"Dacht je, dat ik niet gesnapt had, dat jij laatst, toen je de deur had
opengelaten en ik onverwachts binnenkwam, in eens je kistje onder de
tafel hebt gestopt? Meen je, dat ik niet begreep, dat je daarom zei,
dat je niet op kondt staan van de rimmetiek?"
De oogen van den pandjesbaas vestigen zich met een moordlustige
uitdrukking op de vrouw, als hij met saamgeknepen lippen zwijgt.
"Heb je wel gehoord, dat de avekaat van den "rechter" sprak? Daar
moet ik niets van hebben, versta je?"
"Serpent!" sist Strijkman.
"Heb je lust om een poos in de gribus [4] te zitten? Ik niet. Ik
geloof, dat ik het wijste doe om naar dien avekaat te gaan en hem
te zeggen, hoe de vork in den steel zit; dat jij me hebt overgehaald
om...."
"Wijf, hou je stil, of...." De oude maakt een dreigend gebaar.
"Poeh! poeh! wat een drukte: wees kalm, man, dan krijg je geen dikke
beenen. Hè! hè! hè! Dok nou maar gauw een dozijntje guldens... Nou doe
ik 't geen cent minder.... Zie je, Strijkkie, _ik_ zou wel vrijloopen,
als ik sprak. 'k Ging weer uit schoonmaken; 'k zou m'n kost wel weer
ophalen, maar jij was er bij, ha! ha! gloeiend bij, hoor!"
"Moeder, ik heb zoo'n honger."
"Hij heeft trek in zijn eten, Strijkman.--Ja, Kobus, we gaan naar
huis!--Kom, zanik nou niet langer en geef het geld."
"'k Heb 't niet bij mij; kom dan morgenavond maar na tienen."
"Nou, goed dan! 'k Zal zoolang wachten, maar om tien uur precies sta
ik op je stoep. Dag, Strijkkie!--Kom, jongen!"
De pandjeshuisbaas draait zich nijdig om en zegt iets tusschen de
lippen, dat allesbehalve een zegenwensch is.
Strijkmans winkel is gesloten, vrouw Juttner is prompt om tien uren
gekomen, en zuchtend heeft de oude man aan zijn kwelgeest twaalf
gulden uitbetaald. Als zij vertrokken is, neemt hij een boekje en
noteert er in: "f 12.- aan de weduwe Juttner." De lamp staat op tafel
en de zwarte kat ligt er als naar gewoonte onder.
"Satansche feeks," mompelt de pandjesbaas, terwijl hij nijdig
naar de deur ziet, waardoor de vrouw verdwenen is. "Zij ruïneert me
heelemaal. 't Is God geklaagd. Laat eens zien... 't Is nu," hij telt de
cijfers, die in het boekje staan, op, "twee honderd zestig... negentig,
drie honderd... Wel vervloekt!" roept hij hardop... Miauw, zegt de
poes, die de slaperige oogen opent.
"Daar!"--nijdig prikt de vrek de kat met zijn pen in den neus, zoodat
zij blazend van de tafel springt.
"Drie honderd zestig--'t is om te huilen--zeven-en-zeventig,
transporteere:--drie honderd een-en-negentig--'k ga op de
flesch--vier honderd zes en veertien, is vier honderd twintig--zes
en dertig.--Satansch wijf!--vier honderd acht-en-zeventig
gulden! Allemachtig! en dat in nog geen tien maanden!"
Hij smijt woedend de pen op tafel, staat op en loopt in 't kleine
kamertje op en neer. Zijn roode oogen doen hem pijn van 't kijken.
Met zijn bril op den neus beziet hij nogmaals de cijfers, telt,
hertelt en ziet dat het eindcijfer juist is. Weer gaat hij aan
tafel zitten en pruttelt in zichzelven: "Zoo gaat het niet langer;
't is niet om uit te houden,--ze melkt me uit als een koe. Was ik
het maar nooit begonnen. Maar 't is toch ook vier ton! Als ik die
kluit uitbetaald krijg, kan 't er wel af. Hm! die procureur is niet
scheutig. God weet, hoe lang 't nog duren kan, eer... En 't is niet
sekuur ook. Vrouw Juttner is te goochem. O! Philip, wat ben je een
ouwe ezel geweest! Ja, maar ik moest toch een jongen hebben. Dat
die Kobus, die krates, ook juist zoo'n moeder heeft.--Zij laat me
geen rust. 't Is om dol te worden, en ik durf haar waarachtig niet
aan. Ze is in staat om den heelen boel in de war te gooien, en als
ik niet meer geef... Hè! 'k zou wel trek hebben om iets te eten,
maar ik moet zuinig wezen tegenwoordig."
