TERUGGEKEERD.

"Hier ben je _te huis_." Met die woorden had dokter Abels voor Augusta

het hek van zijn buitenverblijf geopend, en als muziek klonk haar

die welkomstgroet in de ooren.

In overleg met dokter Abels had zij de huur van Tournels huis opgezegd

en bij een familie in de stad een paar geschikte kamers gevonden,

waar zij haar intrek nam, toen zij "Mon Repos" verliet.

De muzieklessen van juffrouw Tournel werden meer en meer gezocht en

vrij goed gehonoreerd, zoodat zij op voldoende wijze in haar onderhoud

kon voorzien.

Van Dorus had zij na het overlijden van haar vader een kort, maar

hartelijk briefje ontvangen, uit Weenen gedateerd. Hij schreef:

"Ik gevoel met u, wat gij in den goeden ouden man verliest; ik

treur met u, want hij was mij lief als een oprecht en onbaatzuchtig

vriend.... Over eenige maanden hoop ik weer in Holland te zijn en u

de hand te drukken."

Aan dokter Abels had hij te gelijker tijd geschreven:

"Mijn kunstreis spoedt ten einde; 't zijn nu bijna zes volle jaren,

dat ik rondgezworven heb, en het denkbeeld lacht mij toe om u en de

uwen spoedig weer te ontmoeten. Ik zie er nu ook niet meer tegen op,

beste vriend! Ik geloof, dat mijn wond genezen is en dat ik zonder

gevaar Augusta kan terugzien. Zonder gevaar voor mij zelven, bedoel ik,

want--vergeef mij mijne, misschien naar uwe meening ietwat te romaneske

ideeën--tot dusverre was ik nog niet genezen van de dwaasheid om te

gelooven, dat men, een vrouw namelijk, hetgeen ik achter den rug heb,

zou kunnen voorbijzien. De muze is in dat opzicht inschikkelijker,

hoewel niet overal evenzeer. Bijgaand blad zal u doen zien, dat

hier te Weenen bij voorbeeld nog kunstkenners zijn, die beweren:

"_Mann soll die Augen schliessen, wenn Makkoszch spielt, denn nur

dan ist er ein Titane!_"

".... Het doodsbericht van mijn goeden Tournel heeft mij doen

ontstellen. Augusta is nu alleen. Hoe blijft zij achter?... Doch wat

vraag ik! Zij heeft immers u tot vriend, en dat zegt alles...."

't Is schemeravond; de dag was warm en zonnig, en nog is de lucht

zoel en warm onder de boomen, maar 't lichte koeltje, dat nauwelijks

ritselend door de bladeren vaart, verfrischt de natuur, die ter

ruste neigt.

De wolken, wollig gevlokt, kleuren zich met kleine schubbige rosse

randen, waartusschen hier en daar een gulden boordsel schittert. 't

Azuur schemert door het fijne parelmoer der nevelachtige massa's,

die oprijzen aan den gezichteinder; 't scheidend licht vlamt om de

onderste wolken en de gouden schijf der zon daalt langzaam onder

de kim. De wind wordt iets sterker en zachtkens wuiven de kruinen

der boomen hun afscheidsgroet aan den dag. 't Wordt donker onder de

zware boomen, die langs den weg staan, welke naar "Mon Repos" voert;

't klingelend belletje aan den hals der koe, die door de boerenmeid

langs den berm naar den stal wordt geleid, weerkaatst nog even den

gulden glans van 't zonnelicht, en dan wordt alles vaal en onbestemd

van kleur. De laatste schaduwen verdwijnen, maar hoog in 't uitspansel

is 't nog blauw en vlokkig wit.

Het groen der boomen wordt donkergrauw en over het gras der weide hangt

een lichte sluier van dauw, nu en dan bewogen door den zwakken wind.

't Is avond geworden.

Een enkele ster schittert reeds aan den hemel, die zich effen en

donkerblauw over de aarde welft.

In de tuinkamer van dokter Abels' villa is licht, en ruischend

klinken de akkoorden van den vleugel door de opengeslagen deuren in

den stillen avond.

"Ich grolle nicht,

Wenn mir das Herz auch bricht!"

zingt een melodieuse, krachtige altstem.

