In de spreekkamer bij den procureur Verhagen zit de oude Philip
Strijkman in zijn zondagsche jas met een groote ouderwetsche groene
parapluie tusschen de knieën, op welker knop zijn hoed hangt, te
wachten; tegenover hem zit vrouw Juttner en naast haar de ongelukkige,
gebochelde Kobus. De onnoozele knaap ziet er nu vrij fatsoenlijk
gekleed uit, en zijn moeder, die men vroeger niet anders dan als
schoonmaakster met jak en rok gekleed kende, heeft thans een groene
japon aan, een omslagdoek met palmen om en een hoed op, waarvan de
bruinroode keelbanden onder de kin zijn vastgestrikt. Haar handen
steken in garen handschoenen, waarvan de vingers te lang zijn en die
de grove knokkels van haar werkhanden doen doorschemeren. Het drietal
spreekt geen woord, maar de sluwe, groenachtige oogjes van Strijkman
gaan rusteloos rond of vestigen zich nu en dan op de mismaakte gestalte
van den knaap, die onophoudelijk de hand in zijn broekzak steekt om er
een paar rozijnen uit te nemen, die hij blijkbaar met smaak verorbert.
Vrouw Juttner wisselt af en toe een blik van verstandhouding met den
pandjesbaas en trekt zwijgend Kobus' buisje terecht of strijkt hem
het haar uit de oogen.
Geruimen tijd hebben zij zitten wachten, als eindelijk Keesje, de
jongste bediende, binnentreedt en kortaf zegt:
"U kunt binnenkomen."
Langzaam staat Strijkman op en begeeft zich, gevolgd door vrouw
Juttner, die haar zoon aan de hand medetrekt, naar het kantoor, waar de
heeren Krasser en Van Blaak ijverig zitten te schrijven en tersluiks
van hun werk opzien, als het drietal de deur binnenkomt. Bij het
binnengaan fluistert Strijkman nog even: "Hou je nou goed, mensch!" De
procureur, die als naar gewoonte voor zijn schrijfbureau plaats
heeft genomen, draait half het hoofd om en knikt, terwijl hij zegt:
"Gaat zitten!"
Keesje schuift een paar stoelen bij de tafel, wijst ze zwijgend
den binnengetredenen aan en wipt daarna vlug op zijn hooge kruk,
terwijl hij tegen Van Blaak een vies gezicht trekt en met de oogen
knipt naar den kant, waar Strijkman zit. Een oogenblik heerscht er
algemeene stilte op het kantoor, alleen afgebroken door het krassen
der pennen en het kuchje van Strijkman, die zich de keel schraapt om
beter te kunnen antwoorden op de vragen, welke hij verwacht, dat de
heer Verhagen tot hem richten zal.
Deze wendt zich eindelijk om, schuift zijn stoel een eind achteruit,
en den blik vast op zijn bezoekers vestigend, vraagt hij: "En wat
kwam u nu eigenlijk hier weer doen?"
Eenigermate van streek gebracht door deze kalme vraag, antwoordt
Strijkman zachtjes: "We kwamen eens hooren, hoe 't er nu mee staat,
vanwegens de erfenis, weet u?"
"We wouen er met uwés permissie nou wel ereis haring of kuit van
hebben," voegt vrouw Juttner er bij.
"Zoo!" Mijnheer Verhagen ziet den knaap strak aan, die zonder zich om
iets of iemand te bekommeren zijn rozijntjes eet en onnoozel rondziet.
"We zouden nu graag willen weten, of we niet alvast voor den jongen een
duizend gulden of wat voorschot konden krijgen op de erfenis," zegt
Philip, terwijl hij er aanstonds op laat volgen: "Juffrouw Blommers
kan het zóó niet langer uithouden; ze heeft al haar spaarduitjes er
al aan gespendeerd. Is 't niet waar, juffrouw?"
"Och ja!" antwoordt temend vrouw Juttner, die met onderling goedvinden
en tot meerdere veiligheid van haar persoon, den naam van Blommers
heeft aangenomen, "ik heb zoo gaandeweg alles bijgebrokkeld wat ik
kon en voor dien jongen gedaan, wat menschen-mogelijk was.--Dorus,
kind! schei nou uit met rozijnen eten; je zult misselijk worden,"
en luider roept zij: "Hou nou op met eten, Dorus!"
