Vriendelijk vraagt dokter Abels: "Je bent dus zoo even aangekomen?"

"Ja, dokter!"

"Je bent vermoeid, dat kan ik aan je zien; ga zitten."

Dorus plaatst zich zwijgend tegenover hem in een stoel.

De vriendelijke oogen van den dokter vestigen zich met een ernstige

uitdrukking op Dorus' gelaat. Er ligt in den blik, waarmede hij zijn

beschermeling aanziet, een zacht verwijt, als hij vraagt:

"Wat heb ik gedaan, Dorus, dat ik je vertrouwen niet meer bezit?"

"U, dokter?"

"Ja, ik. Luister eens, beste jongen. Je hebt me gegriefd door die

plotselinge vlucht; ik gebruik met opzet dat woord, want je overhaast

vertrek mag bijna dien naam hebben. Waarom ben je niet bij mij gekomen,

om mij te zeggen, wat er gebeurd is, op of na het bal van Polyhymnia?"

Dorus zwijgt verlegen.

"Is 't waar, Dorus, wat juffrouw Barbara zegt: Ben je toen 's nachts

dronken tehuis gekomen, en is 't omdat je je daarvoor schaamdet,

dat...?"

"Dronken, dokter, ik? Dat's onwaar, geheel onwaar." Een gloeiend rood

van verontwaardiging kleurt zijn wangen. Als een weerlicht vliegt hem

de gedachte door 't hoofd: "Ook dat nog: dronken! denken ze--en Augusta

zal 't gelooven!" Met vaste stem herhaalt hij: "Dat is gelogen!"

"Ik geloof je; 't doet me genoegen, dat 't niet zoo is. Maar wat

bewoog je dan, om...."

"Om zoo overhaast heen te gaan? Och, dokter, zie mij niet zoo

uitvorschend aan; ik wil u, hoe moeielijk 't mij ook valt, alles

zeggen;--maar lach mij niet uit."

"Waarom zou ik je uitlachen?"

"Omdat!... Omdat!... Ik weet het niet..." en plotseling zijn stoel met

een ruk naar dien van den dokter schuivend, vat Dorus met beide handen

de rechterhand van zijn beschermer, en terwijl hij die krampachtig

drukt, zegt hij dof: "Omdat ik zoo diep ongelukkig was en nog ben..."

"Wat zeg je daar: diep ongelukkig, jij, en dat na 't succes van dien

avond? Ik begrijp je niet!"

Een oogenblik zwijgt de jongeling, maar een aanmoedigend: "Kom jongen,

spreek! Wat drukt je?" doet hem moed vatten en blozend zeggen:

"Augusta!"

Even, bijna onmerkbaar, glijdt een fijn lachje over het gelaat van

den dokter en een zeer zacht "Aha!" ontglipt zijn mond.

"'k Heb haar lief, o, zoo lief!" zucht Dorus, en droef laat hij er op

volgen: "maar zij mij niet. Hoe zou ze ook, mij een.... bochel, een..."

"O, wringt de schoen daar!.. Maar vriendlief, _hoe_ kon je zoo dwaas

zijn om...?"

"Om te denken, dat zij...?"

"Neen! om heen te gaan....?"

"Om heen te gaan? Och, dokter, nu voel ik, dat 't een dwaasheid was,

maar ik had ook zooveel geleden in dien nacht; ik zag, dat zij een

ander liefheeft en...."

Medelijdend ziet dokter Abels hem aan, als hij antwoordt:

"Er zijn meer lieve meisjes in de wereld, Dorus. Troost je; je bent

nog zoo jong, dat...."

"Hoe kunt u dat zeggen, dokter! Moet men dan eerst oud zijn om lief

te hebben?"

"Dat niet, Dorus, maar..."

"Maar ik zal nooit meer eene andere kunnen lief hebben, nooit! dat

weet ik zeker."

"Wees kalm en redeneer."

"Liefde redeneert niet, dokter; dan is het geen liefde. Ze is

plotseling in mij ontgloeid, ontvlamd als een vuur, en ik voel,

dat het mij verteert, maar..."

"Denk eens bedaard na."

"Dat kan ik niet! ik heb nog nooit iemand zoo liefgehad, nog nooit

heb ik zoo iets ondervonden; ik zou alles kunnen opofferen, alleen om

haar mijn vrouw te mogen noemen. En toch kan dat niet! kan dat nooit!"

