NOG EENS ROOFVOGELS.

"Dus je wilt met mij trouwen, Strijkman?"

"Zooals ik zei."

"Is 't waarachtig? Kom je daar nu weer mee aan? Voor anderhalf jaar

geleden heb ik immers al gezegd, dat ik volstrekt geen idee in je

heb. Begin je nu weer?"

"Wat ik zeg, meen ik."

"Ha! ha! ha! ha!"

"Lach je daarom?"

"Hè! hè! hè! hè! hij vraagt me voor den tweeden keer! Hè! hè! hè!"

"'t Is niet om te lachen, vrouw Juttner!"

"Neen, 't is om te huilen! Och, Strijkman, hou as-je-blieft op,

ik zou me een ongeluk lachen." En herhaaldelijk met de handen op de

knieën slaande, giert de weduwe het uit van pret, terwijl zij den

tegenover haar zittenden pandjesbaas aanziet.

"Je lijkt wel mal!"

"Ha! ha! ha! wat verbeeld jij je wel, oud, leelijk mirakel!" De vrouw

lacht tranen.

"Zeg ereis, 't kan wel minder."

"Ha! ha! ha!"

Met een zonderlinge uitdrukking van dwaze verwondering ziet Strijkman

vrouw Juttner aan, die onbedaarlijk lacht, nu en dan naar haar zoon

Kobus, die bij het venster staat, kijkt en, op hem wijzend, giegelend

zegt: "Wou je zijn stiefvader worden? God beware hem er voor!"

De kamer, waar het tweetal roofvogels zich nu bevindt, is een

achterkamer met het uitzicht op een plat; zij is schamel gemeubeld,

maar een vorstelijk verblijf in vergelijking met het armoedige

vertrekje, vroeger door de weduwe bewoond.

De onnoozele Kobus ziet door het venster naar een loerende kat, die op

het plat een paar rondhuppelende musschen belaagt. Nu en dan verheldert

een domme lach zijn wezen en roept hij op een doffen toon, zich half

omdraaiend: "Moeder, hij loert er op! maar hij krijgt ze toch niet..."

"Kom eens hier, Kobus!"

Langzaam nadert de idioot, en als hij bij de tafel staat, zegt zijn

moeder, op den pandjesbaas wijzend: "Hij wil je vader worden. Hoe

vind je hem?"

"Vader is dood, ik heet Dorus.--Dorus,--is 't zoo goed?"

"Schei maar uit met je geleerde les; je kent haar toch niet van

buiten," pruttelt Strijkman nijdig.

"Hij doet zijn best, en dat's meer dan je verlangen kunt."

"'t Is wat moois! 'k Wou, dat ik nooit..."

"Begonnen was. Och, Strijkkie, dat liedje kennen we. Ja! veel gaan we

niet vooruit met de erfenis, maar _wij_", zij drukt op dat woord wij,

"hebben geen haast, niet waar, Kobus? Wij leven zoo stilletjes voort;

we konden het wel wat breeder hebben, als jij maar wat meer woudt

afschuiven, maar jij bent nou eens niet scheutig; anders..."

"Wou je me nog gauwer doodarm maken?"

"Waarachtig niet, Strijkkie, we moeten langer pleizier van je geld

hebben dan vandaag of morgen; daarom doen we langzaam aan, dan breekt

het lijntje niet."

"Zanik nu maar niet langer. Wil je of wil je niet?"

"Trouwen?"

"Ja, wat anders?"

"Hoor eens, beste man, 'k ben net zoo gaar als jij. Dacht je nou,

dat ik niet snapte, waarom je me trouwen wilt? Och! zie je me voor

zóó dom aan? Wil ik je ereis wat zeggen? Als ik jou vrouw was, dan

kon ik mijn keel wel aan den kapstok hangen, dan moest ik naar jou

pijpen dansen en dan kon jij met me doen wat je woudt. Maar nou doe

ik met jou wat ik wil. Begrepen? En daarom trouw ik je niet. Je bent

me ook nog al een lief mannetje! Zoo'n uitgedroogde stokvisch mankeert

me nog voor mijn dood. Ha! ha! ha!"

