.
Verwarde geest, te rug! betoomt u, dolle zinnen!
Een ijdle hersenschim spoort uw verwoedheid aan.
Dien immer Cinthia verwaardigt te beminnen,
Waar toch zou in 't heelal dat waardig hoofd bestaan?
Dien immer Cinthia met hare minn' verwaardigt!--
Wat kan beminnenswaard in eenig voorwerp zijn,
Dat, lichtgeloovig brein! een achterdocht rechtvaardigt,
Zo honend voor heur hart, als foltrend voor het mijn?
Zou afkomst, zou geboorte, of ijdele eeretittelen,
Die zich de hoogmoed delft uit grootvaârs heilige assch',
(Ontleend blanketsel slechts!) het edel harte kittelen,
Dat, aan zich-zelf genoeg, in 't minst hoogmoedig was?
Weg hij, die met de deugd van zijn verstorven vaderen
Zijne ondeugd,--met hunne eer, zijn schand te dekken tracht!
Onwaardige, sta af van al hun lauwerbladeren,
Of druk hun voetspoor na tot roem van uw geslacht'!--
Doch, zo een brave stam, die helden heeft geschonken
Aan 't Vaderland, aan de eer, heure aandacht waardig zij;
Mijn stamboom mag van ouds met wakkre loten pronken,
Wien meê eene eerplaats voegt bij Neêrlands burgerij:
Of grondt zich geen verdienste op overleden magen
En wordt een brave telg door eigen deugd vereêld;--
Kan zuiverheid van hart een zuiver hart behagen,
ô Schone, lees in 't mijne, en ken uw eigen beeld.
Zie of mijn boezem ooit een vurig zuchtje loosde,
Dan voor de deugd, den roem, de Godheid, en--voor u:
Zie of mijn voorhoofd ooit om wanbedrijven bloosde:
Zie--: maar doorzoek mijn hart, van eigen glorie schuuw.
Dan, mooglijk mocht de glans der fraaie wetenschappen
Haar fierheid neigen tot een teder blijk van gunst.
Hoe kneedde ik 't letterspoor met onvermoeide stappen,
ô Hemel! waar dat heil verbonden aan de kunst.
Gij die u te onbedacht met zo veel vreugd zoudt vleien,
Verwaande: toon uw kracht, ontweldig mij den prijs:
Of ben ik onbekend bij Neêrlands dichtrenreien,
En is mijn kruin ontbloot van eenig eerbewijs?--
Of zou de glans der weelde, op één gehoopte schatten...?
Zwijg, onbedachte tong! wat denkbeeld! welk een woord!
Zou 't blinkend stof der aarde aantreklijkheên bevatten,
Waar door 't verheven hart dier schone wierd bekoord?
't Gemeen blijve aan den schijn van grootheid zich vergapen!
Het goud bezit geen waarde in 't welverlicht gezicht.
De wijze weet zijn heil uit beter goed te rapen;
Uit zelfgenoegzaamheid en liefde tot zijn' plicht.
Of, zo iets buiten ons, verdient het hart te raken,
't Is de achting, die verdienste onscheidbaar vergezelt.
Door deugd, door wetenschap, door moed, naar eer te haken,
Is 't kenmerk van den brave, en kunst- en oorlogsheld.
Volschone, is dit, is roem behaaglijk in uw oogen,
Gebied, en 'k offer u driedubble lauwerblaân;
Één lonkje, één lachje slechts, vernieuw' mijn kunstvermogen,
En 'k brenge u op een nieuw een dubble zangkroon aan.
Hoe moedloos, hoe verslapt, hoe kwijnend, hoe verslagen.
Daar me uw verachting als een bliksem heeft verplet;
Zal niemand mij den prijs, den prijs der eere, ontdragen,
Door de enkle hoop op u ten zangstrijde aangezet.
Of zoude ik twijflen? ik--! Wie zet de liefde palen?
Quintijn, uw grove vuist, om d'ijzren bout gekromd,
Greep op haar stem 't penceel om Fyllis af te malen,
En ijlings was Natuur verwonnen en verstomd.