"Och, moeder!" zegt de knaap onwillig.
"Dat is nou aardig, meneer de avekaat: die jongen heeft van het eerste
oogenblik af aan, dat ik hem van straat heb opgenomen "moeder" tegen me
gezeid; afijn, ik mocht het wel lijden. En dat is hij blijven zeggen
nadat hij de hersenziekte heeft gehad... 'k Heb wat met den stumperd
uitgehouwen, meneer; altijd door maar kouwe doeken op het hoofd en...."
"Ter zake juffrouw. Nu dan, na dien tijd?"
"Zeit hij nog altijd moeder en 't is hem niet meer uit het hoofd te
praten. Casuweel hé, meneer?"
"Ik heb u reeds de laatste maal, dat u hier was, doen opmerken,
dat er van voorschot geen sprake kon zijn," antwoordt de procureur.
"'t Is toch wat te zeggen," herneemt Strijkman met een zucht. "Juffrouw
Blommers en ik, we hebben al heel wat geld aan dien jongen uitgegeven,
meneer! Niet dat we 't niet voor hem overhebben, och God! neen, dat is
't niet, niet waar Dorus?" De pandjesbaas kijkt met zijn gluiperige
oogen naar den knaap, die zeer ongegeneerd op den rand van het
kopieertafeltje is gaan zitten en met beide handen over de voorpanden
van zijn buisje strijkt, terwijl hij grinnikt en op eigenaardig doffen
toon zegt "Dorus!...Dorus, heet ik... Oome, is 't nou goed?"
Even kleurt een verraderlijk blosje vrouw Juttner's hoekig gelaat en
Strijkman verschiet van kleur, maar beiden herstellen zich dadelijk
en wisselen een voor de anderen onmerkbaren blik van verstandhouding.
"'t Is zoo'n hartelijke jongen, meneer, hij zeit altijd "oome." Och,
uwé had hem vroeger moeten kennen, toen hij nog alle vijf goed bij
mekaar had," zegt de oude man, grinnikend.
Vrouw Juttner werpt een boozen blik op Strijkman, terwijl ze hem in
de rede valt met de woorden:
"Nou, zoo erg is 't nog niet: alle vijf! Zeg, de jongen is niet
gek!" en plotseling bemerkende, dat zij op het punt is om zich te
verspreken, voegt zij er bij: "Hij is alleen maar wat sufferig, nou
en dan; is het niet zoo, m'n kind?" De pseudo-Dorus kijkt haar strak
aan en herhaalt als voor zichzelf. "Dorus!--Kobus! Kobus!--Dorus! Hè,
hè, hè, hè," en luider: "Gaan we nou heen, moeder?"
De schrik slaat Strijkman om 't hart, als hij die woorden hoort, en de
procureur ziet beiden bijzonder doordringend aan. Zoo verbeeldt zich
ten minste het edele tweetal, dat, als door een gemeenschappelijke
ingeving gedreven, opstaat en aanstalten maakt om te vertrekken. In
waarheid heeft de procureur slechts een min of meer wantrouwenden
blik op de lieden vóór hem geworpen, maar zonder nog in 't minst te
vermoeden welk bedrog er door hen gepleegd wordt.
"Kom eens hier, Dorus," zegt de heer Verhagen.
De jongen blijft staan, waar hij staat, en zoekt in zijn zakken,
of hij nog rozijnen heeft.
"Kom eens hier, ventje!"
"Och, meneer! de stumperd hoort het niet; hij is doof, erg doof."
"Dat merk ik!"
"Dorus!" roept juffrouw Juttner luid, "ga eens naar meneer,--gauw,
en steek je vingers niet in je neus."
De knaap doet een paar stappen vooruit en reikt den procureur de hand,
die deze niet aanneemt.
"Hoe oud ben je?"
"Hè! hè! hè! hè!"
"Hij is nou zestien jaar, meneer! Den 12den Januari geweest."
"Hm! zoo; maar weet je wel zeker, juffrouw, dat deze jongen Dorus
Makko is, de zoon van den hondenscheerder?"
"Heerem-ensch, meneer!"
Strijkman kucht bedenkelijk en snuit herhaaldelijk zijn neus.