Dorus begint hartstochtelijk te weenen, hij houdt de handen voor

het gelaat en bemerkt dus niet, dat dokter Abels hem medelijdend

glimlachend aanziet.

"En dan te moeten zien, dat een ander die gelukkige is; te moeten zien,

hoe zij... O! ik zou dien man kunnen vernielen!" Plotseling balt hij

de vuisten, heft ze omhoog en schudt ze zoo dreigend, dat de dokter

hem verschrikt aanziet en zegt: "Je bent jaloersch, arme Dorus!" In

zichzelven denkt hij: "Welk een hartstocht!"

"Ik kon het niet langer aanzien; ik zag, dat hij gelukkig was, en

ik... ik stond daar en mij zag men hoogstens meelijdend aan. Vervloekte

bochel!... Toen ben ik heengegaan, noem het gevlucht, als u wilt;

gevlucht, ja, maar voor mijzelven."

Weer slaat Dorus een oogenblik de hand voor de oogen; hijgend ontsnapt

de adem aan zijn borst en afgemat leunt hij eindelijk in den stoel,

waarin hij bij de laatste woorden weer heeft plaats genomen.

Oplettend slaat de dokter elk zijner bewegingen gade en onwillekeurig

komt de gedachte in hem op: die vulkaan moet gebluscht worden, anders

verteert hij hem zonder genade, lichamelijk en geestelijk. Hij

wacht een oogenblik voor hij opstaat en, vriendelijk de hand op

Dorus' schouder leggend, tot hem zegt: "Je bent nu niet vatbaar

voor redeneering."

"Neen! o, neen."

"Luister eens, mijn jongen. Ik ben ook zoo geweest als jij, ik heb ook

geleden, gehoopt en gewanhoopt, evenals iedereen dat op zijn beurt doet

in het leven: maar mijn goede vader, heeft mij steeds weer tot kalmte

gebracht door zijn bedaardheid. Zie! ik wou, dat ik dat bij jou ook

kon. Mijn jongen is dood, Dorus; ik beschouw jou als mijn zoon, niet

waar, dat weet je wel? En daarom _moet_ je naar mij luisteren. Kom,

word nu eens bedaard. Je houdt immers van me, je vertrouwt me. En..."

Eensklaps grijpt Dorus met beide handen die van den dokter en drukt

er zijn lippen op. Een diepe zucht ontsnapt zijn borst; hij buigt

even het hoofd en richt het daarna met een ruk op, als schudde hij

iets van zich af.

Een oogenblik ziet hij dokter Abels met vochtige oogen aan, en deze

laat hem tijd om tot bedaren te komen.

"Tracht je nu te beheerschen, want ik moet je over een andere, voor

jou zeer gewichtige zaak spreken. Kom, wees man en luister oplettend

naar 't geen ik je zeggen zal."

"Dokter, ik ben bedaard."

"Goed! ga dan rustig zitten en vertel mij eens: wat kun je je

herinneren uit je eerste jeugd, van je vader, van je moeder, van je

huis? Herinner je je den ouden Strijkman nog?"

Deze vragen geven afleiding aan Dorus' gedachten. Hij ziet verwonderd

zijn ondervrager aan en antwoordt:

"Zeker, ik herinner mij alles."

"Ook dat je een oom hebt in Amerika?"

"In Amerika? Een broer van vader?"

"Juist."

"Dat weet ik niet zeker meer.--Maar wacht eens!.. Ja! ik herinner

mij toch wel, dat ik eenmaal een brief heb gezien, die..."

"Heb je nooit papieren gehad? Weet je niet, of je vader ze had?"

"Papieren? Wel zeker, nu komt het mij op eens in de gedachten: er waren

verschillende papieren, die... O, nu staat het mij in eens duidelijk

voor den geest, ze waren in de latafel; Strijkman nam ze mee.--Maar,

dokter, wat beteekenen die vragen? Wat wil men van mij?"

"Die oom van je in Amerika is gestorven en heeft geld nagelaten aan

je vader."

"Mijn vader is immers dood!"

"Maar jij bent zijn erfgenaam en daarom komt dat geld jou toe! 't Is

een kapitaaltje, dat..."

"Dus zou ik rijk worden, ik?"

"Rijk, neen, dat is het woord niet, maar..."

"Wat zou ik ook met veel geld doen," zegt Dorus weemoedig

glimlachend. Mijn brood kan ik overal verdienen, dank zij uwe goedheid,

en meer heb ik toch niet noodig."