Dit wrocht, dit wrocht ge, ô Min! Uw macht is hier gebleken;
Gij vormde uit dien Cykloop Apol een' wonderzoon;
Elk werkstuk van zijn hand is u een zegeteeken:
De kunsten buigen neêr voor uw' geduchten throon:
Uw invloed is genoeg om glorierijk te pralen:
Maar--zo een lieve lonk dien invloed kracht verleent--!
ô Dierbre, laat uw gunst mijn liefde slechts bestralen,
En zie, wat min vermag, met blijde hoop vereend.
Of mint gij oorlogsroem, bemorste krijgslauwrieren,
Bij 't grimmen van den dood, door 't blikkrend heldenstaal
Van d'overstroomden boord der purpren bloedrivieren
Geöogst, en 't aaklig schoon van Mavors wapenpraal?
Beveel, en dees mijn arm zal d'oorlogsbliksem zwaaien;
Op 't rokend moordtoneel van woede en razernij'
Met opgeheven kling een' tas van lijken maaien,
En sneuvlen u ter eer'--ach! ware 't aan uw zij'!
ô Mocht ik door een woud gevelde legersperen
U rukken, Cinthia, uit 's vijands overmacht!
Of tegen duizenden door 't blanke staal verweeren,
Ik trotste Achilles moed,--Alcîdes reuzenkracht!
ô Mocht ik voor uw oog, met wond op wond doorregen,
En vruchtloos hijgend naar den ademtocht, vergaan!
Mocht, mocht mijn vlotte ziel uw koelheid slechts bewegen,
En, glippende uit de borst, uw wedermin verstaan!
ô Hemel! zulk een dood waar ruim een leven waardig.
Wat zeg ik! zulk een dood waar mij de onsterflijkheid.
Neen, mijn geboortestar, nooit noemde ik u kwaadaartdig,
Zo zulk een uitvaart mij door 't noodlot waar bereid.
Maar neen! bedrieglijkheid der wenschen! neen: mijn leven,
Een schakel van verdriet, heeft zo veel heils niet in.
Ach! mocht ik dan voor 't minst gelijk uw minnaar sneven,
Van 's medeminnaars hand, begunstigd met uw min!
Helaas! ook zelfs die gunst wordt mij door 't lot verboden,
Te sterven van een hand, door Cinthia geliefd!
ô Foltring! die mij meer dan duizendduizend doden
De borst en 't ingewand, 't gebeente en merg, doorgrieft!
ô Machteloze woede! ô ijselijke slagen!
Ik wensch me (ô hemel!) zelf een' medeminnaar toe!
Een' die den draad verkort van mijn gevloekte dagen?--
--Neen, op wiens rokend lijk ik mijne wraak voldoe.
Zoude ik lafhartig--? neen.--Waar zijt gij, wuste zinnen?
Ja: 'k staaf dit gruwzaam woord, 'k herhaal het andermaal:
Die 't aangebeden hart wanhopig moet beminnen,
Wat rest, wat rest dien meer, dan 't leedverkortend staal?
ô Cinthia, beschouw, zie neêr op mijn ellenden:
Mijn leven en mijn dood hangt van uw wenken af.
Of laat één lieve lonk mijn angstig lijden enden:
Of één vergramde blik mij domplen in het graf!
[Illustratie]
OP _WEISSES_ TONEELSPEL:
ROMEO EN JULIA.
Bleven de leerzame dochters van Mîneus weleer aan de lippen
Harer welsprekende zuster in luisterende aandacht geketend,
Wen ze d'oplettenden kring de onzaligste liefde verhaalde;
Liefde, gekweekt in den wrok van twee vijandlijke stammen,
t' Ondergebracht en vernield door hunne vereenigde telgen:
't Was met dezelfde verrukking', met d'eigensten wellust des harte
Dat mijn begochelde zinnen zich in de beschouwing' verloren
Van het ontzetlijk tafreel dier tederverknochte gelieven,
De offers des woedenden haats, die beider geslachten verdeelde.
Teder, beminnelijk paar, wier harten, te samengestrengeld
Door d'onverbreekbaarsten band, eenstemmige bewegingen voelden,
Eenerlei zuchtjes ontlastten, in de eigene kwelling' verteerden,
Zich in elkander vernietigden en in elkander vernieuwden!
Teder, beminnelijk paar! hoe heeft me uw noodlot getroffen!
