Jeanne: »Juist, en dat is voor mij een groote schat.«

Delafontaine: »Gevoelt gij behoefte te biechten, nu gij gelooft aan de

openbaring van Uwe stemmen, dat gij gered zult zijn?«

Jeanne: »Ik denk, dat wanneer ik schuldig was aan doodzonde, de Heilige

Cathérine en de Heilige Marguerite mij wel oogenblikkelijk aan mijn lot

zouden overlaten. Verder geloof ik, dat men nooit zijn geweten te veel

kan zuiveren.«

* * * * *

»Ik verlaat mij op den Heer«, een getuigenis opwellend uit een

waarachtig vroom gemoed, door Jeanne afgelegd in haar gulden naïviteit.

Maar, o wee! Jeanne's rechters denken er anders over, zij geven aan die

verklaring een anderen uitleg. Zoo'n antwoord wordt haar niet vergeven:

het riekt naar ketterij.

Bij den aanvang van de volgende zitting op 15 Maart zal men het haar

duidelijk maken in vriendelijke bewoordingen.

Weet dan Jeanne, dat daar is een zegevierende Kerk en een strijdende

Kerk en dat er tusschen de zegevierende Kerk, dat is dus tusschen God,

die in den Hemel is, omringd van Zijne Heiligen, en van de engelen, en

elke Christen, geen andere verbinding mogelijk is dan door de strijdende

Kerk op aarde.

Onthoud dit goed Jeanne. Uwe rechters zullen dit punt niet meer

loslaten, ze zullen U er mede vervolgen tot het bittere einde toe.

Wanneer gij moeilijkheden hadt of gewetensbezwaren, hebt gij U tot God

gewend in het gebed of tot Uwe heiligen en gij hebt ze om raad gevraagd.

Ketterij!..

Delafontaine: »Wilt gij, wat gij gedaan hebt en gezegd hebt, onderwerpen

aan de beslissing van de Kerk?«

Jeanne: »Mijne daden en mijne werken zijn allen in de hand van God; in

alles verlaat ik mij op Hem«.

Ketterij! ook al voegt gij er aan toe: »Ik verzeker U dat ik niets zou

willen zeggen of doen tegen het Christelijk geloof«.

Cauchon gevoelt, dat hij nu op den goeden weg is en verdubbelt dus zijn

ijver, zich niet bekommerend om Jeanne's onwetendheid en kinderlijke

naïviteit. Dienzelfden avond nog bezoekt hij haar met enkele der

rechters in haar kerker en behandelt dan hetzelfde onderwerp.

Cauchon: »Verlaat gij U op de beslissing van de Kerk«.

Jeanne: »Ik verlaat mij op God die mij gezonden heeft, op onze Lieve

Vrouwe, op alle Heiligen van het Paradijs. Ik ben van meening dat God

één is met de Kerk, en dat men daarover geen moeilijkheden moet maken.

Waarom maakt gij mij daarover moeilijkheden?«

Waarom?... Vraag het Uwen rechters niet Jeanne, ze zullen het U niet

zeggen. Zij zullen Uwe verklaring opnemen in het proces-verbaal. Hun

doel is thans bereikt: gij zijt verloren.

De bisschop legt haar nog eenmaal de moeilijkheid uit.

Cauchon: »Er bestaat een zegevierende Kerk, dat zijn God, de Heiligen,

de Engelen en de geredde zielen. Er bestaat nog een andere Kerk, de

strijdende Kerk, dat zijn de Paus, Gods stedehouder op aarde, de

kardinalen, de prelaten van de Kerk, de geestelijkheid, alle goede

Christenen en Katholieken. Deze Kerk, vereenigd in een wettige

bijeenkomst, kan niet dwalen, daar zij bestuurd wordt door den Heiligen

Geest. Wilt gij U op die Kerk verlaten.«

Maar Jeanne blijft getrouw aan haar overtuiging en belijdt nogmaals haar

vast geloof.

Jeanne: »Ik ben gekomen tot den koning van Frankrijk op bevel van

en gezonden door God, de Heilige Maagd Maria, alle Heiligen van het

Paradijs en de Zegevierende Kerk van daarboven. Aan die Kerk onderwerp

ik al mijne goede daden, alles wat ik gedaan heb en doen zal. Op de

vraag of ik mij zal onderwerpen aan de strijdende Kerk, zal ik nu niets

anders antwoorden.«

* * * * *

Het is Cauchon zelf, die nu dit verhoor den naam van den Paus noemt, als

hoogste macht in de strijdende Kerk.

Ook in de volgende zitting vraagt men Jeanne of zij bereid zou zijn

alles mede te deelen aan den Paus. Dan verzoekt zij voor den Paus

gebracht te worden, zij zal hem antwoorden alles wat zij moet

antwoorden.

Het spreekt bijna van zelf, dat aan dit verzoek geen gevolg wordt

gegeven, maar waarom dan de zaak ter sprake gebracht?

Cauchon verklaart daarop de voorloopige en geheime verhooren voor

geëindigd.

d'Estivet maakt een uittreksel uit het procesverbaal.

* * * * *

Voor het gewone proces begint, speelt zich tusschen den rechter Cauchon

en zijn ongelukkig slachtoffer nog een hoogst aangrijpende scène af.

Sedert Jeanne in Rouaan gevangen zit, heeft men haar geweigerd de Mis

bij te wonen. Onder dit verbod begint zij met den dag meer te lijden.

Zelfs in de woeligste dagen van den oorlog heeft zij trouw hare

kerkelijke plichten vervuld; in de steden die zij doortrok heeft zij

steeds de kerken bezocht, en op het slagveld zelfs liet zij voor den

strijd door haar biechtvader dikwijls de Mis lezen. Het is een behoefte

geworden waar deze eenvoudige, vrome ziel niet buiten kan en zeker niet

in deze droeve en angstige dagen. Nu het Paaschfeest nadert wil zij nog

een poging wagen: op Palmzondag vraagt zij toestemming de Mis bij te

wonen.

Men is bereid het haar toe te staan, wanneer zij hare manskleeren

aflegt. Dat kan zij niet doen, hare stemmen hebben haar dat verboden.

Maar voor de hardnekkige weigering van Jeanne op het punt van hare

kleeding zijn vermoedelijk nog andere redenen die onbewust even zwaar

bij haar wegen, maar die zij tegenover haar rechtbank niet onder woorden

kan brengen.

Zijn het in de eerste plaats niet hare manskleeren, die haar tot op een

zekere hoogte nog beschermen tegen de belagingen van hare ruwe bewakers?

