Weer is het Zondag geworden; de kerkklok luidt: "Bim-Bam! Bim-Bam!"

't Zonlicht gloort en glinstert door de twijgen, de dauw tintelt op

het vochtige gras als diamanten en juweelen, de vogels kweelen in de

boomen een jubelend lied, en 't krekeltje in 't gras zingt hen na,

zoo goed als het kan: "Het is Zondag! Het is rustdag."

Dokter Abels is met zijn dochter naar de kerk gereden, en Dorus

wandelt, met zijn gedachten alleen, door den tuin en eindelijk, zonder

't eigenlijk zelf te weten, dèn weg op naar de stad.

Hij loopt peinzend voort tot aan een kromming van den weg, en als hij

den hoek omslaat, kleurt plotseling een vuurroode blos zijn gelaat:

hij staat tegenover Augusta, aan wie hij in dit oogenblik denkt.

Zij is even verlegen als hij; zij bloost nog sterker; 't karmozijn

kleurt zelfs haar hals.

In hun wederkeerige verlegenheid vergeten zij den gewonen groet te

wisselen en staan een oogenblik vlak voor elkander, zien elkaar met

groote oogen aan en zwijgen, totdat Augusta begint te lachen.

"Ik dacht niet je _hier_ te zullen ontmoeten."

"En ik liep juist aan je te denken, Augusta!"

"Aan mij?"

"Ja! Als je 't goedvindt, ga ik met je mee terug naar "Mon Repos,"

want dat is toch zeker 't doel van je wandeling, Dokter Abels is met

mevrouw Van Vliet naar de kerk, en ik geloof, dat zij dan plan hebben

om je af te halen."

"Och! dat zou mij spijten. 't Was van morgen zulk prachtig weer,

en ik had behoefte eens een wandeling te doen; daarom ging ik zoo

vroeg op weg hierheen..."

"Ik ben blij, dat ik je ontmoet heb, want..."

"Nu, want...?"

"Ik zou anders die ontmoeting gezocht, je om een onderhoud gevraagd

hebben; 'k heb iets ernstigs, zeer ernstigs voor mijzelf met je

te bespreken."

"Zoo, Dorus!" Augusta's stem beeft een klein weinig, als zij die

woorden zegt.

"Wanneer je niet te moe bent, zou je dan met mij een wandeling in

den tuin willen doen? We kunnen ook een oogenblikje in het prieel

bij den vijver gaan zitten. Wil je?"

De doordringende, warme toon, waarop Dorus spreekt, maakt haar verlegen

en stil. Zij spreekt niet meer, maar gaat zwijgend naast hem voort,

totdat zij den vijver van "Mon Repos" en het priëel bereikt hebben. Als

zij daar gezeten zijn, vat Dorus eensklaps haar hand, drukt die aan

zijn lippen en zegt innig, maar fluisterend:

"Ik kan niet langer zwijgen, Augusta! Zeg mij één ding: _mag_ ik

spreken?--Neen, antwoord mij nog niet. Denk eerst nog na, voor je

iets zegt. Zie mij eens goed aan, en zeg 't mij dan.--Mag ik spreken?"

"Ja, Dorus, ja!"

"Toe, Joakob! Kom nou ens hier, dan zâ'k oe ens 'n grap loaten zien,"

zegt Pieter de tuinman, tegen Jakob, die tegen het inrijhek zijn

pijpje staat te rooken en in 't zonlicht zijn rug baadt.

"Wat dan?"

"Dat gèf ik oe in tien moal te roaien! Ik hê 't doar net bie toeval

'ezien."

"Nu, wat is 't dan? Ik raad niet graag."

"Goai es mee! Dan kunde de juffer van Tournel in 't priëel oan den

viever zien zitten met den muzikant, onzen losé; en ze kussen mekôar,

dat 't zoo klapt."

"Wat zeg je, Pieter?"

"Goa maar ens kieken, of 't nie woar is.--Zeg! kunde gij 't nou

begriepen van zoo'n mooie frissche dèrn, dat ze zoo'n lèliken bult

nèmt?"

"'n Mensch z'n zin, 'n mensch z'n leven, Pieter!"

Krates: Een Levensbeeld · 第 43 / 47 题