"Wenn mir das Herz auch bricht!"

herhaalt op zachten toon een jonkman, die, met de eene hand tegen

het hek der villa leunend, is blijven staan. Een boerenjongen,

die een valiesje en een vioolkist draagt, staat naast hem en ziet

met verwondering, dat de heer, dien hij van den postwagen hierheen

heeft geleid om het een en ander voor hem te dragen, plotseling is

blijven stilstaan.

"Ie kunt wel noar binnen gaan, m'neer! Wie bint hier terecht bie den

dokter. Heur ie wel? Zie speult en zingt doarbinnen."

De vreemde blijft staan en antwoordt niet.

"Die doar speult, is de jonge mevrouw, en die doar zingt, is de juffer

uut de stad, van den olden heer Tournel, die...."

"Daar heb je iets voor je moeite. Zet die bagage maar neer; 'k zal

ze zelf mee naar binnen nemen...."

"Zâ'k 't niet efkes veur oe naar 't huus brengen, m'neer?" vraagt de

jongen, die verheugd is over het kwartje, dat hij gekregen heeft.

"Niet noodig; dank je. Ga heen."

"Nou, m'neer mòt 't eiges weten; anders...."

"Ga dan toch heen!" klinkt ongeduldig het antwoord.

"Wat 'n roare, kribberige vent," pruttelt de jongen, terwijl hij zich

zich verwijdert.

"Ich sah dich ja im Traume;

Ich sah die Nacht in deines Herzens Raume

Und sah die Schlang', die dir am Herzen frisst;

Ich sah mein Lieb, wie sehr du elend bist.

Ich grolle nicht!--Ich grolle nicht!"

Onbeweeglijk blijft Dorus bij het hek staan; die stem dringt hem

door zijn geheele ziel. Hij leeft in het verleden door dat lied,

en ontroering grijpt hem aan bij het hooren van dat krachtige geluid,

zoo innig zacht en melodisch in zijn kracht. Zijn oogen worden vochtig;

het hart klopt hem in de keel.

"Ik geloof, dat ik nu genezen ben," schreef hij eenige maanden geleden

aan dokter Abels; en nu....?

Neen! hij is niet genezen; de wond wordt onbarmhartig weder opengereten

door die stem; zij bloedt opnieuw, heviger dan ooit. Hij dacht sterk

te zijn, toen hij den weg insloeg naar 't kleine stadje; hij is zwak,

nu hij er is, en bezwijkt bijna, als hij zich in de onmiddellijke

nabijheid weet van haar, die hem nog boven alles dierbaar is.

Weifelend staat hij tegen het hek geleund. Zal hij weer

terugkeeren? Zal hij verder gaan en haar nu in dit oogenblik

terugzien? Hij vreest voor zichzelven.--Waarom? Omdat hij een gevoel

heeft, alsof hij, zoodra hij Augusta terugziet, haar hand moet grijpen

en uitroepen: "Augusta, ik heb je niet vergeten, ik heb je lief, ik

kan zonder jou niet leven." Omdat hij vreest, dat zij hem medelijdend

zal aanzien en zeggen... Ja, wat zal ze eigenlijk zeggen? Dat weet

hij niet, maar hij gevoelt, dat zij zonder woorden, alleen door een

enkelen blik, hem zou kunnen afwijzen.

"_Ich grolle nicht_," ruischt het nogmaals en voor 't laatst door de

geopende deuren; 't geluid sterft weg, en duidelijk hoort hij dokter

Abels' stem, die "bravo" roept.

Hij denkt niet meer na, hij overlegt niet meer, maar een oogenblik

later staat hij in de kamer en drukt hartelijk des dokters handen.

Augusta staat ietwat bleek en bevend bij den vleugel en mevrouw

Van Vliet begroet hem met de woorden: "Dat is een groote, aangename

verrassing voor ons allen. Hoe jammer, dat mijn man juist op reis is."

Augusta nadert en reikt hem de hand, die hij even hartelijk drukt en

dadelijk weer loslaat, met de woorden: "En jij, Augusta?"

Het rouwgewaad, dat zij draagt, kleedt haar uitmuntend, en zij schijnt

hem schooner toe dan ooit; maar hij waagt het nauwelijks haar aan

te zien.