Woedend staat Strijkman op van zijn stoel.

"Hou je gemak, vader! Maak je niet dik; dun is de mode. Wij kunnen

immers goede vrinden blijven, al trouwen we niet... Zeg! zul je eens om

't geld voor de huur denken?"

"Je krijgt geen cent meer."

"Och, geloof je dat waarachtig? Kom, kom! hou je maar zoo niet;

ik weet het wel anders, m'n engel."

"Ik ben niet bang meer voor jou dreigementen, versta je?"

"Heel goed, des te beter voor jou, Strijkkie!--Maar laten we nu eens

verstandig met mekaar praten. Je wilt graag van me af, hé?"

"Dat is te zeggen..." De oude man gaat weer zitten.

"Je ziet wel, dat er van de erfenis niets komt. Hoe lang ben je er

nu al over bezig?"

"Over de vier jaren, God beter 't. Jij kost me al een kapitaal aan

geld; en jou suffe jongen..."

"Zeg, niet schelden, hoor! Die stumper is ongelukkig genoeg, en dat

hij niet dol op je is, is waarachtig geen wonder..."

"Die procureur Verhagen is eigenlijk de schuld van alles. 'k Wou,

dat ik nooit iets van hem had gezien of gehoord en dat jij naar de..."

"Begin je weer? Laten we de zaak afmaken: ik wil schappelijk met je

handelen; je kunt me afkoopen."

"Zoo, dat zou je wel willen." Strijkman brengt werktuiglijk de hand

naar zijn borstzak.

"Dat spreekt vanzelf. Denk je, dat ik jou gezelschap zoo aardig

vind? 'k Zie liever je rug dan je gezicht, maar je duiten zijn goed,

o! zoo goed, net zoo goed als die van een ander. Luister eens,

Strijkkie!"

"Nou?"

"Je bulkt van het geld en ik leef van..."

"Van _mijn_ duiten..."

"Nou ja dan, als je zoo wilt, maar armoedig. Ik wil 't beter hebben:

ik heb idee om een winkelnering op te zetten, zoo'n winkeltje van

alles en nog wat. In de Rozenstraat is een huisje te koop met een

stand. Wat het huis kost, weet ik niet, maar voor den stand en den

winkel, met wat er in is, vragen ze zestien honderd gulden."

"Wat zeg je! Zooveel geld voor een...?"

"Ja, 't is een koopje. Voor een winkel met nering."

"Een mooi koopje!"

"Koop jij nou dat huisje, betaal de zestien honderd gulden; dan zit

ik in een winkel en dan zal ik mijn kost wel ophalen. 't Huis blijft

jou eigendom, maar huur en belasting betaal ik niet."

«Jongens, jongens, wat ben je aardig. Heb je soms nog iets?"

"Neen, alleen van tijd tot tijd eens een nieuw pak voor Kobus, anders

niet. Je zult er bepaald een goed werk mee doen, en komt er te avond

of te morgen nog iets van die Amerikaander erfenis, dan is de jongen

altijd tot je dienst. Wat zeg je nou, ben ik niet schappelijk? Wat

kan het je kosten? Een paar duizend gulden op z'n hoogst; dat is voor

jou niemendal."

"Ei!"

"Je krijgt van mij de pampiertjes met den brief en het portretje

terug en..."

"Die komen mij toe, die heb jij gegapt!"

"Hè, wat ben je ordinair: "gegapt!" Je hebt ze me gegeven."

"Dat lieg je!"

"Nou goed dan: ik heb ze genomen, omdat ze bij Dorus hooren. 't Was

noodig, dat ik ze bewaarde, omdat..."

"Omdat je een serpent bent. Ik ben gek geweest, toen ik met jou en je

lummel van een jongen begon, maar ik ben nog zóó gek niet om zooveel

geld te vermorsen, en ik heb het ook niet; 'k ben arm. Jij hebt mij

arm gemaakt."