In korte woorden verhaalt dokter Abels aan Dorus wat de procureur

Verhagen met hem heeft besproken; hoe de vrekkige pandjesbaas alle

mogelijke moeite aanwendt om de erfenis machtig te worden, en hij

eindigt met de woorden:

"We zullen in de eerste plaats zien, of we jou identiteit voldoende

kunnen bewijzen, en ten tweede, of we dien ouden schurk en zijne dame

een poosje vrij logies kunnen verschaffen."

Intusschen is voor Dorus' geest het beeld van zijne kindsche jaren

opgerezen en 't is hem alsof hij weer de striemen, die Strijkman hem

eenmaal met de hondenzweep sloeg, voelt branden. Geheel zijn droevig

verleden komt hem in de gedachten en met vaste stem zegt hij tot

dokter Abels: "Stel mij tegenover Strijkman, dokter, en gij zult zien,

dat ik hem klein krijg; we hebben nog een oude rekening te vereffenen."

De Donderdagmorgen is daar. Op het kantoor van den procureur Verhagen

krassen de pennen niet sneller of langzamer dan gewoonlijk. De

heeren Krasser en Van Blaak zijn even te voren door hun patroon

genoegzaam ingelicht over hetgeen weldra gebeuren zal, en Keesje,

die intusschen van jongsten bediende klerk werd, is er trotsch op,

dat ook hij deelgenoot is geworden van het plan, dat de heer Verhagen

en dokter Abels, ingelicht door Dorus zelven, maakten om Philip

Strijkman c. s. in de val te krijgen. Hij zit op zijn hooge kruk te

popelen van ongeduld.

"'t Is juist een kolfje naar mijn hand," denkt hij, "en als hij

door de mand valt, zal ik hem nog eens ferm de huid volschelden,"

zegt hij in stilte.

"Laat Janus eens even hier komen; waar is hij?" zegt de heer Verhagen,

die voor zijn bureau zit.

"Hij zit in de keuken zijn boterham te eten, meneer."

"Roep hem hier!"

Een oogenblik later staat de looper, met den hoed in de hand, voor

zijn patroon.

"Wat is er van uw orders, meneer?"

"Heb je die juffrouw Ram nu gevonden?"

"Jawel, mijnheer; 't is een heele toer geweest: ze woont al sedert

een jaar of derdehalf niet meer in de buurt, en.."

"'t Is goed. Zal ze komen?"

"Jawel, meneer; ze had er eerst geen fiducie in. "Ik heb nooit iets

met de heeren van 't gerecht te doen gehad," zei ze, en ze begreep

niet, wat u van haar wou; maar toen ik haar vertelde, dat er..."

"Dank je voor 't overige. Ga, voor meerdere zekerheid dat zij komt,

nog eens naar haar toe, om haar te herinneren, dat ze tegen halftwaalf

hier dient te zijn."

"Bestig, meneer!"

"Je hebt gisteren bij dokter Abels een paar malen boodschappen gedaan

en dien jongenheer gezien, die bij hem logeert niet waar?"

"Om u te dienen, meneer!"

"Heb je in zijn tegenwoordigheid ook iets van juffrouw Ram gezegd,

of haar naam genoemd?"

"In 't geheel niet!"

"Goed; je kunt gaan."

"Morgen, meneer!"

Tot Van Blaak en Keesje zich wendend, vervolgt de procureur: "Wanneer

dokter Abels en dat jongmensch komen, verzoekt u hen beleefd zoolang op

de bovenvoorkamer te wachten. Als juffrouw Ram komt, laat u haar in 't

spreekkamertje en zorgt, dat zij alleen blijft. Hebt ge dat begrepen?"

Van Blaak en Cornelis antwoorden bevestigend.

"Meneer Krasser, wil u zorgen, dat wij niet gestoord worden. U kunt

alles behandelen, wat er komt." Krasser draait zijn hoofd om en knikt

met de pen tusschen de lippen, terwijl hij een brief dichtlakt.

In juffrouw Juttner's kamertje zit Strijkman in zijn gewone zondagsche

pak met zijn onafscheidelijke parapluie tusschen de knieën, en de

weduwe, alias juffrouw Blommers, geeft haar zoon Kobus nog, zooals

zij het noemt, een pil in, door te zeggen:

"Nou niets vragen of zeggen, alleen antwoorden, hoor je?"

"Ook niet zeggen van Dorus, moeder?"