Hij gaat naar het hoekkastje, opent het en kijkt er in. "'k Heb
niets meer in huis; dat beetje bitter, zou ik dat nemen? Maar dan
heb ik morgen niets." Hij ruikt aan de flesch. "Hè! dat 's toch
erg lekker. Kom! één slokje. Hmm...! 'k zal de helft nemen.--Vier
honderd acht-en-zeventig gulden naar de maan; als 't zoo doorgaat,
maakt ze me heelemaal op." Hij houdt de flesch tegen het licht, na
gedronken te hebben, en smakt met de lippen. "'t Doet me goed; 'k
was zoo rillerig. Och! 'k zal 't maar uitdrinken en dan morgen niets
nemen, dan komt het overeen uit." Hij drinkt met kleine teugjes, en
als de flesch leeg is, zet hij ze weer weg, na zorgvuldig de laatste
droppels op zijn nagel te hebben laten loopen.
De genoten spiritus, hoe weinig 't betrekkelijk ook zij, geeft aan
zijn wangen een hooger tint en zijn oogen beginnen te glimmen. "Ik
wou, dat ik haar nu hier had," zegt hij binnensmonds; "'k zou
haar knijpen, ranselen. Hm! dat 's ook al strafbaar. Tegenwoordig
is alles strafbaar. Zoo'n afzetster: bij de vijf honderd gulden;
'k zou haar kunnen vernielen." Hij slaat met de rimpelige vuist op
tafel. "En hoe kom ik van haar af?--Als zij mij t'avond of te morgen
maar niet besteelt; daar is ze niets te goed voor." Hij bukt zich
naar 't luik in den vloer. "Zou ze weten, dat hij dáár staat? Neen,
dat heeft ze toch niet afgeloerd; maar..." Hij is op 't punt het luik
te openen! als een kloppen op de voordeur hem doet opschrikken.
"Wat is dat? Zoo laat nog iemand; wie kan dat wezen?"
Met de lamp in de hand sloft hij naar voren.
"Wie is daar?"
"Ikke!"
"Wie is ikke?"
"Doe maar open, Strijkkie! Ik ben 't maar!"
"God zegen me, zij is 't waarachtig! Wat zou ze nu weer willen
hebben?" Met onzekere hand schuift hij den grendel van de deur, opent
het slot en laat vrouw Juttner binnen, die zonder plichtplegingen in
't kamertje gaat, op zijn stoel plaats neemt en zegt:
"Dat dacht je niet, dat ik van avond nog zou terugkomen, hè? Ja! hoe
later op den avond, hoe schooner volk."
"Wat moet je?"
"Jongens, wat ben jij beleefd! En ik kom je nogal' waarschuwen."
"Waarvoor?"
"Om op je tellen te passen. Toen ik van avond op mijn kamer kwam,
zeiden de buren, dat er iemand geweest was, zooveel als een rechercheur
van de politie, zoo'n stille, weet je... Hij kwam om naar mij te
informeeren en had vaa alles gevraagd, en..."
"Nou, en?" Strijkman ziet haar angstig aan.
"Zij wisten niets; daarom konden ze niemendal zeggen..."
"En wat zou 't dan verder?"
"Ze zeien, dat hij gevraagd had, of ik de moeder was van Kobus of
z'n pleegmoeder, en of jij ook al vroeger kennis aan mij had gehad,
en zoo al meer."
"God bewaar me!"
"En dat er sprake van was, dat jij op een erfenis loerdet... Afijn,
de man wist zoo wat den heelen boel, naar 't scheen..."
Natuurlijk loog vrouw Juttner ongeveer alles, wat zij' zeide. De
waarheid was, dat er iemand van Verhagens kantoor was geweest, om naar
juffrouw Blommers te informeeren: wie zij eigenlijk was, of zij er
reeds lang woonde, enz. De buren hadden hem, zooals vanzelf spreekt,
weinig inlichtingen kunnen geven, en de man was onverrichter zake
weer vertrokken.
De slimme weduwe evenwel besloot dadelijk van deze omstandigheid
tot haar voordeel partij te trekken, door Strijkman een schrik
aan te jagen en hem zoodoende hoe langer hoe meer in haar macht
te krijgen. De vrek was allesbehalve op zijn gemak en antwoordde:
"'t Is een ellendig ding. Hoe komt zoo'n stille op 't idee; ik heb
nooit wat met de politie uitstaande gehad."
"Niet? Och kom!"
"Waarachtig niet!"
"Nou 'k heb 't dan wel eens anders gehoord: ze hebben me ereis verteld,
dat jij er niet vies van bent om goed te koopen, dat op den kop is
getikt. De juffrouw, die beneden me woont, zei ten minste: "Ik heb
uwé met dien ouwen Strijkman zien loopen; hoe je aan dien vent komt,
begrijp ik niet: uwé is zoo'n bedaard, stil, ordentelijk mensch,
en hij..."
"Ze kent me niet eens!"
"Of ze je kent!--"'t Is een ouwe, vrekkige duitendief, die al lang op
't rooie dorp moest zitten",--zei ze."
"Dat zal ze me waar maken!"
"Bedaar nou, Strijkkie. 't Mensch had het zelf van een inspecteur,
dien langen blonden, je weet wel, die laatst bij je geweest is om...."
"Jawel, ik weet, wien je meent."