Hoe mijne ziel uw liefde, en hoe uw rampen verzwolgen!
Hoe uw liefde benijd, ja zelfs uw rampen gezegend!
Rômeo, 'k zie u nog, met de verwe des doods op de kaken,
't Staamlend vaarwel, eer gij 't uit, met afschrik en ijzing
herroepen.
Ai mij, hoe dobbert uw ziel met dit woord op uw siddrende lippen!
'k Zie uwen boezem bedaauwd met brandende, blakende tranen.
'k Zie hoe gij spraakloos, geschokt, versmoord, door bruischende
tochten,
De armen, verstijfd om den hals der minlijke Julia, los rukt,
Vol van het aaklig gevoelen des naadrenden onheils.--ô Hemel!
Moest dan zo veel min zo gruwzame ellenden ten doel' staan!
Julia, 'k zie u nog, en gevoele de maat van uw lijden.
Wanhoop, vertwijfling,--wat naam, wat naam aan uw' toestand gegeven?
Bevend beschouwe ik de schaal die 't doodlijk bereidzel u aanbiedt.
't Doodlijk bereidzel? Gewis: om voor eeuwig uwe oogen te sluiten
Moest het u eenmaal het licht, 't noodlottige daglicht hergeven!
Al te lichtzinnige Lijfarts, wat baat uw te roekloos beloven?
Waar toe de ontwaking bereid, daar de eindloze slaap op zal volgen?
Waarom bedroogt gij haar niet, die zich uwer kunde betrouwde?
Zulk een bedrog ware een weldaad; een weldaad, die al hare ellenden
Kortte, en haar einde 't besef van 't smartelijk sterven bespaarde.
Hemel, wat zeg ik!--ô Neen: onzalige! 't Angstig herleven
In de verblijfplaats des doods, wordt rijklijk, ja dubbeld, vergolden
Door het geluk van in d'arm van die u waard is te sneven.
Rômeo, welk een geluk! gij kent, gij proeft het volkomen:
Dank zij 't knagend vergift. Te gelukkig in d'arm uwer schone,
Sterft ge in de blakende minne, om geene verkoeling te vrezen:
Sterft ge, en het aardrijk ontsluit u 't herbergzaam verblijf van de
ruste.
Rômeo, weet ge uw geluk naar eisch, naar waarde, te schatten?
Kent gij 't?--het aardrijk verschaffe u een zachte en vredige
rustplaats!
Julia, 'k zie uwe drift de verwilderende oogen ontgloeien:
'k Hoor u den noodkreet, den galm der vertwijfeling uiten!--Wat doet
ge?
't Einde is nabij van uw leed. Zijn ziel zweeft om uwen boezem,
Om uwe lippen, in 't rond: zij zoekt met vurig verlangen
De uwe te ontmoeten; zij zoekt met de uwe te samen te vloeien:
Ja, gij erkent haar begeerte, en zult haar begeerte genoegen.
'k Sidder!--gij stort in uw bloed! en ik! waan met u te sneven.
Schilder der min, der natuur! wie heeft het penceel u gegeven,
Om ons de driften des harte met zo veel waarheid te malen?
Wie toch, wie leerde u 't gemoed dus door uwe klanken beroeren?
Wie de geheimen der liefde, de kwellingen, de angsten, de pijnen,
De onvergelijklijke zoetheid der hoop die zij ingeeft, te kennen?--
Liefde bestierde uwe vingren in 't schetsen dier levende trekken:
Trekken, daar 't tedere hart zich-zelve in herkent en beoefent.
Zij, die de schrijfstift van Naso geleidde om haar krachten te
schetsen,
Zij gaf zelv u de taal, de eenvoudige taal van een hart in,
Even gevoelig als 't mijne, en licht...! Doch, dat we ons bedwingen:
Treffend genoegen, zich-zelv' in 's lotgenoots ramp te beschreien!
Onder het masker van medegevoeligheid, zonder beschroomdheid,
Vrijlijk d'opborlende tranen een' ruimeren loop te vergunnen!
Edel vermaak! 't is in u, dat zich mijn geest mag verpoozen
Van de geduurzame plagen, verknocht aan het menschelijk leven.