En dan... is zij niet krijgsgevangene? Heeft de vijand zich niet meester

van haar gemaakt, terwijl zij als aanvoerder van hare troepen in volle

actie was? Wie weet, of niet een dezer dagen hare vrienden haar zullen

komen bevrijden? Welnu in dat geval zullen zij haar terugvinden zooals

zij hen verlaten heeft.

Zij smeekt met tranen in hare oogen, maar te vergeefs.

Jeanne: »Is het dan niet mogelijk de Mis te hooren zooals ik ben? Ik

verlang het zoo vurig. Wat de voorwaarde betreft, dat ik van kleeding

moet veranderen, daar kan ik niet aan voldoen, dat is niet in mijn

macht.«

Men blijft weigeren.

Jeanne: »Ik kan niet veranderen; moet ik dan verstoken blijven van het

Sacrament? Ik smeek U, mijne heeren, staat mij toe de Mis te hooren in

manskleeren. _Deze kleeding verandert toch mijn ziel niet_, en het is

toch niet in strijd met de wetten van de Kerk!«

* * * * *

Maar hare tranen en haar smeeken zijn niet bij machte de dorre en

verstokte zielen van hare rechters te vermurwen. Geen enkele is er die

het voor haar opneemt of haar te hulp durft komen. Is onder al deze

priesters dan geen enkele man?....

Een nieuwe weigering en daarmede is het incident gesloten.

* * * * *

Den 27en Maart, dus den Dinsdag na Palmzondag, begint het gewone

proces. Ter elfder ure biedt men haar nu een raadsman aan. »Omdat zij

niet geleerd genoeg is en niet genoeg onderricht in deze netelige

kwesties«, mag zij uit hare rechters er een kiezen die haar zal

bijstaan. Uit een oogpunt van onpartijdigheid is dit zeker een hoogst

bedenkelijk aanbod; bovendien komt het veel te laat, nu hare rechters

reeds alle materiaal tegen haar verzameld hebben, en hun oordeel in deze

zaak reeds gevestigd hebben. Zij wijst het aanbod dan ook af, wel is zij

het gezelschap dankbaar voor de goede bedoeling, maar ook in het vervolg

zal zij zich slechts houden aan Gods raad.

Het uittreksel van d'Estivet, saamgevat in zeventig artikelen, wordt

haar voorgelezen. Men vindt daarin o. m. reeds de voornaamste punten van

beschuldiging die ook zullen voorkomen in het eindvonnis. Men heeft

Jeanne schuldig bevonden aan toovenarij, ketterij, afvalligheid van het

geloof; zij wordt genoemd onkuisch en bloeddorstig. De beklaagde hoort

alles rustig aan. Slechts een enkele maal onderbreekt zij de voorlezing,

om nogmaals een herhaling te geven van de door haar reeds vroeger

afgelegde belijdenis.

Jeanne: »Ik geloof, dat de Paus te Rome, de bisschoppen en andere

geestelijken zijn aangesteld om het Christelijk geloof te bewaken, en om

hen te straffen, die daarin tekort schieten, maar wat mij betreft, mijne

daden zal ik slechts onderwerpen aan het oordeel van de Hemelsche Kerk,

d.w.z. aan God, aan de Maagd Maria, en aan de Heiligen in het Paradijs.

Ik geloof vast niet in mijn geloof tekort gekomen te zijn, en voor niets

ter wereld zou ik daarin willen tekort komen.«

Hier breekt het Latijnsche rapport af; het Fransche heeft nog de

woorden: »en ik verzoek....«

Volgens de verklaring van één der assessoren, genaamd La Pierre,

volgde hier een beroep op het Concilie van Bazel, waarvan deze zelfde

dominicaner haar de beteekenis had duidelijk gemaakt. Maar Cauchon viel

haar woedend in de rede met een kort en bondig: »Zwijg voor den duivel«

en verbood den notaris dit beroep in het proces-verbaal op te nemen.

Jeanne van haar kant verweet hem toen, zeer terecht, dat men opschreef

wat tegen haar was, maar niet hetgeen ten haren gunste getuigde.

* * * * *

In een speciaal verhoor in haar kerker, ondervraagt Cauchon haar

den 31en Maart nog eenmaal uitvoerig over haar onderwerping aan de

strijdende Kerk. De zes vertegenwoordigers van de Parijsche Universiteit

wonen dit verhoor bij als eenige getuigen.

Maar Jeanne is niet van haar stuk te brengen. Haar geloof en haar

vertrouwen staan vast. Alles wat zij gedaan, gezegd en geantwoord heeft

betreffende hare visioenen en openbaringen, heeft zij gedaan en gezegd

uit naam van God. Voor niets ter wereld zou zij iets anders verklaren.

Wanneer de strijdende Kerk hare visioenen en openbaringen uitmaakt voor

hersenschimmen uit den Booze zal zij zich slechts beroepen en verlaten

op God alleen. O zeker, zij gelooft wel dat ook zij onderworpen is aan

de strijdende Kerk, maar.... _God moet eerst gediend zijn._

Jeanne: »Mijne antwoorden zijn geen eigen verzinsels; maar zij zijn mij

ingegeven door mijne stemmen. Mijne stemmen hebben mij bevolen niet

ongehoorzaam te worden aan de Kerk, maar.... _God moet eerst gediend

zijn._« Kan het duidelijker, kan het zuiverder, kan het waarachtig

godsdienstiger?

* * * * *

Uit de zeventig artikelen, opgemaakt door d'Estivet, besluit men

nogmaals een uittreksel te maken. Nicolas Midy wordt met de redactie van

dit nieuwe uittreksel belast. Hij vervaardigt de om hunne onjuistheid en

valschheid zoo beruchte twaalf artikelen.

In het kort bevatten deze twaalf artikelen natuurlijk de voornaamste

beschuldigingen tegen Jeanne, maar de feiten zijn dikwijls scheef

voorgesteld, hare antwoorden zijn dikwijls verkeerd weergegeven en wat

zeker wel het verfoeilijkst is: de twaalf artikelen waarop de verdere

beraadslagingen en ook het eindvonnis gebaseerd zijn geweest, werden

Jeanne nooit voorgelezen.

De sprong te Beaurevoir wordt voorgesteld als een poging tot zelfmoord,

terwijl bij het verhoor juist gebleken was dat van zelfmoord geen sprake

was.

Op insinueerenden toon wordt haar verweten, dat zij zich op hare tochten

nooit onder de hoede stelde van een vrouw. Maar de verklaring van Jeanne

hoe zij voor haar kuischheid wist te waken wordt verzwegen; van het

rapport van de deskundigen, waaronder de hertogin van Bedford, die haar

onderzocht en maagd bevonden hadden, wordt geen melding gemaakt.