"Nou, dat is een verre neef van haar en die zei: "We loeren al lang op
dien ouwen pandjeshuisbaas; hij zet de menschen af, neemt woekerwinst,
en... op een goeien dag rukken we hem in,"
"Maar mensch, je bazelt; ik heb nooit met de..."
"Hou je gemak; ik zeg 't immers alleen om je te waarschuwen. Nou
weet je, dat ze op je vigileeren," herhaalde vrouw Juttner, aan wie
de angstige uitdrukking van Strijkmans gelaat en het beven van zijn
handen niet ontgaan was.
"Ze kunnen me niets maken, niets, niemendal!"
"Dat moet je nou niet zoo zeggen, vaderlief; je zult wel wat op je
boekje hebben, en als zij een hond willen slaan, kunnen ze wel een
stok vinden. Maar wees maar bedaard: ik zal je wel op de hoogte
houden, hoor!... Je begrijpt, ik ben wat erg op je gesteld, en 'k
heb veel liever, dat ze jou niet in de doos stoppen; want 'k moet
je eerlijk zeggen, 't leven bevalt me zoo een boel beter, dan uit
schoonmaken te gaan. Ja, of jij nou al in je eigen moppert, dat hoor
ik niet eens meer.... Zeg! nou ik toch hier ben, kijk eens eventjes,
of je niet een halfsleten broek voor Kobus hebt; de zijne wordt dun,
en je begrijpt van die paar centen, die je mij geeft, kan dat niet af."
Een violetkleurige tint verft Strijkmans gelaat, en de vuisten ballend
vlak voor haar oogen, roept hij eensklaps: "Dier! wat let me of...."
"Ga je gang maar, als je 't hart hebt." Zij ziet hem sarrend aan.
"Mijn deur uit!"
"Zeg, 't hoeft geen mooie broek te zijn," antwoordt zij, kalm zitten
blijvend.
"Er uit, of....!"
"Nou! voor van avond zal ik je zin eens doen; schreeuw maar zoo niet,
ik ben slaperig!" Ze staat op en gaat langzaam naar de deur. Tegen
den deurpost staat een parapluie; vrouw Juttner bemerkt haar, en met
de woorden: "'k Zal die parapluie maar meenemen, de mijne is weg,"
neemt zij het regenscherm onder den arm.
"Slaap wel, Strijkkie! Droom ereis van me."
"Geef m'n parapluie op, gauw!"--hij grijpt tevergeefs naar zijn
eigendom.
"Mis, poes! Zul je om 't broekie denken, ouwe heer! Wel te rusten;"
en met een grijnzenden lach gaat zij de deur uit, die Strijkman
werktuiglijk heeft geopend. "n'Avend, Strijkman!--Kijk! 't regent."
Op straat gekomen, lacht zij er heimelijk om, dat zij den ouden vrek
zoo heeft beetgehad, en denkt er over na, hoe zij 't aanleggen zal
om haar prooi altijd zekerder en vaster te verstrikken.
Strijkman is na haar vertrek moedeloos op zijn stoel neergevallen en
zucht: "'k Ga op de flesch; wat moet ik beginnen, 'k heb niets geen
recht tegen haar." Hij schreit van woede en spijt en slaat de magere,
knokkelige handen herhaaldelijk tegen zijn voorhoofd. "Wat te doen,
wat te doen?"
Boven in huis op een der kamers is het onrustig geworden. Er is
ruzie, hevige ruzie, allerlei verwarde stemmen schreeuwen dooreen,
en duidelijk verstaat hij de woorden: "Vrouwenbeul! je moest je
schamen je vrouw zoo te slaan."
"Ik kan mijn eigen vrouw slaan, als ik wil; ze moet doen, wat ik zeg,
en anders...."
Strijkman luistert, aan de trapdeur staande. Wederom hoort hij die
schrille stemmen. Ze klinken akelig door den nacht; hij hoort, hoe
de vrouw gilt en huilt, hoe de basstem van den man zich telkens weer
verheft, en eindelijk, hoe er opnieuw klappen vallen.
Op zijn gelaat komt een duivelachtige uitdrukking: er is bij hem
een gedachte opgekomen, die hem doet glimlachen als een sater. "Als
ik haar eens trouwde, dan had ik recht! Hm!... dien suffen bochel
heb ik dan op den koop toe; maar 't is misschien toch de wijste weg,
hè! hè! hè! hè!" Hij lacht en schurkt zijn schouders heen en weer. "Ik
trouwen. 't Is zot, erg zot, maar toch de beste weg; ik heb meteen
iemand, die den boel aan kant kan houden; en als zij sporreling maakt,
dan..." hij slaat met de hand door de lucht. "Hè! hè! hè! hè!--'t is
een goed idee. Den jongen heb ik altijd bij de hand, het wijf kan
mij niets meer maken--ze kan toch haar eigen man niet aangeven--en
de rest zal ik wel met haar vinden. Hè! hè! hè!" nogmaals klieft hij
de lucht, ditmaal met den pook, dien hij van de kachel heeft genomen,
"'k zal haar trouwen, hè! hè! hè! en dan...!"