[Illustratie]
KUPIDO OP DE VLUCHT.
De schone Cypris schreeuwde om haar' verloren' zoon.
"Zag niemand hier de Min? hij is mijn' schoot ontvloôn.
Zo iemand uwer mij zijn schuilplaats weet te melden,
Zo spreekt: een waardig loon zal uwen dienst vergelden:
Een kus van Venus mond! maar brengt gij 't wicht mij weêr,
Gij zult geen' bloten kus ontfangen, maar nog meer.
Dan, om een klaar bericht van 't zwervend kind te geven,
Zie hier zijn beeldtnis in volkomenheid beschreven.--
Het jongske is geenszins blank, maar gloeiend rood, van huid:
Zijn oogen schieten vuur en bliksemflitsen uit:
Hij is boosaartdig; maar lieftalig: in zijn spreken
Geveinsd: zijn stem is zacht en vloeit als honigbeken.
Gramstorig, is hij loos, bedrieglijk, valsch, en fel:
Arglistig maakt hij zich van wreedheid kinderspel.
Zijn kruin moog door den zwier van 't kronklend hair bekoren,
Maar 't voorhoofd heeft den blos der schaamte lang verloren:
Zijn handtjes zijn zeer klein; maar treffen vreeslijk veer;
Ja, tot den Acheron en 's afgronds Opperheer,
Van lichaam naakt, weet hij zijne inborst loos te omkleeden;
En, plegende als een duif de dunne lucht te kneden,
Zweeft hij gedurig om, met onstandvasten zin,
Van de een naar de andre kunne, en strijkt ten boezem in.
Zijn armtje voert een' boog, en nog een' schicht daar boven:
Dat schichtje, hoe gering, bereikt de Hemelhoven.
Een gouden bus hangt hem ter schouder af, belaân
Met pijlen, die ik-zelv somtijds ten doel moest staan.
't Is al verschriklijk, wreed: maar meest van alle zaken,
Een toortsje, daar hij zelfs de zon meê weet te blaken.
Indien gij 't wichtje grijpt, hou 't onbeweeglijk vast;
En schreit hij, zie wel toe, eer u zijn list verrast:
Of lacht hij, bind hem wel. Maar poogt hij u te kussen,
Wijs, wijs zijn lippen af, daar schuilt iets giftigs tusschen.
En zo de loozaart u zijn schone wapens biedt,
't Verradersch tuig draagt vuur, aanvaard zijn gaven niet".
AAN DEN HEER * * * OP DEN VERJAARDAG VAN HET GENOOTSCHAP:
* * * * *
ACER EQVVS QVONDAM, MAGNAEQVE IN PVLVERE FAMAE, DEGENERAT;
PALMAS VETERVMQVE OBLITVS HONORVM, AD PRAESEPE GEMIT, MORBO
MORITVRVS INERTI.
OVID.
Wat poogt ge, ô dierbre Vriend! mijn dichtluim op te wekken,
Daar ze in gevoelloosheid als weggezonken ligt?
Ach! wilde ik thands mijn hand naar 't stramme speeltuig strekken;
Ik bracht een' rouwgalm voort, voor juichend Feestgedicht.
De erkentenis ('t is waar) moest mij de borst ontgloeien;
Uw voorbeeld boven al mij strekken tot een spoor;
Maar ach! mijn vuur verdooft, mijn dichtaâr schroomt te vloeien,
Een lome vadzigheid dringt al mijn leden door:
Een aaklig aantal van bedroefde mijmeringen
Houdt steeds mijn' geest geboeid, mijne aandacht opgeschort;
En, daar zich 't hart verteert in wrede pijnigingen,
Is 't vruchtloos dat men zich tot blijde zangen port.
Zie daar mijn' staat geschetst: en kan me uw vriendschap vergen,
Dat ik, mij-zelv' ten spijt', gedwongen tonen slaa?
Neen, gun mij dat ik slechts mijne onmacht moog verbergen,
Eer d'onbedachte mond mijn hartsgeheim verraâ!
ô Hatelijk besef! Onzalig onvermogen!
Korts daagde ik elk vol moeds ten fieren zangstrijd' uit;
En nu, gevoeleloos en werkloos neêrgebogen,
Ontziet mijn blode hand de weigerende Luit!