In hun domheid maken zij zelfs Jeanne er een verwijt van, dat zij

verklaard heeft, dat hare stemmen geen engelsch spreken, omdat zij op

de hand der Franschen zijn. Wanneer hare Heiligen geen Fransch tot haar

gesproken hadden, hoe had Jeanne ze dan kunnen verstaan, en hoe had het

arme kind, dat zelf geen enkele vreemde taal kende, moeten constateeren

of het Engelsch of iets anders was?

* * * * *

In een bijeenkomst op den 13en April worden de twaalf artikelen

besproken, elke rechter zegt afzonderlijk zijn meening. De meesten zijn

zeer hard en streng in hun oordeel. Enkelen slechts, n.l. Jean Alespée,

Jean Basset en Raoul Sauvaige zijn Jeanne wat beter gezind en durven

zelfs iets mompelen omtrent een beroep op het Concilie van Bazel.

Maar Jeanne is ziek, ernstig ziek: men vreest voor haar leven. Is het

wonder dat na alles wat zij in de laatste weken naar lichaam en naar

ziel heeft moeten verdragen, hare krachten haar begeven?

Opgesloten in een ellendigen kerker met boeien aan handen en voeten; dag

en nacht bewaakt door ruwe, laaghartige soldaten die haar bespotten,

tergen en beleedigen en daar tusschen door uren lang afgebeuld door

moeilijke en pijnlijke verhooren. Wie zou daar tegen bestand zijn? O,

ware het de rampzalige gegeven geweest, toen rustig heen te gaan, haar

verlossing tegemoet, welk eene ellende, welk eene vernedering zou haar

bespaard zijn gebleven.

Haar lichaam is afgetobd en krank, maar haar geest blijft onveranderlijk

helder.

Hare beulen laten haar ook nu niet met vree. Tot in haar kerker en op

haar leger vervolgen zij haar, steeds met dezelfde grieven, steeds met

dezelfde verwijten. Maar niets kan haar rots-vaste geloof doen wankelen,

ook nu niet, nu mogelijk haar einde nadert. Wat er ook moge gebeuren,

zij zal niet anders kunnen verklaren, dan wat zij reeds in het proces

gezegd heeft. Nog heeft zij haar vertrouwen in de menschen, ja zelfs in

hare vijanden, niet geheel verloren. Zij rekent er vast op dat, zoo zij

mocht sterven in de gevangenis, men haar zal begraven in gewijde aarde.

Doet men dit niet, dan verlaat zij zich ook hierin op God.

Jeanne: »Ik ben een goede christin, ik ben gedoopt, ik zal als goede

christin sterven«.

Dit bezoek had plaats den 18en April. Den 2en Mei is Jeanne hersteld.

Hare stemmen hebben haar in dien tusschentijd weer moed ingesproken.

Zelfs de Aartsengel Gabriël is haar verschenen en heeft haar geraden

zich in alles op den Heer te verlaten, Hij zal haar helpen. Met nieuwen

moed bezield verschijnt zij voor hare drie en zestig rechters.

Het eerst wordt zij toegesproken door Jean de Chatillon. Hij vangt aan

met een ernstige vermaning, maar op bijna minzamen toon uitgesproken, en

wijst haar op hare fouten, maar zijn toespraak eindigt met bedreigingen

met dood en brandstapel. Op dienzelfden toon spreken nog enkele andere

rechters haar toe.

Voor het eerst wijst men haar in het openbaar op de noodlottige, doch

onvermijdelijke gevolgen van haar dwaling.

Wil zij zich dan niet onderwerpen aan het Heilig Concilie, of aan den

Heiligen Vader, den Paus?

Haar antwoord is kort:

»Breng mij voor hem, ik zal hem antwoorden!«

* * * * *

Dan biedt men Jeanne aan wat zij voor den aanvang van het proces

verlangd heeft: bijstand van priesters van haar eigen partij. Wat zouden

die thans nog voor haar kunnen doen?

»Geef mij een bode«, antwoordt zij op dit aanbod, »en ik zal hem

schrijven wat ik denk over het geheele proces, zooals gij het gevoerd

hebt.«

Nog één hamerslag, steeds op het zelfde aanbeeld, maar daarin klinkt een

zekere wanhoop en vertwijfeling van de zijde van hare rechters.

»Zeg ons dan een reden, een enkele slechts, waarom gij weigert U op de

Kerk te verlaten.«

Maar Jeanne zwijgt. Men wil niet hooren, men wil haar niet begrijpen.

Zij heeft niets meer toe te voegen aan de reeds zoo herhaaldelijk door

haar afgelegde verklaringen: men weet het toch, zij kan niet anders.

* * * * *

Nog is er een middel om Jeanne mogelijk tot spreken te dwingen en haar

misschien tot andere gedachten te brengen: de pijnbank.

Den negenden Mei brengt men Jeanne in het vertrek, waar zich de pijnbank

en de folterwerktuigen bevinden. Men toont haar de werktuigen en de

scherprechters, die gereed staan hun werk te beginnen. Dan leest men

haar voor de artikelen, waarop zij tot nu toe geweigerd heeft te

antwoorden. Maar Jeanne laat zich niet bang maken, zij zwicht niet,

zelfs niet voor het dreigement met de pijnbank. Zij blijft bij hetgeen

zij tot nu toe gezegd heeft en als zij op de pijnbank iets anders

verklaarde, zou zij toch altijd later zeggen, dat men haar er toe

gedwongen had.

Onder deze omstandigheden acht Cauchon het voorloopig nutteloos om tot

een foltering over te gaan.

In een bijeenkomst te zijnen huize wordt de zaak nog besproken. De

meeningen loopen uiteen. Enkelen vreezen dat het vergeefsche moeite zal

zijn, daar zij veronderstellen, dat Jeanne van den duivel de gave der

stilzwijgendheid heeft ontvangen. Anderen achten haar te verstokt en

de gunst van een foltering onwaardig: het zijn degenen wier oordeel

reeds gevestigd is. Nicolas Loiseleur was een van degenen, die van een

foltering »als medicijn voor haar ziel« wel eenig heil verwachtte en

dus voor de pijnbank stemde. De meerderheid is van oordeel dat voor het

oogenblik geen reden bestaat om tot de foltering over te gaan: aldus

wordt besloten en de pijnbank is het eenige wat Jeanne bespaard is

gebleven.