"Meneer de avekaat, kijkt uwé dien jongen eens goed aan, en zie
dan eens, of een mensch zich daarmee vergissen kan. Zoo'n bult vind
je niet alle dagen, en dan zoo'n fyselomie. Bovendien, ik heb hem
immers van klein kind af gekend, en hij mij ook ook; ik was temet
de eenige, dien hij nog na zijn ziekte herkende. Is 't niet zoo,
beste jongen?" Strijkman spreekt luid en gejaagd.
"Ja, oome,.... Dorus heet ik, Kobus en Dorus!"
Vrouw Juttner krijgt het benauwd, en Strijkman wischt zich tersluiks
een paar kille druppels van de slapen.
"Kan hij zich niets meer van zijn vader herinneren?"
"Niemendal, meneer, en van de pampieren ook niet: ik heb ze maar
eens weer meegebracht. Wil u ze nog eens zien?" vraagt Strijkman,
om aan des procureurs gedachten een andere wending te geven.
"Dank je, 't heeft voorloopig volstrekt geen nut."
"Och, kijkt u maar eens; 'k heb nu 't portretje ook meegenomen." Hij
neemt den brief van Adriaan Makko uit den zak en reikt dien met het
portret aan den procureur over.
Als de jongen het photographietje ziet, strekt hij de hand er naar
uit en zegt dof: "Daar moet ik ook "oome" tegen zeggen, is 't niet,
moeder?"
Een nauw bedwongen grimlach omspeelt Strijkmans' dunne lippen, en
vrouw Juttner ziet welgevallig verwonderd haar zoon aan, die op het
portretje wijzend, herhaalt: "Oome! hé, moeder?"
"Ziet u, meneer de avekaat, dat herkent hij," zegt op min of meer
triomfantelijken toon de oude man, en aanstonds laat hij er op volgen:
"Zou er nou geen mogelijkheid op wezen, dat we ten minste alvast iets
voor hem kregen?"
"Mijn goeie menschen, ik heb je reeds gezegd, dat ik er niets aan
doen kan. Er is naar Amerika geschreven, en zoodra we bericht hebben,
zal de rechter in deze zaak gekend moeten worden."
Bij het woord "rechter" zien de twee roofvogels elkander tersluiks
min of meer angstig aan.
"Dan moet er een voogd voor hem"--Verhagen wijst op den knaap--"benoemd
worden, altijd wanneer zijn identiteit voldoende te bewijzen is."
"Identerteit, zeit uwé?"
"Ja, juffrouw! Ik bedoel, als het bewijs geleverd wordt, dat hij
werkelijk de jongen is, dien wij zoeken."
"Mij dunkt, meneer, dat's toch duidelijk genoeg, uwé kan er gerust
op wezen; ik zal geen gezond oogenblik meer hebben, als...."
"Goeie vriend, mijn tijd is te kostbaar om langer met je te
praten. Laat die papieren maar hier; dan zal ik je later wel bericht
zenden, hoever de zaak is, en...."
"Ik zal de pampiertjes liever maar weer meenemen," zegt Philip.
"Neem me niet kwalijk, meneer, maar uwè heeft ons nu al ruim drie
verrel-jaars op sleeptouw gehouden, en onze lieve Heer weet hoe lang
of 't nog duren kan; ik ben een weduwvrouw, die moeite genoeg heeft
om aan den kost te komen;"--vrouw Juttner trekt een armoedig gezicht
gezicht--"ik kan toch voor niemendal zoo'n jongen niet eeuwig houden."
"'t Spijt mij voor u, juffrouw, maar u zult geduld moeten hebben."
"En hoe lang kan het nog duren?" vraagt Strijkman, terwijl hij de
papieren en 't portret weer bij zich steekt.
"Niet te bepalen. De rechter zal...."
't Woord "rechter" bevalt den pandjesbaas in 't geheel niet, en vrouw
Juttner voelt zich niets op haar gemak.
't Is dus eenigermate voor haar een uitkomst, als de procureur zegt:
"Cornelis, laat deze heer en juffrouw uit."
Als zij vertrokken zijn, keert de heer Verhagen zich half om naar
Krasser en zegt: "Er is mij iets niet klaar in deze zaak; wat, weet
ik niet recht, maar je moest eens laten informeeren, wie die juffrouw
Blommers eigenlijk is."
"Best, meneer!"
Op straat gekomen, valt Strijkman nijdig tegen zijn gezellin, die op
een sukkeldrafje naast hem loopt, uit:
"'t Is een nare jongen, dat hij nog altijd Kobus zeit; dat moet je
hem afleeren, versta je?"