"Dorus, zoo heet je immers. En hoe nog meer?" vraagt Strijkman.

"Makko."

"Goed, heel goed."

"Maar waarom heet ik nou Makko?"

"O, kristenzielen! wat een os, wat een stommerd. Als hij dat dáár zegt,

loopt alles mis."

"Hij zal z'n eigen wel stilhouden, Strijkman, maak je maar niet

benauwd. Wat ben jij toch voor een kerel, ba!..."

"'t Is kwart voor elf... we moeten gaan. Zeg, Dorus, zul je je

goed houden?" vraagt Strijkman nog eens. De parels van angst en

zenuwachtigheid staan op zijn voorhoofd.

De onnoozele jongen ziet hem wezenloos aan en vraagt: "Niemendal

zeggen?"

"Hou nou asjeblieft op met zeuren, Strijkman; je bederft er meer mee

dan je goedmaakt," zegt vrouw Juttner, terwijl zij met de anderen de

straat opgaat.

Onder weg bespreken zij nog het een en ander en staan eindelijk op

de stoep bij Verhagen.

't Slaat elf uren. "Ringelinggeling," klinkt de huisschel.

Keesje springt op van zijn kruk en fluistert nog even tegen Van Blaak:

"Daar zullen ze zijn."

De procureur, die het schellen eveneens heeft gehoord, staakt de

lectuur van het stuk, dat hij onder handen heeft, en zegt. "Laat ze

op het zaaltje en blijf in het kamertje er naast, totdat ik schel..."

"Best, meneer!"

"Ga nu maar opendoen!"

Uitermate beleefd en vriendelijk wordt het drietal door Keesje aan

de deur ontvangen en met de woorden: "Wilt u maar zoo goed zijn en

op het zaaltje komen; mag ik u maar voorgaan?" wijst hij hun den weg

naar de opkamer achter de gang.

Strijkman en vrouw Juttner wisselen een veelbeteekenenden blik,

als zij binnentreden. Keesje geeft hun stoelen.

"Neemt u zoolang plaats, asjeblieft; ik zal mijnheer dadelijk

waarschuwen, dat u er is."

Als de klerk zich verwijderd heef, ziet Strijkman om naar de deur,

staat op, opent die op een kiertje en ziet oplettend in de gang;

niemand ziende gaat hij weer zitten en fluistert: "Zeg! dat's andere

thee, hoor! Zoo heeft hij ons nog nooit ontvangen!"

"'k Weet niet, Strijkman, maar ik ben niets op mijn gemak: 't is me

nu al te mooi."

"Ben je dol. Waarom?"

"Dat weet ik niet, maar ik heb zoo'n idee, dat...." Verder komt zij

niet, want de procureur treedt binnen, legt het dossier, dat hij

in de hand houdt, op tafel en neemt met een kort "goeden morgen"

tegenover hen in een armstoel plaats.

Allen zwijgen, alleen Strijkman schraapt zich de keel en hoest achter

zijn rooden zakdoek.

"Ik heb u verzocht hier te komen, ten einde nog eens over de erfenis

van Dorus Makko te spreken."

"Juist, meneer."

"Er is lang en breed overleg toe noodig geweest, om in deze zaak eenig

licht te verkrijgen. We hebben dat nu, en alles kan geregeld worden,

wanneer u voldoende de identiteit kunt bewijzen van dit jongmensch,

dien u noemt Dorus Makko, den wettigen zoon van Nicolaas Makko,

in leven hondenkoopman te Amsterdam."

Strijkman heeft reeds de hand in den zak gestoken en grijpt uit

gewoonte naar de papieren, maar hij trekt haar ledig terug, en op de

weduwe Juttner wijzend, zegt hij: "Juffrouw Blommers heeft ze."

"Wat?"

"De pampieren, de bewijzen, meneer!"

"O ja, daar wilde ik u juist om verzoeken. Heeft u alles bij u,

juffrouw?"

"Jawel, meneer de avekaat. Ziet uwé, hier is het geboortebewijs; dat

is de trouwakte, en hier heb ik den brief en 't portretje. Asjeblieft."

"Dank u." De heer Verhagen neemt de papieren aan, ziet ze vluchtig

in en legt ze onder zijn bereik, naast zich, op tafel.

"Is 't zoo in orde, meneer?" vraagt Strijkman.

"Die papieren, ja,--de zaak, neen. Zou u er een eed op kunnen doen,

dat dit jongmensch de zoon is van Nicolaas Makko?"