* * * * *

Daarna vertrekken de zes afgevaardigden van de Sorbonne naar Parijs,

gewapend met de Twaalf Artikelen. Dadelijk na hun aankomst komen de

geleerde heeren bijeen om te overleggen. Eerst vergadert elke faculteit

apart, daarna vereenigen zij zich in een algemeene vergadering, waarin

het onderzoek van de zaak wordt verwezen naar de theologische faculteit

en de faculteit voor Kerkelijk Recht.

Na veertien dagen zijn de beide faculteiten met hun onderzoek gereed,

en deelen in een nieuwe algemeene vergadering van de Universiteit hunne

conclusies mede. Het resultaat is, zooals te verwachten was, voor

Jeanne vernietigend. Men noemt haar verraderlijk, trouweloos, wreed,

bloeddorstig, afvallig, leugenachtig. Uitgemaakt wordt doodeenvoudig

dat hare Heiligen, booze geesten waren en wel Bélial, Satan en Béhémot.

De eer van deze uitvinding komt toe aan de Theologische Faculteit,

terwijl daarentegen de faculteit voor Kerkelijk Recht er zich weer op

mag beroemen o.a. te hebben uitgemaakt in art. 3 van haar rapport,

dat Jeanne een afvallige was, »omdat zij zich met verkeerde oogmerken

het haar had laten afknippen, dat God haar gegeven had, om haar hoofd

te bedekken«. Beide faculteiten zijn eenstemmig van oordeel dat

Jeanne behoort te worden overgeleverd aan het wereldlijk gezag, en

overeenkomstig hare misdrijven behoort gestraft te worden. De algemeene

vergadering neemt het advies van de commissie van onderzoek over en

maakt het tot het hare.

Het resultaat van de beraadslagingen wordt naar Rouaan verzonden met een

ellenlang begeleidend schrijven aan den bisschop Cauchon, waarin deze

hemelhoog wordt geprezen om zijn zeer bijzondere christelijke liefde

en de uitnemende, krachtige wijze waarop hij het proces voert tegen die

vrouw, die men Maagd noemt, doch wier gift zich ver verspreid heeft en

de christelijke kudde in bijna het geheele Westen heeft besmet en

verpest.

Zoodra de uitspraak van de Sorbonne in Rouaan is overgebracht, komen

Jeanne's rechters in completen getale bijeen. Het oordeel van de

Universiteit maakt hun de zaak veel gemakkelijker, neemt hun een groot

deel van de verantwoordelijkheid van de schouders: zij sluiten zich

gaarne bij dat oordeel aan.

Den 23en Mei wordt het resultaat van de beraadslagingen van de

Parijsche Sorbonne aan Jeanne voorgelezen door den jongste der zes

afgevaardigden: Pierre Maurice. Hij spreekt haar daarna toe in een lange

redevoering, maar zijn toon is kalm vermanend, bijna vertrouwelijk.

Hij vergelijkt haar ongehoorzaamheid aan de geestelijken, dat is aan de

officieren van Christus, bij de ongehoorzaamheid van een ridder aan de

bevelen van den koning en diens officieren. Hij tracht op haar gevoel

te werken. Aan het eind van zijn rede genaderd vraagt hij aan Jeanne,

die hem kalm en aandachtig heeft aangehoord, of zij niet tot inkeer wil

komen en hare daden en gezegden wil onderwerpen aan het oordeel van de

strijdende Kerk. Doch geen menschelijke welsprekendheid is bij machte

haar te doen wankelen. Zij belijdt voor de zooveelste maal:

Jeanne: »Wat ik gezegd en volgehouden heb in het proces, handhaaf ik ook

thans nog. Wanneer ik veroordeeld was en ik zag den beul gereed om het

vuur aan te steken, ik zag de takkenbossen branden en ik stond midden in

het vuur, dan nog zou ik niets anders zeggen, en wat ik verklaard heb in

het proces, zou ik volhouden tot aan den dood.«

In margine vinden wij bij dit antwoord de ongevraagde opmerking van den

griffier: Responsio Johannae superba.

* * * * *

Dan sluit Cauchon de beraadslagingen en bepaalt de uitspraak van het

vonnis op den volgenden dag.

* * * * *

Nog enkele uren dus en het onherroepelijke woord, dat Jeanne vonnist,

zal gesproken worden. Nog is het niet te laat, nog is er redding

mogelijk.

Ik sprak soms op bitteren toon over Jeanne's rechters en noemde ze hare

beulen. Ik neem hiervan niets terug, want, weliswaar leven wij met

Jeanne in een tijd van oorlog, maar hare rechters waren Franschen,

tenminste verreweg de meesten en bovendien, wat nog bezwarender is, het

waren geestelijken.

Maar hoe dan te oordeelen over hare vrienden, over hare bloedverwanten?

Zijn zij niet medeplichtig aan haren dood?

Niemand van haar partij heeft een woord gesproken, een vinger

uitgestoken om haar te verdedigen of te bevrijden. Onder Jeanne's

familieleden waren geestelijken: waarom zijn die dan niet naar Rouaan

gegaan om te getuigen, waarom hebben die van hun kant de hulp van den

Paus niet ingeroepen? De geestelijken, doctoren en advocaten, die door

de Engelschen en Bourgondiërs uit Parijs verjaagd waren, waarom hebben

die geen van allen geprotesteerd? De Bisschop van Reims, die aan Jeanne

zooveel te danken had, waarom is hij niet tusschenbeide gekomen door

gebruik te maken van zijn recht om Cauchon, zijn wij-bisschop, tot de

orde te roepen? De raadslieden van Karel VII, de priesters uit de naaste

omgeving van den koning, de doctoren te Poitiers die Jeanne ondervraagd

hadden, waarom hebben ze allen een misdadig stilzwijgen bewaard?

En dan eindelijk de koning zelf; waarom doet Karel VII geen beroep bij

den Paus, waarom brengt hij de bisschoppen en andere geestelijken, die

hem trouw zijn gebleven, niet in actie, waarom doet hij geen enkele

poging om Jeanne met geweld van wapenen te bevrijden? Is hij alles

vergeten wat Jeanne voor hem gedaan heeft, wil hij het zich niet

bekennen dat het de bezieling is geweest, die van haar uitging, die zijn

eigen troepen nieuwe moed heeft gegeven, dat haar verschijning, haar

naam soms voldoende was om verwarring te brengen onder de vijanden? Weet

hij niet meer, dat het Jeanne is geweest die hem naar Reims gebracht

heeft? Was zij niet zijn »porte-bonheur?« Waarom waagt hij dan, al was

het slechts uit welbegrepen eigenbelang, geen poging haar te redden?