"Leer jij 't hem af, als je kunt, ouwe gek. Kom hier, Kobu... Dorus!"
"'k Wou, dat die procureur met zijn securigheid naar den duivel liep."
"'t Gaat niet zoo gemakkelijk, als je dacht, hé, Strijkkie?" hoont
vrouw Juttner, terwijl zij er bijvoegt: "Je kunt me wel eens weer
een paar rijksdaaldertjes geven, hoor! 'k Moet huur betalen."
"Alweer geld? Je hebt pas gehad...."
"Pas! Noem jij dat pas? Al veertien dagen geleden.."
"Acht dagen!"
"Dat lieg je; 't is veertien dagen!"
"Wat, wou jij 't me heeten liegen; heb ik je niet verleden week nog
zeventien gulden gegeven,--zeventien mooie ronde guldentjes?" Strijkman
zucht.
"'t Is wel mogelijk, maar 't is alweer op; ik kan toch van den wind
niet leven. Bovendien, wat ik doe, doe ik toch allemaal voor jou
pleizier...."
"Voor _mijn_ plezier?"
"Ja, natuurlijk. Denk je, dat _ik_ 't liefhebberijwerk vind zoo'n
jongen te...."
"Hou je mond; je doet 't toch ook om de duiten."
"Waarachtig wel! Maar 'k wou er eerst niet aan, dat weet je toch
heel goed. En heb ik niet de meeste moeite en last er van gehad,
om dien stumperd wijs te maken, dat hij Dorus heet?"
"'t Is wat moois; hij zeit er nog altijd Kobus bij."
"Kan ik dat helpen?"
"Is 't dan _mijn_ schuld? Ben je gek: jij moet hem leeren, wat hij
te zeggen heeft; dat's afspraak."
"'t Is wat lekkers! Je laat mij de kastanjes uit het vuur halen,
en jij...."
"Nou! wees maar niet boos. En heeft hij 't dan niet goed gezeid van
't portretje?--Ja, kind, we gaan naar huis.--Ik heb er een dag aan
besteed om hem te leeren, dat hij er "oome" tegen zeggen zou; maar
jij bent nooit tevreden, ouwe suffer.... Loop niet zoo ver weg,
Kobus. Hier! hier!"
"Daar zeg je nou waarachtig zelf Kobus; je bent 'n uilskuiken. Zoo
zullen we er nooit komen, als jij zelf je vergist...."
"Och! maak je niet moeielijk; ik weet wat best, wanneer ik op moet
passen of niet. Wil ik maar even met je meeloopen naar huis om
de centen?"
"'k Heb geen geld!"
"Och! dat's aardig, dan hebben wij ze alle twee niet... en nou liegt
een van ons beiden, maar ik niet. 'k Zei daar straks immers vijf
gulden; maar wel bekeken, is dat te weinig, oude heer! Je moest maar
liever vier riksen geven, dan kan ik meteen voor den jongen een paar
nieuwe schoenen koopen."
"Wat zeg je daar, tien gulden? 't Is een schandaal; je wilt zeker
weer snoepen, hé?"
"Wil je er een dozijntje van maken, des te beter; dan los ik mijn
oorbellen, die nog achter de schuine deur staan."
"Jou oorbellen! Zeker net zoo gekregen als dat speldje?"
"Je begint me te vervelen met je aardigheden.--Kobus! Kobus! loop niet
zoo aan den waterkant.--Hier zijn we aan de Prinsensluis. Geef nou
't geld maar hier... of zal ik meegaan?" Zij blijft vlak voor hem
staan bij de brugleuning.
De oude vrek wordt beurtelings geel en rood van ergernis en herhaalt
zijn poging om uit de handen van zijn kwelgeest te komen, door te
zeggen: "Ik heb geen geld, waarachtig niet."
"Ook niets meer in je ijzeren kistje, hè!"
Zijn gelaat wordt valer dan ooit, als hij stotterend vraagt: "M.m.mijn
ijzeren k.k.kist?"
"Dacht je, dat ik niet wist, waar je den aap in bewaarde? Och, m'n
lieve Strijkkie! vrouw Juttner heeft zulke goeie oogen en ze kan zoo
zachtjes loopen. Dacht jij, dat ik verleden 's avonds niets gezien
had? Hè, hè, hè!"