Met het vroomste gelaat van de wereld antwoordt de pandjesbaas:

"Een eed? Met liefde, meneer! Met liefde! Twee zelfs!"

"Dus u is er volkomen zeker van?" Verhagen fronst even de wenkbrauwen.

"'k Wou, dat ik zoo zeker was van de honderdduizend, meneer."

"En u, juffrouw, zou u er ook een eed op kunnen doen?" vraagt de

procureur met nadruk.

Eenigszins verward door de omgeving, de strenge blikken van den

procureur en vooral door de woorden van Kobus, die juist "moeder,

mooi hier, hé?" zegt, stottert zij: "Ja, ja, ziet u-u uwé, een

eed..." En zich herstellend, vervolgt zij op vaster toon: "'k Heb

't kind zoo van de straat opgenomen, en ik ga alleen op hem af, weet

u. Strijkman heeft de pampieren gehad en herkon dadelijk den jongen,

begrijpt u? Dus... die... pampieren..."

"Die papieren zijn volstrekt geen bewijzen, in 't minst niet."

"Wâblief?" vraagt Strijkman verschrikt.

"Een geboortebewijs en een trouwakte kan iedereen op het stadhuis doen

lichten. Alleen de brief zou een bewijsstuk kunnen worden, wanneer..."

"Ja juist, die brief en 't portretje," grinnikt de pandjesbaas.

"Is er niemand buiten u, die den zoon van Makko zou kunnen

herkennen? Een van de vroegere buren bij voorbeeld?"

"Och, meneer! wie zou dat moeten zijn! En bovendien als ik uwé nou op

mijn woord van eerlijk, braaf mensch verzeker, dat hij het is... Ik

zal me toch zoo niet bezondigen, meneer, om een valschen eed te willen

doen." Strijkman verdraait zijn oogen, zucht en zet een gezicht als

een catechiseermeester.

"Men heeft mij verteld, juffrouw, dat dit ongelukkig jongmensch niet

de zoon van Makko, maar uw eigen zoon is." Verhagen ziet juffrouw

Blommers scherp en uitvorschend aan.

"Wa-wa-wa-t-zz-zegt u daar?" De weduwe verschiet van schrik, maar

herstelt zich spoedig en lacht. "Hè! hè! hè! dat 's grappig; nou

zouën ze mij nog een kind willen oplasteren; hè hè! hè!" Zij wischt

zich van angst haar slapen en voorhoofd.

Strijkman is eveneens hevig geschrikt, maar begint ook quasi hartelijk

te lachen en grinnikt: "Waar halen de menschen de leugens vandaan! En

wie heeft dat gezegd, meneer de avekaat?"

De heer Verhagen ziet het tweetal eenige oogenblikken doordringend

en zwijgend aan, vóór hij, op elk woord nadruk leggend, antwoordt:

"Wie? Eenvoudig een jongmensch, iemand die zich bij mij heeft aangemeld

als rechthebbende op de erfenis van..."

Een vale bleekheid verspreidt zich eensklaps over Strijkmans gelaat,

zijn lippen beven en zijn oogen gaan rusteloos heen en weer. "Dorus is

niet dood, maar teruggekomen", die gedachte schiet hem bliksemsnel door

't hoofd. Een siddering gaat door zijn geheele lichaam, en hoewel hij

zit, knikken zijn knieën en zwikken zijn enkels, terwijl zijn handen

zich zenuwachtig openen en sluiten.

Als een jammerlijke verschijning, die in elken gelaatstrek schuld

verraadt, zit hij daar, en juffrouw Juttner tegenover hem denkt:

"Hij krijgt er wat van! Hij krijgt er wat van!" Ook haar is een

rilling door de leden gevaren, maar zij houdt zich goed en tracht

zelfs te glimlachen.

Intusschen heeft Strijkman zijn zelfbeheersching teruggekregen. Hoewel

nog bleek en eenigszins onvast van stem, antwoordt hij, zich tot

een heesch lachen dwingend: "Hè! hè! hè! hè! dat is wel aardig,

dat is casuweel."

"Moeder," vraagt fluisterend Kobus, die al dien tijd stil op zijn

stoel is blijven zitten: "Moeder, heet ik nou Makko?"

"Stil toch," antwoordt vrouw Juttner even zacht, maar uiterst angstig,

dat hij nog meer zal zeggen. "Hou je mond dan toch."