Ik voor mij geloof, dat op al deze vragen één en hetzelfde antwoord

kan gegeven worden. Wij behoeven niet te zoeken op politiek gebied,

naar geheime beweegredenen, ook is het niet noodzakelijk een fijnere

détailstudie van het karakter van Karel VII te maken. Ik ben overtuigd,

dat wij den vinger op de wonde plek leggen indien wij zeggen: zij

durfden niet.

Van het oogenblik af, dat uitgemaakt was, dat Jeanne terecht zou staan

voor een geestelijke rechtbank, durft niemand meer een mond open doen of

een vinger verroeren. Zelfs de collega's en gelijken van Cauchon zijn

daarmede ontwapend.

Voor hen, evengoed als voor de lagere geestelijken, en zelfs voor den

koning is het buitengewoon gevaarlijk zich te mengen in een geestelijk

proces, of in de zaken van de Inquisitie.

De Kerk zal spreken, en dan heeft elk geloovige te zwijgen op gevaar van

zelf in botsing met de Inquisitie te komen.

Hierin schuilt m. i. het geheele geheim waarom enkele van de rechters

zich laten dwingen de verhooren bij te wonen, waarom niemand van hare

vrienden, waarom de koning, ja zelfs haar eigen broeders, die aan haar

zijde hadden gestreden, in het proces te Rouaan geen partij durven

kiezen voor de arme beklaagde, en op een afstand zullen moeten aanzien

dat Jeanne beleedigd, mishandeld en eindelijk ter dood gebracht wordt.

Jeanne toont ook hier haar waarachtige grootheid. Zij beschouwt ook

dezen tegenslag, deze ellende als een gevolg van Gods wil: zij berust.

Geen verwijt over de ontrouw of de lafhartigheid van hare vroegere

vrienden komt over hare lippen; integendeel, zij blijft ze steeds een

goed hart toedragen en verdedigen: haar liefde en bewondering voor den

koning behoudt zij tot het einde toe.

* * * * *

In den morgen van den 24en Mei bezoekt Jean Beaupère Jeanne in haar

kerker, ook ontmoet ze Nicolas Loiseleur nog. Beiden trachten haar nog

te overreden zich te onderwerpen aan de Kerk en Loiseleur doet haar

zelfs valsche beloften en valsche voorspiegelingen. Wij behoeven niet

alle beschuldigingen te gelooven, die in het tweede proces tegen Nicolas

Loiseleur zijn uitgesproken, maar vast staat het wel, dat deze kanunnik

de Judasrol tegenover Jeanne heeft gespeeld.

Onder voorwendsel een gevangene van haar partij te zijn, heeft hij haar

vertrouwen weten te winnen en haar zelfs de biecht afgenomen, terwijl

hij wist, dat zijne gesprekken met Jeanne in het belendende vertrek

werden afgeluisterd en opgeteekend. Ook nu bij de zoogenaamde afzwering

staat Loiseleur aan haar zijde en zal het gedeeltelijk op zijn

aandringen zijn, dat Jeanne het perkament teekent, dat men haar

voorhoudt.

Evenals Judas zou ook hij zijn ure van wroeging en berouw gehad hebben,

waarin hij handenwringend en in wanhoop Jeanne volgde en om vergeving

smeekte op haar laatsten tocht naar de Oude Markt. Men brengt Jeanne nu

in een open kar onder gewapend geleide naar het ruime kerkhof van den

abdij van Saint Ouen, waar zij nogmaals plechtig en in het openbaar zal

worden toegesproken en waar de scène van de zoogenaamde afzwering zal

plaats hebben.

Op dit kerkhof heeft men voor deze gelegenheid een groote tribune

gebouwd tegen het schip van de kerk. Daarop hebben plaats genomen

Pierre Cauchon, Bisschop van Beauvais, Jean Lemaître, Vicaris van den

inquisiteur, de Kardinaal van Winchester, verder alle hooge en lagere

geestelijken, die aan het proces hebben deel genomen, en verscheidene

hooggeplaatste Engelsche heeren. Rondom het kerkhof verdringt zich een

dichte menigte, die door Engelsche soldaten op een eerbiedigen afstand

wordt gehouden.

Op een kleine verhevenheid tegenover de groote tribune bevindt zich

meester Guilleaume Erard. Zeer tegen zijn zin heeft men hem aangewezen

om Jeanne in deze plechtige bijeenkomst toe te spreken, zooals het

gebruik van de Heilige Inquisitie dat meebracht.

Dan brengt men Jeanne in den kring: zij draagt manskleeren, en hoewel

zichtbaar onder den indruk, eenigszins beduust door de openlucht en het

volle zonlicht treedt zij kalm en vastberaden voorwaarts. Men plaatst

haar op de verhevenheid naast Guilleaume Erard, en zoodra men stilte

heeft verkregen onder de talrijke aanwezigen, neemt deze het woord.

Hij heeft zich als tekst voor zijn toespraak gekozen het woord uit het

Evangelie naar Johannes, hoofdstuk XV: »De rank kan geen vrucht dragen

van haar zelven, zoo zij niet in den wijnstok blijft.« »Zoo moeten

dan ook alle katholieken in den wijnstok blijven van onze Heilige

Moederkerk, die de hand van onzen Heere Jezus Christus heeft geplant.«

In den loop van zijn heftige toespraak herhaalt hij, de verschillende

punten van beschuldiging tegen Jeanne, en zet die nader uiteen. Op haar

is zeer zeker van toepassing het woord van dezen tekst: Zij heeft de

Moederkerk verlaten, is van de eene dwaling in de andere, van de eene

misdaad in de andere vervallen, en heeft op duizenderlei wijze het

christelijke volk geërgerd. Nooit te voren was er een grooter monster

dan Jeanne in Frankrijk.

De arme Jeanne hoorde dit schelden en schimpen rustig aan: zij was er in

de laatste maanden reeds aan gewoon geraakt.

Maar zoodra hoort zij niet den naam des konings noemen, of zij richt

zich op, luistert met dubbele aandacht, en al de oude strijdlust wordt

weer in haar wakker. Waarschijnlijk om de aanwezige Engelschen in het

gevlei te komen valt Guilleaume Erard Karel VII heftig aan. Dan richt

hij zich uitdrukkelijk tot Jeanne met de woorden:

»Jeanne ik spreek tot U en ik zeg U dat Uw koning is een ketter en een

afvallige.«

Dat is te veel voor de arme Jeanne. Die woorden krenken haar in het

diepst van haar ziel. Een groote ontroering maakt zich van haar meester,

hare Heiligen verschijnen haar, zij hoort hare stemmen. Zij raden haar:

»Antwoord hem flinkweg, dien prediker die U toespreekt.«

En oogenblikkelijk stuift zij op en valt Guilleaume Erard in de rede:

Jeanne: »Voorwaar, Messire, met allen eerbied, ik durf te verklaren

en zweren op straffe des doods, dat hij de edelste Christen van alle

Christenen is, die het geloof en de Kerk het meest liefheeft; en hij is

niet zooals gij zegt«.