Het is alsof beiden gevoelen, dat er tusschen hen, belemmerend, een

onuitgesproken woord ligt; de gedachte daaraan doet hen beurtelings

bleek worden en blozen, terwijl zij eenige alledaagsche woorden

wisselen.

"En nu blijf je voorloopig mijn gast, niet waar?"

"Wanneer ik mag, gaarne!"

"Of je moogt? Nu, dat is ook een vraag; ik heb er zeer naar verlangd je

weer te zien, en zij ook," zegt dokter Abels, op de dames wijzend. De

goede man laat zich op zijn gemakkelijken leunstoel achterovervallen

en vervolgt: "Laat me je nu eens aanzien. Hm! die blonde baard staat

je goed, Dorus; je ziet er best uit,--gezond; 't reizen heeft je

geen kwaad gedaan.--Je kunstreis is dus geëindigd; en wat zijn nu

je plannen?"

Weldra zitten allen onder de veranda bijeen; de avond is verrukkelijk

schoon en koel en 't maanlicht is zoo klaar en helder, dat men er

niet aan denkt licht op te steken.

Hoe levendig en bezield verhaalt hij van zijn reizen; hoe schildert hij

zijn kleine wederwaardigheden en lotgevallen. Soms klinkt een heldere

lach van Albertines of Augusta's lippen, als hij vertelt van Majôsz

en zijn impressario, of den indruk weergeeft, dien de verschillende

menschen, steden en landen op hem maakten.

"Hij is bepaald geestig," zegt fluisterend Albertine tot Augusta,

als Dorus een alleraardigste beschrijving geeft van een concertavond

te Weenen.

"Hij is goed, nog evenals vroeger," denkt Augusta, als hij in den loop

van het gesprek met groote achting en genegenheid over haar gestorven

grootvader spreekt; en dokter Abels verwondert zich in stilte over

de ontwikkeling en beschaving, die doorstralen in elk woord, dat

hij zegt. De avond is omgevlogen, eer men er aan heeft gedacht, en

't is reeds laat, als Dorus het verhaal van zijn kunstreis eindigt

met te zeggen:

"Wat nu mijn plannen zijn, vraagt ge, dokter?"

"Ja! Ga je weer een nieuwe reis ondernemen?"

"Ja en neen!"

"Hoe zoo?"

"Men heeft mij een vast engagement te Hanover aangeboden, een zeer

goede plaats. Wat dunkt u, zal ik die aannemen?"

"Zonder twijfel! Ge kunt in 't buitenland beter carrière maken dan

in ons kleine Holland."

"Misschien wel."

"Meneer, 't rijtuig voor de juffrouw is voor!" klinkt eensklaps

Jakobs stem.

"Is 't al zoo laat, dokter?"

Allen geleiden Augusta naar het gereedstaande rijtuig, en na een

kort afscheid en een "wel thuis" rolt het den weg op, die daghelder

verlicht is door de maan.

"Ik dacht, dat zij hier logeerde," zegt Dorus met een zweem van

teleurstelling in zijn stem.

"Ze komt alleen Zondags hier; in de week heeft zij het te druk met

haar lessen."

Nogmaals kon Dorus op de logeerkamer van "Mon Repos" niet slapen. Hij

opende het venster en zag naar buiten in den stillen nacht.

Het maanlicht droomde op de boomen en liet de boschjes en bloembedden

in den tuin phantastisch gevormd uit het duister te voorschijn

komen. Hier en daar blonk het op de kiezelsteenen van het pad, met

een twijfelachtig, geheimzinnig licht. De late rozen bloeiden nog en

het zuchtje, dat over den tuin streek en zachtjes fluisterde in de

toppen der boomen, koelde zijn brandend voorhoofd en vulde de kamer

met een zachte, geurige lucht.

Geen mensch was meer in den omtrek te zien; geen licht scheen meer

uit de tuinmanswoning aan het einde van de laan; geen geluid kwam uit

de stad tot hem over dan het slaan van een torenklok en nu en dan het

geblaf van een enkelen hofhond, die aansloeg, verschrikt door de een

of andere nietige oorzaak.