Hoe zacht die woorden ook gesproken zijn, toch heeft de procureur

ze verstaan, en daarom richt hij nu 't woord tot den ongelukkigen

idioot. "Wat zei je daar?--O ja, 't is waar, hij is immers doof?"

"Och heere ja, meneer!"

"Kom eens bij mij." De procureur wenkt hem tot zich.

"Kobus gaat om de tafel heen en staat nu naast den heer Verhagen,

die hem zeer luid vraagt: "Jij heet Dorus, is 't niet zoo?"

"Makko."

"Zoo!"

Vrouw Juttner en Strijkman herademen op dat woord.

"Dorus Makko?"

Zijne moeder vragend aanziende, zegt de aangesprokene op doffen toon:

"Nou niets zeggen, hé?"

"Ga jij maar weer zitten; ik begrijp genoeg.--Hoor eens, baas

Strijkman, ik zal maar niet langer omwegen maken; jij bent een oude

schurk, en zij is je medeplichtige. Je zoekt mij met je beiden een

rad voor de oogen te draaien. Deze jongen is _niet_ de zoon van den

hondenkoopman, maar.."

Strijkman heeft intusschen al zijn kalmte teruggekregen, neemt zijn

toevlucht tot onbeschaamdheid en antwoordt:

"Dat zal u me dienen waar te maken, meneer de avekaat; al ben ik maar

een burgerman, daarom ben ik toch niet in de wereld om mij te laten

uitschelden voor schurk; en ik zal het verder zoeken om..."

"Wees bedaard, goede vrind: ik weet zeer goed, wat ik zeg. Ik herhaal:

de echte Dorus Makko is gevonden en..."

"Och! wat uwè zeit! Kan hij dat bewijzen? Heeft hij pampieren?"

"Neen."

"Nou, dan staat het nog te bezien, wie liegt: hij of ik.

"Ik zou wel eens willen zien, wie de brutaligheid heeft om te zeggen,

dat deze jongen niet Makko's zoon is."

"Daar zal ik je dadelijk gelegenheid toe geven." De procureur schelt

en onmiddellijk daarop verschijnt Keesje in de geopende deur.

"Verzoek de heeren binnen te komen."

"Best, meneer!"

Vrouw Juttner tracht tevergeefs met Strijkman een paar woorden te

wisselen, want onafgebroken vestigen de oogen van den procureur zich

op haar en op haar zoon.

Strijkman ziet strak voor zich, totdat de deur weder geopend wordt

en dokter Abels gevolgd door Dorus, binnentreedt.

Als deze Strijkman ziet, glijdt een bijna onmerkbaar lachje over

zijn trekken, maar het verdwijnt, als hij Kobus Juttner bemerkt,

die hem nieuwsgierig en onnoozel aankijkt.

Dorus ziet den dubbelganger medelijdend aan. De weduwe begrijpt

plotseling, dat alles reddeloos verloren is, en staat op, als wilde

zij heengaan. Zij wenkt haar zoon, om ook op te staan.

"Blijf zitten, juffrouw!"

Strijkman ziet Dorus onbeschaamd aan en zegt plotseling:

"Je kunt zeggen, wat je wilt, maar bewijzen kun je niets."

"Misschien toch wel," zegt Dorus glimlachend.

"Waar zijn je pampieren?" vraagt Strijkman brutaal en verward tevens.

"Die zul jij wel hebben met het goed van vader, dat je uit de latafel

hebt genomen op dien avond."

"Ik weet van geen latafel."

Het is alsof door den aanblik van den ouden pandjeshuishouder de

herinnering bij Dorus hoe langer hoe levendiger wordt, en de dag,

waarop zijn vader stierf, komt hem akelig duidelijk voor den geest.

"Jij hebt mijn papieren, en niemand anders!"

"Zijn ze dit?" vraagt de procureur, terwijl hij Dorus de stukken,

die op tafel liggen toereikt.

Dorus ziet ze in en antwoordt: "Ja, meneer! dit is mijn geboortebewijs

en de trouwakte van mijn ouders. Dien brief ken ik niet; ten minste

ik herinner mij den inhoud niet."

"Aha!" waagt Strijkman te zeggen.

"En dit portretje," vraagt de heer Verhagen, hem de photographie

voorhoudend.

"Dat ken ik wel, dat is van mijn oom, vaders broer."