Erard, vertoornd over deze onderbreking, laat Jeanne door den

deurwaarder tot zwijgen brengen. Hij is het einde van zijn preek

genaderd en komt nog eenmaal op het oude thema terug: wil zij hare

woorden en daden onderwerpen aan het oordeel van de Kerk.

Maar wat zij gedaan heeft, deed zij uit naam van God, niemand heeft

daar schuld aan, noch de koning, noch iemand anders. Dan doet zij een

officieel beroep op den Paus. Het laffe antwoord van de rechters, dat de

Paus te ver weg is, en men hem niet kan gaan halen, slaat haar niet uit

het veld. Laat men haar dan naar den Paus brengen en laat die haar dan

ondervragen. Zij wil niet, dat men een uittreksel uit het proces-verbaal

van dit proces, ter beoordeeling van den Paus, naar Rome zendt, daar

heeft zij geen vertrouwen in, men kan daarin zetten wat men wil. Neen,

zelf en in persoon wil zij zich tegenover den Heiligen Vader

verantwoorden.

Op eene laatste vermaning komt hetzelfde antwoord: zij herroept niets

van hetgeen zij heeft verklaard.

Hiermede is de zaak beslist.

Het woord is thans aan Cauchon. Van de twee vonnissen, die hij bij zich

heeft, één voor het geval Jeanne ter elfder ure tot inkeer zou komen,

het andere voor het geval zij in hare dwaling bleef volharden, heeft hij

het laatste te voorschijn gehaald. Hij is opgestaan en leest het vonnis.

Het bestaat uit een lange reeks van beschuldigingen, waarvan wij de

meesten reeds kennen. De rechters hebben »met Christus en de eer van het

orthodoxe geloof voor oogen« Jeanne schuldig bevonden aan: leugen, aan

de uitvinding van zoogenaamde goddelijke verschijningen en openbaringen,

aan betoovering, bijgeloof, waarzeggerij, Godslastering, verachting van

God zelf in zijne Heilige sacramenten, enz. enz.

Cauchon leest langzaam verder en onderwijl dringen er nog enkele

rechters, waaronder Guilleaume Erard en Loiseleur, bij Jeanne op aan,

dat zij zal afzweren. Nog is het tijd, houden zij haar voor.

»Onderwerp je aan de kerk«, zegt Erard, die persoonlijk gaarne zou zien

dat de afzwering van Jeanne kon worden aangemerkt als de vrucht van zijn

toespraak. »Beloof dat je weer vrouwenkleeren zult aantrekken«, dringt

Loiseleur aan, en beiden dreigen ze met den brandstapel. Erard heeft

eene verklaring van afzwering gereed en houdt die Jeanne voor.

Dan geeft Jeanne een teeken en Cauchon onderbreekt oogenblikkelijk de

voorlezing van het vonnis.

Een volkomen juist en getrouw beeld geven van hetgeen nu gebeurt is niet

geheel mogelijk: er blijft vooralsnog één duister punt.

Vast staat dat zoodra Cauchon zwijgt er eenige verwarring ontstaat onder

de Engelsche soldaten en zelfs eenig rumoer onder de Engelsche heeren op

de tribune. Zij begrijpen niet geheel wat er gebeurt, maar zij vreezen

verraad en zijn bang dat Jeanne hun ontsnapt. Warwick bijt Cauchon toe:

»De zaken van den koning gaan slecht, die vrouw zal ons nog ontglippen.«

Cauchon tracht hem gerust te stellen en mompelt: »Wees maar niet bang,

wij zullen haar wel weer vangen.«

Maar ook andere Engelschen maken het hem lastig en beschuldigen hem

zelfs openlijk van verraad. Dan stuift Cauchon op, dat laat hij zich

niet zeggen. Hij is beleedigd, hij wil niet verder procedeeren voor men

hem voldoening gegeven heeft. Is hij als rechter in geloofszaken niet

verplicht eerder het heil van die vrouw te zoeken dan haar dood? zoo

huichelt hij. Warwick brengt de andere heeren tot kalmte. Cauchon's

verklaring »wij zullen haar wel weer vangen« heeft hem voldoende

gerustgesteld, dat de zaak bij dezen rechter nog steeds in goede handen

is.

Op de kleine verhooging midden in den kring is al even veel verwarring

als op de groote tribune. Van alle kanten bestormt men Jeanne, dat zij

de verklaring van Erard zal teekenen. Uit de menigte, die voor een deel

bestaat uit Franschen, die haar sympathiek zijn, roept men haar toe,

dat zij moet doen, wat men haar aanraadt en zoodoende haar leven moet

redden. Jeanne wil nog een uitstel om de zaak te overwegen en om hare

stemmen te raadplegen. Zij vraagt aan Jean Massieu wat zij doen moet.

Maar men wil ditmaal van geen uitstel weten en ook Jean Massieu dringt

er op aan, dat zij teekenen zal, en wel nu dadelijk nu het nog tijd is.

Jeanne geeft toe; tenminste afgaande op de voorspiegelingen en beloften

die men haar doet, teekent zij een stuk, dat men haar voorhoudt, en

waarvan men haar in de verwarring met enkele woorden den inhoud heeft

medegedeeld.

Maar wat heeft men haar beloofd, wat heeft er in het stuk gestaan,

dat Jeanne teekende en eindelijk, hoe heeft zij geteekend? Zie hier

het duistere punt, waarop ik zooeven zinspeelde. Zeker heeft men haar

beloofd, dat wanneer zij teekende, zij voortaan zou behandeld worden als

een gevangene van de Kerk en dus onder toezicht zou komen van vrouwen in

plaats van Engelsche soldaten. Dit blijkt overtuigend uit hetgeen Jeanne

zegt aan het einde van deze plechtigheid. Maar welk stuk heeft zij

geteekend en hoe? De verklaring van afzwering, die zich in het dossier

bevindt, draagt geen handteekening, doch een kruisje. Nu is het nagenoeg

zeker, dat Jeanne in die dagen het zoover gebracht had, dat zij ten

minste haar handteekening kon plaatsen. In dat geval is een stuk met een

kruisje geteekend niet geldig.