Twaalf malen sloeg de klok in den ouden toren. Dorus telde de slagen,

die de avondkoelte uit de verte tot hem overbracht als een oude bekende

stem. Hij wist, dat het de toren was, die dicht bij Tournels huis

stond, de oude toren, dien hij zoo dikwijls van uit zijn kamertje

had gezien. Peinzend zat hij voor het open venster; alles kwam hem

weer zoo levendig voor den geest, als ware het pas heden gebeurd,

en toch lagen veel lange jaren tusschen het heden en het verleden.

Hij zag nu zijn dwaasheid in, om destijds zoo overhaast uit het

vriendelijke huis te vluchten. "Wie weet!" zuchtte hij, "wie weet,

als ik destijds gesproken had!"--"Neen! Neen!" riep een stem in zijn

binnenste, "toen kon zij mij niet liefhebben.--En nu? O, God! als

zij het _nu_ kon, wat zou ik gelukkig zijn; maar..."

De maan wierp haar schaduw op het witte behangsel, en onwillekeurig

riep hij, haar ziende: "Ach neen! nooit zal zij kunnen."

Hatelijke schaduw! Onvriendelijke maan, waarom verstoort gij op eens

al zijn illusiën? Ziet gij dan niet, dat uw licht weerkaatst in een

paar dikke druppels, die langs zijn wangen in zijn baard rollen?

Maar gij zult geen eer hebben van uw vernielingswerk; als gij u achter

de wolken verschuilt, zal zijn blik niet meer omsluierd zijn en de

troostende stem in zijn binnenste zich weer doen hooren. Zij zal hem

toefluisteren: "_Toen_ kon zij niet. Maar nu?--Misschien!--Misschien!"

Toen Augusta in haar kamer was teruggekeerd, kwam het haar voor,

alsof er met haar iets wonderlijks was gebeurd, alsof een innerlijke

stem haar toeriep: "Hij staat boven u tot hem kunt ge opzien, hij is

verstandig, hij is goed en... hij heeft je nog lief." Ze schrikte

van die gedachten en trachtte zich rekenschap te geven, hoe ze wel

ontstonden. Ze wist het niet. Toen vroeg zij zichzelf af, of zij hem,

Dorus, liefhad, of zij in hem zou vinden, wat zij zocht: een man,

wiens arm haar een steun zou zijn, wiens geest voedsel was voor den

haren. Ze beefde en was boos op zichzelf, dat zij zoo dacht. Zij

wilde slapen, maar zij kon niet, zoo bonsde haar hart. Zij wilde

over iets anders denken, maar vermocht het niet. Telkens en telkens

weer zag zij de groote donkere oogen van Dorus op zich gevestigd en

hoorde zij zijn vraag: "En _jij_, Augusta?" Was het niet geweest,

als wilde hij vragen: "Ben je ook verheugd mij weer te zien, of is

het je onverschillig?"--Hoe het mogelijk was, dat zij destijds dien

Brouwer had kunnen liefhebben, begreep zij nu niet. Hoe onbeduidend

en oppervlakkig, hoe gemaakt, egoïst en gedwongen kwam haar zijn

geheele zijn en persoonlijkheid voor, als zij hem vergeleek bij Dorus'

levendige natuur, goedhartigen eenvoud en bescheidenheid. Het scheen

haar toe, als had zij den hoogen rug, die haar vroeger zoo akelig

misvormd voorkwam, niet meer gezien.

"Wonderlijk!" dacht zij, hij heeft toch nog hetzelfde figuur... maar

als hij spreekt, vergeet men dat door 't geen hij zegt..." Toen

dacht zij er over na, dat Dorus koeler en beleefder was geweest

dan vroeger, en dat hinderde haar. Zij wilde hem hebben, zooals hij

destijds was. Maar waarom? Waarom? Hij was voor haar toch niets meer

dan een broer; had zij 't niet zelf gezegd? Of kon hij haar eenmaal

meer zijn?--Misschien! Misschien!" fluisterde de geheimzinnige stem

in haar binnenste.

't Was dezelfde stem, die Dorus hoorde in zijn kamer en die hem ijlings

het venster deed sluiten en 't gordijn neerlaten, opdat het maanlicht

hem niet langer zou ontstemmen.

Krates: Een Levensbeeld · 第 42 / 47 题