Als de onnoozele Kobus, die tot dusverre, schijnbaar zonder deel te

nemen in 't geen voorvalt, is blijven zitten, het portretje ziet,

staat hij op en zegt, er op wijzend: "Oome, oome!" en fluisterend:

"Is 't zoo goed, moeder?"

Bij het woord "oome" is het alsof Dorus zich plotseling iets herinnert;

hij brengt de rechterhand aan zijn hoofd, denkt een oogenblik na,

als zocht hij in 't vèr verleden, en zegt dan: "Ja! zoo is 't: _Oome_!"

Verwonderd ziet de procureur hem aan. Hij houdt nog altijd het

portretje in de hand en keert het om, als Dorus zegt: "'k Herinner

't mij, meneer! Dat staat er op; ik heb er als jongen met potlood

't woord "_oome_" op geschreven."

"Dat's sterk!" Verhagen beziet aandachtig de rugzijde van het

lijstje en het blauwe papier, waarmee het beplakt is. "Het staat er,

je hebt gelijk. Zie, dokter, dáár, met potlood; bijna uitgewischt,

maar 't is toch nog te lezen."

"Wat zeg je _nu_, baas Strijkman?"

Deze haalt de schouders op en zwijgt; maar dat zwijgen is een halve

bekentenis, want hij siddert en zijn knieën knikken.

"Komaan, baas Strijkman, ik zou in uw plaats maar de waarheid bekennen;

je ziet, het helpt je niet om te willen volhouden, dat..."

Een kloppen op de deur doet den procureur even ophouden en "binnen"

roepen.

"Meneer, de juffrouw beneden heeft haast; zij verzoekt beleefd,

of u haar ook te woord kunt staan?"

"Laat haar binnenkomen." En weder 't woord tot Strijkman richtend,

vervolgt de heer Verhagen:

"Wij hebben medelijden met u, omdat ge een oud man zijt, en geven u

de gelegenheid, om hier, zonder met het gerecht kennis te maken, de

waarheid te bekennen. Of wilt ge soms liever, dat wij er den officier

van justitie in mengen?"

Vrouw Juttner zit op heete kolen en is op 't punt om iets te zeggen.

"Weet u wel, dat er eenige artikelen in ons strafwetboek zijn, gericht

tegen poging tot bedrog en oplichting, tegen 't wederrechtelijk zich

meester maken van eens anders naam of goed?"

Opnieuw klopt men aan de deur, en als zij op het "binnen" van den

procureur geopend wordt, verschijnt juffrouw Ram op den drempel.

Nauwelijks heeft Dorus haar gezien, of hij herinnert zich ook haar

persoon en naam; en op haar toetredende zegt hij: "Dat is juffrouw Ram,

als ik mij niet vergis."

Allen zwijgen. Verwonderd blijft de vrouw staan, ziet hem oplettend

aan en verbreekt de stilte door te zeggen: "Krates!--Och, neem me niet

kwalijk, meneer, dat viel daar zoo klakkeloos uit mijn mond. Uwé is

Dorus, Dorus Makko, is 't niet zoo? Heere! heere! wat ben je veranderd,

maar ik ken je toch direct weer...."

"Door mijn bochel, hé?" Glimlachend ziet Dorus haar aan en voegt er

bij: "Daar is hij toch goed voor."

Juffrouw Ram knikt en laat er op volgen: "Ik dacht, dat je al lang

dood was.--Hé! daar is Strijkman ook."

Wil u even gaan zitten, juffrouw?" En tot dokter Abels zich wendend,

zegt de procureur zachtjes: "Ziezoo, dat was het bewijs, dat ik voor

mezelf noodig had; nu is de zaak gezond!"

Juffrouw Ram's woorden en haar tegenwoordigheid hebben den pandjesbaas

geheel en al van zijn stuk gebracht, en vrouw Juttner, die begrijpt

dat alles verloren is, begint onder een vloed van tranen de toedracht

der zaak te verhalen. Zij bekent alles en eindigt met te zeggen:

"Ach God! meneer de avekaat, ik heb 't waarachtig alleen gedaan,

omdat ik voor dien stakker een onbezorgd bestaan dacht te krijgen;

die ouwe schelm hield niet op, omdat mijn Kobus zoo op dien daar leek."

"Niet huilen, moeder, niet huilen," roept eensklaps de onnoozele.

"Serpent," sist Strijkman binnensmonds.

"We zullen nu verder de zaak maar in handen der politie geven, dunkt

u niet, dokter?"