Wat verder den inhoud van het stuk betreft hebben wij in de eerste

plaats de verklaring door Jeanne zelf twee dagen later gegeven, dat zij

begrepen had, dat het er om ging dat zij van kleeding zou veranderen en

bovendien de zeer bezwarende verklaring door Jean Massieu in het proces

van rehabilitatie afgelegd en door nog verscheidene andere getuigen

bevestigd, dat het lange latijnsche stuk, dat zich in het dossier

bevindt, een geheel ander is als de korte Fransche verklaring, die

Massieu aan Jeanne heeft voorgelezen en die zij onderteekend heeft.

Maar bovendien, heeft zij Erard, op zijn krachtig aandringen niet kalm

toegevoegd: »U geeft U werkelijk te veel moeite om mij te verleiden«.

En was Jeanne niet gedurende de geheele plechtigheid volkomen rustig?

Stond zij niet, tot groote verontwaardiging van hare Engelsche vijanden,

glimlachend te midden van de priesters die haar tot teekenen trachtten

te bewegen? Zou zij dan glimlachend de overtuiging en het geloof,

waarvoor zij reeds zooveel geleden had, en die zij zoo dapper al die

weken, in een strijd op leven en dood, verdedigd had, prijs gegeven

hebben?

Neen, driewerf neen! Men heeft haar misleid, er heeft vervalsching of

verwisseling van de processtukken plaats gehad, maar Jeanne heeft niet

afgezworen.

* * * * *

Als Cauchon eindelijk weer het woord neemt is het thans om het andere,

het minder strenge vonnis voor te lezen, waarbij Jeanne veroordeeld

wordt tot levenslange gevangenisstraf, op water en brood, of zooals het

in de latijnsche vertaling van het vonnis luidt: »in perpetuum carcerem,

cum pane doloris et aqua tristitiae«, om hare zonden en fouten te

beweenen.

* * * * *

Daarna is de plechtigheid afgeloopen. Jeanne verwacht nu, dat men de

zooeven afgelegde belofte zal nakomen en zegt tot hare rechters:

»Welnu dan, heeren geestelijken, brengt mij in Uwe gevangenissen, en

levert mij niet meer over in handen van die Engelschen!«

Men had haar schandelijk bedrogen. Trouwens wat Jeanne vroeg, omdat men

het haar beloofd had, was niet mogelijk, want met de Engelschen was

uitdrukkelijk overeengekomen, dat Jeanne hun na het proces weer zou

worden uitgeleverd.

Het laatste woord is aan hem, die Warwick toegefluisterd heeft: »Wees

maar niet bang wij zullen haar wel weer vangen.«

Als eenig antwoord op haar bede, geeft Cauchon aan de bewakers van

Jeanne het korte, doch voor haar vernietigende bevel:

»Brengt haar daar waar gij haar vandaan gehaald hebt.«

* * * * *

Zoodra Jeanne weer terug is in haar ouden kerker en men haar opnieuw in

ketenen heeft vastgeklonken, wordt zij herinnerd aan de belofte om van

costuum te veranderen. Zij is daartoe thans bereid, en trekt een japon

aan, die de hertogin van Bedford voor haar heeft laten maken. Evenals

Aimond de Macy op het kasteel Beaurevoir, veroorlooft de kleermaker,

die Jeanne de japon brengt en haar behulpzaam is bij het aantrekken

ervan, zich een vrijmoedigheid, die Jeanne zoo boos maakt, dat zij hem

een fermen oorvijg geeft. Het haar van Jeanne, dat zij droeg als de

krijgslieden van dien tijd, wordt afgeknipt.

Zoo laat men dit negentienjarige meisje, thans weer als vrouw gekleed,

dag en nacht bewaken door Engelsche soldaten, d. w. z. door halve

bandieten, halve beesten. Wij herhalen het, dit is mogelijk wel de

wreedste en meest verfijnde marteling die men dit arme schepseltje heeft

laten ondergaan. Wel was Jeanne moedig en zou zij zich, zoo goed haar

ketenen dit toelieten, tegen aanrandingen hebben weten te verdedigen,

maar de hoon, de spot, de beleedigingen, de ruwe dronkemanstaal van

hare bewakers, die in hare tegenwoordigheid zaten te dobbelen en te

drinken, heeft zij moeten verduren en aanhooren. Onbeschrijfelijk moet

zij daaronder geleden hebben; toch houdt zij den strijd nog twee dagen

vol, dan legt zij haren japon af, steekt zich opnieuw in manskleeren,

en breekt hiermede de door haar afgelegde belofte.

Dit geschiedt in den morgen van den 27en Mei, op den Zondag van de

Heilige Drievuldigheid. Als wij de verklaring van den deurwaarder Maître

Jean Massieu in het proces van rehabilitatie moeten gelooven, is het

niet vrijwillig dat Jeanne hare belofte gebroken heeft, maar heeft men

er haar bepaald met geweld toe gedwongen, door in den nacht van den 26en

op den 27en Mei, terwijl zij sliep, hare vrouwenkleeren te verbergen en

het mans-costuum voor haar gereed te leggen. Zij moet zelfs aanvankelijk

geweigerd hebben het verboden costuum weer aan te trekken, er op

wijzende, dat dit in strijd zou zijn met hare belofte, maar ten slotte

was zij wel genoodzaakt toe te geven, aangezien zij voor een zuiver

menschelijke behoefte het bed en zelfs een oogenblik haar kerker moest

verlaten. (»Intendens ventrem purgare«).

In de getuigen-verklaringen van het proces van rehabilitatie komen

evenwel meerdere dergelijke verhalen voor van schandelijk bedrog,

van ten hemel schreiend verraad. Wij aanvaarden ze met de noodige

voorzichtigheid en wij hebben ze trouwens niet noodig. De geschiedenis

zooals wij haar kennen uit de feiten die onomstootelijk vaststaan, is

reeds verschrikkelijk en tragisch genoeg.

Het bericht van Jeanne's weder-afvalligheid ging als een loopend vuur

door de stad. Oogenblikkelijk zetten hare rechters en vijanden zich in

beweging. De door Cauchon verwachte gelegenheid om haar weder te vangen,

biedt zich aan. Jeanne is verloren.

Den volgenden morgen begeeft Cauchon zich met verscheidene andere

rechters naar het kasteel waar Jeanne gevangen zit. Onderweg worden zij

bespot en uitgejouwd door een troep Engelsche soldaten. De griffier van

het proces wordt ontboden. Men vindt Jeanne in manskleeren, maar zij is

diep terneer geslagen, afgetobd en in tranen.