"Wat praat je toch van gek; als je me trouwde, dan was je gek; want

zou je nou waarachtig denken, dat _ik_ me maar goedsmoeds onder den

duim zou laten krijgen? Strijkkie, ventje, je bent dom; ik doe je een

weldaad, dat ik _niet_ met je trouw, dat moet je alleen wel zestien

honderd gulden waard zijn... Kom hier, Kobus, je ligt zoo ver uit

het raam, kind!"

"Ik heb het niet, ik doe het niet en ik wil het niet."

"Dat laatste wat je zegt is waar. Nou afijn, mij ook goed; dan blijft

het zooals het nu is, maar in allen geval moet je een gulden of vier,

vijf meer in de week geven, en..."

"'t Is om een beroerte te krijgen; ik ga heen...."

"Beslaap je er maar eens op.--Dag, Strijkkie! pas op, dat je niet

van de trappen valt. Ha! ha! ha!"

Bij de deur staande, neemt het gelaat van den pandjeshuishouder een

afschuwelijk dreigende uitdrukking aan, terwijl hij zegt: "Wacht maar,

beest! ik zal je wel helpen!"

"Doe dat, vadertje! Dat is juist, wat ik wil; help me aan zestien

honderd gulden: dan laat ik je met rust."

Tegen deze kalme woorden is Strijkman niet bestand; woedend verlaat hij

de kamer en strompelt naar beneden, de deur uit, en naar zijn woning.

In zijne woning teruggekomen, geeft Strijkman zijn gemoed lucht door

met zijn magere knoken op de tafel te slaan en alle mogelijke soorten

van verwenschingen tegen vrouw Juttner uit te braken. Niemand hoort

ze dan de zwarte kat, die verwonderd zit rond te kijken, totdat een

nijdige schop haar de vlucht doet nemen onder het kastje.

"Als ik maar durfde," mompelt hij, herhaaldelijk met de vuist dreigend,

"als er maar geen vijftien of twintig jaren op stond, dan zou ik haar

nekken. Als ze maar met me trouwde! Ik had haar in een half jaar,

neen, in drie maanden mak gemaakt. Maar ze is te goochem! Zoo'n

vervloekte feeks."

Daar klinkt het winkelschelletje.

"Hé, wat is dat? Op Zondag iemand voor!" Verwonderd ziet de pandjebaas

naar zijn kantoortje; hij is niet gewend in zijn sabbatsrust te worden

gestoord; Zondags is het pandjeshuis gesloten, van één uur 's middags,

en hoogst zelden gebeurt het, dat iemand na dien tijd hem bezoekt.

"Wat kan dat wezen?" Voorzichtig gluurt hij door de reet der

tusschendeur.

"Vollek!" roept een ongeduldige stem.

"'t Is een brievenbesteller. Wat moet die hier?" denkt de oude man,

terwijl hij naar voren komt.

"Philip Strijkman?"

"Die ben ik!"

"Asjeblief, een brief; goeden dag!"

"Een brief voor mij," denkt Strijkman, "van wien kan die zijn?" Hij

draait den brief om en om, voor hij hem opent, breekt eindelijk het

lak los, en als hij kennis van den inhoudt neemt, krijgt hij plotseling

een kleur, voor zoover zijn taaie opperhuid daarvoor vatbaar is.

Halfluid herleest hij:

"Mijnheer!

"Eindelijk is er licht gekomen in de erfenisaangelegenheid van

wijlen Adriaan Makko. Wees zoo goed om aanstaanden Donderdag

tegen elf uren ten mijnen kantore te compareeren, met den

door u aangewezen erfgenaam en zijn pleegmoeder, ten einde

met mij tot een regeling der zaak over te gaan. Gaarne had ik,

dat u de onder uwe berusting zijnde papieren meebracht.