Waar zijt gij heengevloôn, ô heuchelijke dagen!
Toen ik, den Hengst' gelijk, door wapenklank verhit,
In 't edel strijdperk vloog, en de eerkroon weg mocht dragen,
Van Leydens Dichtrenchoor begroet als Medelid?
Waar zijt gij? keert te rug, geeft mij mij-zelven weder!--
Ach! 't eertijds vierig ros, in 't wagenkrijt vermaard,
Stort kwijnende en vermoeid bij zijne krib ter neder,
Verzaad van d'ouden roem, verbasterd van zijn' aart.
--Geloofde ik 't, dat mij ooit mijn Cyther zou verveelen,
Mijn Cyther! Hemel! eer, de wellust van mijn ziel!
Eer waande ik dat de stem der schelle Filomeelen
In 't dichtbekroosd moerasch den Vorsch' te beurte viel:
Eer, dacht ik, zal de Lent' zich van haar groen ontbloten:
Eer strijkt de Wintervorst de kegels uit zijn' baard:
Dan 't hoge Jaargetij' der Leydsche Kunstgenoten
Bij 't vrolijk Feestgejuich mijn speeltuig vinde ontsnaard.
Laat van uw' zangtoon af, begaafde Nachtegalen;
Leer, Lyciaansch gedrocht, gepaste klanken slaan;
Pronk, gure Wintervorst, met zomerzonnestralen;
En, Lente, doe een kleed van Noordsche Sneeuwjacht aan!
Want vruchtloos grijpt mijn hand na de afgeleerde tonen,
Bezweken onder 't wicht van ziels- en lichaamssmart.
Vergeeft mij dit verzuim, Apolloos echte zonen!
Zijt met mijn' will' vernoegd en toegenegen' hart'!
[Illustratie]
AAN DAFNE.
De snelgewiekte God der minn'
Is Cytherêaas schoot ontvloden;
Die vluchtling sloop ten mijnen boezem in.
Men heeft uit Venus naam drie kusjes aangeboden
Voor die, haar gramschap ten gevall',
Het wichtje wederbrengen zal.
Hergeef, behoude ik hem--? Ik blijf in twijfel hangen;
Daar trekt mij 't gastvrijrecht; hier spreken mijn belangen:
Een lieve kus van Venus is zo zoet!
Gij, Dafne, die hij-zelf voor zijne moeder groet.
Zeg, wilt gij hem tot d'eigen' prijs ontfangen?
[Illustratie]
MIJMERING.
Waar vliedt ge, onnoosle, heen? niets kan u 't vlieden baten.
Dien 't Minnewicht vervolgt, koomt geene vlucht te staâ.
Streef vrij door 't bruischend zout naar verr' gelegen staten;
Zoek Zuid-, zoek Noorderpool; de Liefde volgt u na.
Al voerde u Pegasus, op zijnen rug verheven,
Het ongemeten ruim der Hemelkreitsen door;
Al mocht gij door de lucht op Perseus vleugels zweven:
Niets hielp Bellêrofons, niets nutte u Perseûs spoor.
De vlugge Minnegod zal u gestaâg verzellen,
En houdt uw' vrijen hals gebogen onder 't juk.
't Is ijdel, dat men zich in vrijheid tracht te stellen:
Dus, dat men voor zijn macht gewillig nederbukk'!
Gij hebt, mijn schone, u ook uw neêrlaag niet te schamen!
Waar moed noch stoutheid geldt, daar is 't vergeefsch gestreên.
De Liefde kluistere ons met gouden ketens samen,
En drijve in zegepraal ons voor zijn' wagen heen!
Jupijn, door bliksemvuur en donderkloot te vrezen,
De ontsachbre Jupiter werd door zijn' schicht gewond:
En gij, mijn Cinthia! zoudt gij onkwetsbaar wezen?
Ach! vlei u met geen hoop, zo dwaas, zo min gegrond!
En waarom, waarom ook zijn heerschappije ontvloden,
Waar onder 't alles juicht, en dartelt, altoos blij'?
Waar gulle weelde ons toeft op 't feestbanket der Goden?
Geen vrijheid is zo zoet als Liefdes slavernij!
