Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.]

Is het wonder dat velen, die getuige waren geweest van haar lijden en

sterven, het angstig gevoel hadden een Heilige verbrand te hebben? Hoor

de verzuchting van Jean Alespée den avond na Jeanne's dood: »Ik zou

willen, dat mijn ziel was dààr waar de ziel van die vrouw thans is«, is

zij niet begrijpelijk en door en door menschelijk? Het leven van Jeanne,

maar bovenal haar einde was dat van een Heilige, een geloofsheldin.

Haren tijdgenooten en ook het nageslacht gaf zij een voorbeeld van moed

en trouw en een onwankelbaar geloof. In heel het drama dat zich afspeelt

in de laatste weken van haar leven, en waarin zij staat tegenover

zoovele mannen van gezag en aanzien, is dit negentienjarige meisje de

eenige, die blijk geeft van zedelijken moed, van groote vastberadenheid

en een machtig vertrouwen. Hare vrienden, haar Koning zelfs, zij laten

haar aan haar lot over, zij durven zich niet roeren van het oogenblik

af, dat Jeanne is overgeleverd in handen van de kerk: zij zijn bang.

Hare geestelijke rechters talmden maanden lang en dat in een tijd,

dat men werkelijk zooveel omhaal niet maakte om een ketter naar

den brandstapel te verwijzen. Cauchon zoekt medeplichtigen in de

Inquisitie en de Parijsche Universiteit, aan wie hij een deel van de

medeverantwoordelijkheid op de schouders laadt. Cauchon en heel de

geestelijke rechterschaar zijn bang. En dan hare doodsvijanden de

Engelschen. Ze razen, ze tieren, omdat ze niet verstaan en begrijpen wat

er gebeurt. Ze jachten, ze dringen op spoed aan, zij zijn niet gerust

voor het einde daar is; en dan nog zoeken zij de overblijfselen van hun

slachtoffer bijeen en laten ze door den wind verstuiven over het water

van de Seine, want... ze zijn bang.

Jeanne heeft velen geïmponeerd door haar uiterlijke verschijning, hare

woorden en daden, en dat is iets dat kleine zielen een medemensch

dikwijls niet vergeven. Maar hen, die haar zagen in hare laatste

oogenblikken, moet zij bovenal diep getroffen hebben door haar innige

vroomheid, haar verheven gelatenheid, haar waarachtige grootheid. Zij

moeten, toen Jeanne was heengegaan, het gevoel gehad hebben, dat de

Hoofdman over honderd en hen die met hem waren op Golgotha, na Jezus

verscheiden, bezielde: »ende ziende de dingen die geschied waren, werden

zij zeer bevreesd, zeggende: »Waarlijk, deze was Gods zoon«.«

Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans · 第 37 / 66 题