"Met achting,

UEd. Dw. Dienaar

_Verhagen_, Procureur."

"Met achting Uedeles dienstwillige dienaar," juicht de oude man bijna

luid. "Dat zou hij niet schrijven, als hij geen dubbeltjes voor

mij had gekregen. Vier ton! Halt! misschien is het enkel maar een

voorschot! Dat doet er niet toe. In allen gevalle is het iets." Hij

sloft heen en weder door het kleine kamertje en wrijft zich in de

magere handen, zoodat de dorre gewrichten knappen en kraken.

"Jongens, jongens, wat een zegen, dat ik nog niet met dat serpent

getrouwd ben! Hè! hè! hè! hè! hè! wat zal ik haar nu het land

aanjagen. Al ging ze nu ook op haar knieën voor mij liggen, ik zou haar

niet nemen. "Tirom tomtommetomtijne! tirom tomtommetomtom," neuriet

Strijkman, terwijl hij zijn stijve beenen op de maat van het bekende:

_Marborough s'en va t'en guerre_ beurtelings opheft en weer neerzet,

zoodat de vermolmde vloerplanken steunen.

Hij fluit, neuriet en bromt tusschen de tanden zijn lijfdeuntje en

verkneukelt zich in de gedachte, dat hij eindelijk zijn doel heeft

bereikt.

"Tiromtomtommetomtom! 't Zal me benieuwen, hoeveel er losgekomen

is.--Tiromtomtom!--Zou ik vrouw Juttner dadelijk 't briefje laten

lezen?... Blikslagers! als de jongen nu maar op zijn tellen past;

hij zeit nog zoo dikwijls Kobus... Zij moet hem voor Donderdag nog

eens goed onderhanden nemen.--Tirommetomtijne,--Als ik de duiten in

handen heb, dan koop ik een huis--hm! altijd voor Dorus natuurlijk--op

de Keizersgracht. Tirommetom.."

"Miauw! miauw!"

"Zoo, poes! ben jij daar weer? Heb je honger? Ja, je krijgt ook wat

van den baas. Daar dan, daar heb je een beetje water en wat brood,

poes! Ja, jij krijgt ook wat van de erfenis, hè! Een halsband met

belletjes." Handenwrijvend gaat hij op zijn hurken zitten en kijkt

de kat grijnzend aan. De pandjesbaas is geheel en al vervuld met het

denkbeeld van de vier ton, die hem volgens zijn meening nu niet meer

ontgaan kunnen. Hij maakt in gedachten allerlei plannen, en het komt

zelfs niet bij hem op, dat de echte Dorus Makko wel eens kon zijn te

voorschijn gekomen.

De procureur Verhagen, die door de toevallige ontmoeting met Dorus op

het concert van Polyhymnia den naam Makko had gehoord, was door het

daaropvolgend gesprek met dokter Abels tot de overtuiging gekomen,

dat de ware erfgenaam de jonkman was, dien hij op dien avond had

hooren spelen. Alles, wat hij van dokter Abels vernomen had, kwam

overeen met hetgeen Strijkman hem had verteld, tot op één punt na,

namelijk de verdwijning van den knaap en zijn opneming door vrouw

Juttner. Er was voor den procureur weinig scherpzinnigheid toe noodig

om te begrijpen, dat hij met een paar oplichters te doen had, en

't kostte geringe moeite om te doorzien, welken weg het tweetal op

wilde. In overleg met dokter Abels had hij besloten den pandjesbaas

nogmaals te ontbieden, om hem de papieren van Dorus afhandig te maken.

Zedelijk waren zoowel Verhagen als dokter Abels overtuigd, dat Dorus

de ware erfgenaam was, maar wettig was het niet te bewijzen, evenmin

als het overtuigend bewijs kon geleverd worden, dat de papieren,

die Strijkman onder zich had, aan Dorus toebehoorden.