Ai! offer, nevens mij, der lachende Dione
Uw ongevoelig hart op Pâfos minaltaar;
Eer zij haar mogendheid in u gehandhaafd tone,
En, tweede Anaxaréte, u 't doodlijkst lot weêrvaar.
Wil dan, ai wil niet meer voor mijne omhelzing vluchten;
Weêrsta geen kusjes meer, waar 't heiligst vuur in gloeit:
Ach! smaken we, eens van zin, de tederste genuchten,
Waar van de rozenkoets der dartle Cypris bloeit!
Treed met mij, hand aan hand, de heilige valleien,
Het zaligend verblijf der Zanggodessen in;
Ons zullen ze een tapijt van frissche bloemtjes spreien:
Zij kennen ook de macht der blanke Schuimgodin.
Doorwandel, aan mijn zij', dees sombre Myrtplantaadje,
Plantaadje, nooit van 't groen, van 't lentegroen ontbloot!
Stap, stap vrijmoedig aan; 't was hier in dees Boschaadje,
Dat gij, Terpsichoré, Apolloos min genoot.
Hier vlijen we ons ter neêr, ô wellust van mijn leven,
Wees gij mijn Zanggodes, ik zal uw Fêbus zijn!
Zie, zie rondom ons heen de koele Zêfirs zweven,
Zij strooien ons met thijm en geurigen jasmijn.
Zie hier van Pindus top de zilvren hoefbron vlieten,
Zij lekt den vruchtbren grond van dit aanminnig dal.
Hoe noodigt ge ons den lust der liefde te genieten,
ô Hartverkwikkend veld! ô heldre waterval!
Hier zinge ik, in uw' arm, op uwen mond gelegen,
De zaligheên der min; de boschgalm baauwt mij na.
Ik heb in uwen schoot de onsterflijkheid verkregen!
Gantsch Helicon weêrgalm' den naam van Cinthia!
Callîöpe, uw trompet verbreide de eer der Helden;
Moog 't opgetogen hart met heilige ijzing' slaan.
Euterpes ruispijp zal van minnarijen melden;
Gij, Polyhymnia, vang van Kupîdo aan!
ô Zielbetoovrende! ô welluidendste aller klanken!
Waar ben ik? ach! Verrukt gelijk een Wijnpaapin,
Doortinteld van 't vermaak, verstrikt in liefderanken,
Verlieze ik hier mij zelv' in d'oceaan der minn'.
Rust, zoete tokkling, rust! Rust, trekkende amberlippen!
Rust, eer mijn matte borst zich d'ademtocht ontzegg'!
Ai mij! Ik voel de ziel mijn' zwoegend' hart' ontglippen!
'k Bezwijk! ik zwijm! ik sterf! ik vloei van wellust weg!
[Illustratie]
[Illustratie]
THYRSIS EN EGLE,
_HERDERSZANG._
De Herder Thyrsis dreef in de eigen klaverweide
Met Egle, 't wollig vee door thijm en boterbloem:
Beide even teêr van hart', gelijk van jaren beide,
Was hij der knapen, zij der herderinnen roem.
Men zag de middagzon in 't brandend hoofdpunt blinken,
Wanneer ze in frissche schaâuw van lommrige IJpenblaân,
Op wisselende beurt' hun ruischpijp deden klinken;
En dus hief Thyrsis 't eerst zijn' zoeten veldzang aan.
THYRSIS.
Spaar, hongerige wolf, mijn geitjes: spaar mijn schapen:
Wet, wet uw tanden niet op mijn geringe kooi.
Tracht eer van groter stal een' vetter roof te rapen.
Verschoon mijn lammren slechts; 'k vergun u rijker prooi.
EGLE.
Mijn Lobbes, 'k stel dees kudde in uw getrouwe hoede:
Maar waak voor 't weerloos vee, dat u bevolen wordt;
Ontdek door luid geblaf den vijand in zijn woede.
Daar ik, in deze grot, in Thyrsis armen stort'.
THYRSIS.
Schoon Fêbus zomergloed, en wei- en akkerstreken,
De Hondstar 't teedre kruid, verzengt en blaakt en brandt;
Daar vee en grond en meir in heete dorst ontsteken;
Mij zweeft veel feller vlam door 't gloeiende ingewand.