"Och, neen, meneer, kijk eens naar dien ongelukkigen jongen en heb

medelijden!" smeekt de weduwe.

"Politie?" vraagt juffrouw Ram verwonderd.

"En wat zeg jij nu, baas Strijkman?"

"Doe wat je niet laten kunt, meneer!" Bevend laat hij zich op zijn

stoel vallen.

"Mijnheer Verhagen, mag ik u een verzoek doen?" vraagt Dorus.

"Zeker!"

"Laat de politie en het gerecht buiten spel,--niet om dien ouden

schelm, maar om hem;" hij wijst op Kobus.

"Wil je een verklaring onderteekenen, dat je dit jongmensch herkent

als Dorus Makko, den zoon van Nicolaas Makko, en dat deze papieren

zijn wettig eigendom zijn?"

"Ben ik dan van alles af?"

"Wanneer hier dokter Abels, die als voogd voor den minderjarige zal

optreden, de zaak niet verder wil zoeken, ja! Anders...."

"Nou, anders?"

"Zal ik het gerecht in den arm nemen, en...."

"Geef maar hier, ik zal teekenen."

"En u, juffrouw Ram, kan u ook in gemoede, desnoods door een eed

bevestigen, dat deze hier Dorus Makko is?"

"Met pleizier, meneer. Maar ik begrijp er eigenlijk niets van, en als u

't niet kwalijk neemt, zou ik wel willen, dat...."

"Dus u teekent ook?"

"Graag, meneer; maar ik wou wel eens hooren, wat..."

"Later, juffrouw, later!"

Met verbeten woede, maar angstig en bevend onderteekende Strijkman de

verlangde verklaring. En toen hij eindelijk uit des procureurs mond

de woorden: "Nu kun je heengaan; bedank de heeren, dat zij geen gevolg

aan de zaak geven," vernam, greep hij zijn hoed en verliet zonder een

woord te zeggen de kamer, gevolgd door vrouw Juttner en haar zoon,

die, omdat zijn moeder huilde, het van den weeromstuit ook deed.

Toen Keesje hen uitliet, kon hij niet nalaten hem toe te voegen:

"Dat is je niet meegevallen, ouwe droogstok!"

Op straat gekomen, gaf de pandjesbaas zijn hart lucht door een stroom

van verwenschingen tegen den procureur en Krates.

De weduwe Juttner liep met hem mede, totdat hij, zich nijdig tot haar

wendend, vroeg: "En wat moet jij?"

"Wat ik moet? Denk je me nu zoo aan mijn lot over te laten?"

"Wel wis en waarachtig."

"Kun je dat over je hart verkrijgen; ik heb je toch trouw geholpen."

"Loop naar de hel!"

"Strijkman!"

"'k Heb niets meer met je te maken."

"Strijkman! ik waarschuw je...."

"Jou dreigementen gaan mij niets meer aan. Ruk uit!' Je hebt me geld

genoeg gekost voor niemendal. Hè! hè! hè! hè! dat heb ik er ten minste

bij gewonnen: van jou ben ik af; jij maakt mij niets, niemendal meer,

geen lor!"

"Och! och! had ik hem toch maar getrouwd," zuchtte vrouw Juttner, toen

zij weer op haar kamer was. "Ik zou hem wel kleingekregen hebben. Kom

hier, Kobus ; kom hier, stumper. Doe je nog maar eens te goed, voordat

alles op is; daar heb je een stuk koek... Arme stakker, wat moet ik

nou met je beginnen? Ach! ach! 't eindje zal de Ommerschans nog wezen!"

Na het gebeurde ten huize van den procureur Verhagen had het weinig

moeite gekost om de zaak der erfenis voor Dorus in orde te brengen.

Toen alle formaliteiten vervuld waren en dokter Abels tot voogd was

benoemd, bleek de erfenis de som van ongeveer negentien duizend gulden

te bedragen.

"'t Is een mooi kapitaaltje," zei de dokter tot Dorus, vóór deze weer

naar 't conservatoire vertrok; "zoodra ik het geld in handen heb,

zal ik 't zoo goed en zeker mogelijk voor je beleggen."

Zwaarmoedig en droef gestemd nam Dorus afscheid van dokter Abels. De

Tournels had hij niet weergezien; over Augusta sprak hij niet, en

toch dacht hij meer dan ooit aan haar, maar als aan een verloren geluk.

Krates: Een Levensbeeld · 第 38 / 47 题