In allen gevalle moest de identiteit van Dorus Makko voldoende bewezen

worden. Maar door wien? De eenige, die dit kon, was Strijkman zelf, en

natuurlijk zou deze zijn best doen om het tegendeel vol te houden. Er

moest dus met overleg en slimheid gehandeld worden. Dokter Abels had

zich bereid verklaard als voogd van Dorus op te treden en de erfenis,

die in waarheid slechts een kleine twintig duizend gulden bedroeg,

te beheeren, totdat Dorus meerderjarig zou zijn.

Een confrontatie van Strijkman met Dorus was het eenige middel om

tot den gewenschten uitslag te komen, en derhalve had de procureur

aan dokter Abels voorgesteld op den bepaalden Donderdag ten zijnen

kantore de komst van den pandjeshuishouder en zijn medeplichtigen

aan het bedrog vrouw Juttner en haar zoon, af te wachten.

Dorus' overhaast vertrek uit Tournels woning, waarvan hij zijn

beschermer slechts met een paar haastig geschreven regelen had kennis

gegeven, hadden dit plan evenwel doen uitstellen, totdat de jonkman

weer uit Brussel zou zijn teruggekomen.

De dokter, die volstrekt niet vermoeden kon, waarom zijn jeugdige

beschermeling zoo eensklaps was vertrokken, had naar Brussel geschreven

en den stelligen wensch uitgedrukt, Dorus op den bepaalden dag

te Amsterdam te ontmoeten, evenwel zonder eigenlijk de redenen te

vermelden, waarom hij hem wenschte te spreken.

"Ik begrijp niets van uw overhaast vertrek, nu drie weken geleden,"

schreef hij: "gij zijt mij daaromtrent nog altijd eene opheldering

schuldig, die ik u verzoek mij dan te komen geven. Ik zal u aanstaanden

Woensdag in het _Hôtel des Pays-Bas_ verwachten. Reken er op, dat gij

een paar dagen, misschien langer, zult moeten blijven, in uw eigen

belang; uw toekomst hangt er gedeeltelijk van af..."

Toen Dorus dien brief ontving, kwamen hem de woorden uw "toekomst

hangt er gedeeltelijk van af," geheel en al duister voor. In den

gemoedstoestand, waarin hij zich op dat oogenblik bevond, werd hij

door allerlei denkbeelden bestormd. Zou Tournel geraden hebben, dat

hij Augusta liefhad? Was het mogelijk, dat zij voor hem gevoelde,

zooals hij voor haar? Zou hij verkeerd hebben gezien, dat die blonde

jonkman haar hart bezat? Zijn hoofd duizelde. 't Warrelde in zijn brein

en de hoop streed in zijn ziel tegen zijn verstand. Hij schaamde zich

nu, dat hij zoo onbekookt en onnadenkend had gehandeld, en durfde

nauwelijks zijn weldoener onder de oogen komen.

Wat zou deze hem wel zeggen, hoe zou hij hem ontvangen en wat moest

hij wel antwoorden aan den man, aan wien hij zoo oneindig veel

verschuldigd was?

Gedurende den langen weg van Brussel aan Amsterdam maakte hij honderd

plannen. Nu eens besloot hij ronduit alles aan dokter Abels te zeggen,

dan weer zocht hij een geldige reden voor zijn verdwijnen te vinden,

maar telkens stuitte hij daarbij op onoverkomelijke moeielijkheden.

Eindelijk stond toch het besluit bij hem vast, alles ronduit te zeggen,

hoe moeielijk 't hem ook vallen zou.

't Is Woensdagavond. In een der ruime kamers van het _Hôtel des

Pays-Bas_ brandt een knappend vuur in den open haard; een carcel-lamp

verspreidt een aangenaam zacht licht door het vertrek en over de tafel,

waarop een flesch wijn en een paar glazen staan.

In een gemakkelijken fauteuil zit dokter Abels; tegenover hem, met

de handen op de leuning van een stoel gesteund, staat Dorus. Hij is

bleek en zenuwachtig.

Krates: Een Levensbeeld · 第 37 / 47 题