EGLE.
Gelijk een vuur, verspreid op vruchtbre korenlanden,
Als 't woên des Noordenwinds de vlam onbluschbaar maakt:
Gelijk na ruimen oogst de ontstoken stopplen branden;
Zo is 't, dat dees mijn borst voor u, mijn Thyrsis! blaakt.
THYRSIS.
Schoon gulden Cytherê mij liefde kwam verklaren;
'k Verachtte om uwen wil Idaaljes rijksvorstin.
Al mocht ik de oude kraai in leeftijd evenaren;
Mijn Egle is Thyrsis eerste, en blijft zijn laatste min.
EGLE.
Zo God Apollo-zelf zijn min mij aan kwam bieden,
Hij, door zijn gouden lier en blonde kruin vermaard;
(Geloof me op onze min!) 'k zou zijne omhelzing vlieden:
Mijn Thyrsis is mij meer dan Fébus Godheid waard.
THYRSIS.
Ge ontrooft me, ô Egle, 't hart door uw bevallige oogen:
Mijn hart versmelt in uwe omhelzing', al te teêr!
Wend, wend dat aanzicht af: 'k bezwijk voor zijn vermogen:
Weêrhoud die stralen vuurs: mijn boezem kan niet meer!
EGLE.
Bij 't knikkend olmenloof, op jonge wijngaardloten,
Ontfing u 't schomlend wiegje uit moeders blanken schoot:
Daar laagt ge, ô schone telg, de hoop der stamgenoten!
Gelijk de lenteroos bij 't maagdlijk boezemrood.
THYRSIS.
Geen appel, door den beet van lieve maagdetanden
Gekliefd, geen veldviool, is met zoo'n geur bedeeld;
Geen balsem, geen kaneel, in Ganges kruidwaranden;
Als 't hair, dat om uw' hals met blonde golfjes speelt.
EGLE.
Och of mij waar vergund de naam van uwe Zuster!
Och had en u en mij een zelfde borst gezoogd!
Mocht gij mijn Broeder zijn!--zo ware ik veel geruster:
Mijn kusjes wierden zelfs in 't open veld gedoogd.
THYRSIS.
Gij zijt mijn Zuster; ja, mijne Egle! ik ben uw Broeder:
Één Vader teelde ons beide, één bed is ons gemeen.
Dus zegt ons 't minnewicht, dus spreekt zijn teedre moeder:
Ach, strenglen wij gerust onze armen onder een!
EGLE.
Laat af, mijn speelnoots, mij, met blijde feestgezangen,
Te leiden naar den dans: weg luit en rinkelbom!
De Idalische Godin, de Min heeft mij gevangen:
Ik ben, ik ben geheel mijns Thyrsis eigendom.
THYRSIS.
Mag ik, mijn welbeminde, u in deze armen klemmen!
Is 't purper van uw borst geschonken aan mijn' lust!
En mag ik in uw' schoot in gulle weelde zwemmen!
Bezwijmen aan uw' mond!--Rust met mij, liefde, rust!
EGLE.
Zoude ik u weigren, mij in uwen arm te omvangen?
Den wellust van mijn' schoot ontzeggen aan uw min?--
Neen, kleef mij om den hals, blijf aan mijn lippen hangen,
Zwijm op mijn zwoegend hart: gij woont, gij heerscht daar in.
THYRSIS.
Zo pronkt Eurotas boord, met schonen myrth omgeven;
Zo, de eedle muskadel, die oog en tong vergast;
Zo, 't kostlijk nardusvat, uit onyxsteen gedreven;
Gelijk uw zuivre borst met levendig albast.
EGLE.
ô Windtje, dat de blaân van 't klavergroen doet ruischen,
ô Zêfyr! koel de lucht, dat Thyrsis wellust raap:
En, vlietend beekje, gij! doe zacht uw water bruischen,
Roep met een zoet gezuis den wellustvollen slaap.
THYRSIS.
Dus zaagt ge in Venus arm, Sabeesche tempelwouden!
Adoon van weelde ontzield, wegzinkende in heur' schoot,
(En dit kon machtloos zijn, zijn' jachtlust in te houden!)
Tot Morfeus zachte hand hem 't zwijmende ooglid sloot.
EGLE.
Gelijk in lentetijd, de purperrode rozen;
Of, als de korentjes in d' Oosterschen granaat,
Die met een' zachten gloed door hun bekleedzels blozen;
Zo is de purpren blos, die zweeft op uw gelaat.
THYRSIS.
Hoe gloeien, ô mijn schone, ô wellust van mijn leven!
Uw lipjes, menigwerv' zo minnelijk gedrukt!
Geen' purpren druiventross' is zulk een glans gegeven;
Geen honigzoete kers, ten rechten tijd' geplukt.
EGLE.
Gelijk 't geboomte boogt op blaadren; 't veld op bloemen;
De duif op 't zilverwit, dat haar de veders siert;
Zo mag mijn Thyrsis meê op zijne haarlok roemen,
Die kunstloos, van natuur, hem om de schoudren zwiert.
THYRSIS.
Hier zag ik u het eerst in kinderlijke jaren,
Terwijl ge een korfje droegt, vervuld met lelieblaân;
'k Was bezig, lelies tot een bloemfestoen te gaâren:
Ach! gij bekoordet mij; de liefde gloor mij aan.
EGLE.
'k Herdenk nog, hoe we ons 't eerst ontmoeteden met de oogen!
Wij dreven 't grazend vee aan gindsche beek bij een.
Toen is mij 't minnewicht ten boezem ingevlogen,
Terwijl gij kus op kus vermengdet met uw reên.
THYRSIS.
ô Egle, bloeiender dan Tempes myrthenhoven!
Mij zoeter dan de keur van liefelijken wijn!
Gij gaat, in zuiverheid, de blanke wol te boven;
In helderheid, de beek; in rijzigheid, den pijn.
EGLE.
'k Zal u een rozengaard, een majoleintuin wezen;
Wees gij mijn Westenwind, zo bloeie ik u ter eer'.
Ontbreekt mijn Zéfyrus; de roos, hoe uitgelezen,
Verlept; de majolein verspreidt haar geur niet meer.
THYRSIS.
Kupîdo! dees abeel zal een gedichtje voeren;
Een dichtje, ô Minnegod, dat u geheiligd is:
Zo lang ik Egle, mij mijne Egle 't hart mag roeren,
Zo lang blijve ook uw naam ons in gedachteniss'!
EGLE.
Ik wil u dezen myrth, ô blanke Venus! wijden;
Deez' schonen myrth, geplant aan d'oever van dien stroom:
Hoe schudt hij 't bladrijk hoofd verwaand naar wederzijden!--
Zo bloeie ook onze min, gelijk dees myrtheboom!
Terwijl ze op deze wijze elkanders toon vervangen,
Trekt de avondstar 't gestarnte uit de Oosterluchtkimm' voor.
Dus 't hart zich zalvende met zoete beurtgezangen,
Geleidden zij de zon heur wijde loopbaan door.
[Illustratie]
* * *
DEVS, DEVS NAM ME VETAT
INCEPTOS, OLIM PROMISSVM CARMEN, JAMBOS
AD VMBILICVM ADDVCERE.
HORAT.
Welk eene werkeloosheid mijne zinnen aldus heeft betooverd,
Dat ik mij-zelven vergeet;
Of mij 't bedwelmende water van Lethe met gretige teugen
't Dorstige hart hadd' gelescht?
Wat mijne dichtaâr belet, voor u, voor de vriendschap te vloeien?
Vraagt ge ten onrecht', mijn Vriend.
Ach! eene Godheid, een Godheid verbiedt mij de Cyther te roeren:
Liefde beneemt mij de kracht.
Zo heeft de Thêïsche Dichter geblaakt door de dartele vlammen,
Die hij zo kunstloos bezong.
Zo heeft de Leeraar der liefde de liefde in Leander geschilderd,
Zo ook in Isis gemaald.
Zo hebt ge-zelf uwe borst (hoe fier ook!) voelen ontgloeien,
Voor een beminlijke Gaâ.
Juich in uw redding, mijn Vriend! maar toon u gevoelig voor
't lijden;
't Welk gij ontworstelen mocht!
INGETOOGENHEID.