Als men haar naar de reden vraagt antwoordt zij, dat het haar, nu zij

onder mannen verkeert, behoorlijker voorkomt, dat zij ook manskleeren

draagt en verder: »Ik heb niet begrepen wat de verklaring van afzwering

behelsde. Ik heb niets willen herroepen, dan wat God verlangde.... Als

de heeren er op staan zal ik weer vrouwenkleeren aandoen, maar dan moet

men ook volbrengen wat men mij beloofd heeft en mij in een kerkelijke

gevangenis brengen. Verder zal ik niets doen«.

In margine teekent de griffier hier weer bij aan: »Responsio mortifera«.

Ondanks den wanhopigen toestand, waarin zij Jeanne aantreffen, hebben

Cauchon en de zijnen nog den treurigen moed, haar weer lastig te vallen

en te kwellen met de oude, bekende vragen omtrent de kroon in Reims en

het geheime teeken te Chinon.

Maar de ongelukkige Jeanne staat ze hierover niet meer te woord. Zij

kan niet meer, zij is geestelijk lam geslagen. Dan liever op eenmaal

boete gedaan met haar leven, dan langer die eindelooze kwellingen en

pijnigingen te doorstaan. Wat geeft het haar of zij blijft strijden,

men zal niet rusten, dat voelt zij nu, voor men haar gedood heeft. Nog

één verzuchting van de wanhopige: »Ik wil liever sterven«, en dan zwijgt

zij.

Den volgenden dag komen de rechters bijeen in het aartsbisschoppelijk

paleis. De zaak is nu voor hen heel eenvoudig geworden. Zij zijn het

er over eens dat Jeanne zich heeft schuldig gemaakt aan meineed

en weder-afvallig is geworden, en aangezien de Kerk de door haar

uitgesproken doodvonnissen niet zelf voltrekt, zal de veroordeelde

worden overgeleverd aan den wereldlijken rechter.

De broeders Martin Ladvenu en Isambart de la Pierre krijgen de opdracht

de veroordeelde te gaan mededeelen, dat zij den volgenden dag zal

verbrand worden.

In den vroegen morgen van den 30en komen zij in den kerker van Jeanne.

Martin voert het woord. Als hij uitgesproken heeft, barst Jeanne in

een wanhopig snikken los. Daar ligt ze nu, het arme, moedige, lieve

schepseltje als verpletterd door deze vreeselijke tijding, daar ligt ze

nu alleen, door iedereen verlaten in haar ellende. Geen liefderijke hand

is er, die zich naar haar uitstrekt, geen woord van troost of medelijden

wordt tot haar gesproken. In dit oogenblik van angst en felle smart

hoort zij ook hare stemmen niet. Zij jammert en weeklaagt luid. »Haar

lichaam, dat zij tot het einde toe rein en ongerept heeft weten te

houden, zal dus verbrand en tot asch verteerd worden«, en voor het leed

en onrecht haar aangedaan, beroept zij zich op God, den rechter aller

rechters.

Nog verscheidene andere geestelijken en doctoren zijn onder Jeanne's

snikken haar kerker binnengekomen en kwellen haar met vragen. Zij

beantwoordt de meesten nog geduldig en gedwee, maar dan staat plotseling

Cauchon zelf op den drempel. Zij ziet in hem een van de hoofdoorzaken

van al haar leed en van haar dood. Zij richt zich op en met haar nog

betraande oogen ziet ze hem aan. Nog eenmaal staat ze daar in hare

maagdelijke fierheid, in de volle majesteit van hare tengere jeugd en

met dezelfde heldere, krachtige stem, waarmee zij op het slagveld hare

troepen had aangemoedigd en bezield, dondert zij haar rechter het

striemende verwijt tegemoet: »Bisschop, ik sterf door Uw schuld!«

* * * * *

Broeder Martin neemt haar de biecht af. Jeanne is diep geroerd en

schreit bitter, als zij daarna voor de laatste maal de heilige Hostie,

het lichaam des Heeren ontvangt.

Wat moeten wij toch denken van deze tegenstrijdigheid? Diezelfde Kerk,

die een oogenblik te voren de arme Jeanne als ketterin verstooten had

en haar had overgeleverd aan den wereldlijken rechter, stemt er thans

in toe, dat men haar het Avondmaal toedient en zelfs dat het Sacrament,

zooals Ladvenu het uitdrukkelijk verzoekt, haar met alle mogelijke praal

en heerlijkheid wordt gebracht, door een gansche stoet van geestelijken

en met een menigte gewijde kaarsen. (»avec beaucoup de lumière«).

Van de pogingen die men daarna nog eenmaal gewaagd heeft om Jeanne tot

nieuwe bekentenissen te brengen, is later een proces-verbaal opgemaakt,

dat de griffier, die er bij tegenwoordig was, geweigerd heeft te

teekenen.

* * * * *

Eindelijk om negen uur verlaat Jeanne voor goed den kerker en het oude

kasteel, waar zij honderd acht en zeventig bange dagen en nachten heeft

doorgebracht.

Zij is gekleed in een lange japon en op het hoofd draagt zij een kapje.

Met een gewapend escorte van tachtig Engelsche soldaten, voert men het

slachtoffer in een wagen naar het oude marktplein van Rouaan. Martin

Ladvenu en Massieu vergezellen haar. Zij schreit en bidt, en eenmaal

roept zij onderweg in wanhoop uit:

»Rouaan, Rouaan, zal ik hier dan sterven? Zult gij mijn laatste

woonplaats zijn?«

* * * * *

Het marktplein is afgezet door Engelsche soldaten, waarachter zich een

dichte menigte van nieuwsgierigen verdringt. Aan de eene zijde van het

plein, op het kerkhof van de Saint Sauveur heeft men een groote tribune

gebouwd, waarop de rechters hebben plaats genomen, daartegenover

een kleine verhooging, waarop Jeanne zal worden tentoongesteld en

toegesproken, en eindelijk in het midden op een gemetselde verhooging,

een stapel takkebossen: de brandstapel. Aan een paal op den brandstapel

leest men het volgende opschrift:

»Jeanne, die zich laat noemen la Pucelle, leugenaarster,

volksmisleidster, Godslasteraarster, afvallige van het geloof van Jezus

Christus, ketterin, enz. enz.« in het geheel zestien beschuldigingen,

maar zestien valsche beschuldigingen, zestien leugens.

Ditmaal is het een van de zes afgevaardigden van de Parijsche

Universiteit, een dokter in de theologie en wel Nicolas Midy, die de

eer geniet de ongelukkige veroordeelde, in hare laatste oogenblikken, te

mogen toespreken, en hij doet dit, evenals Beaupère, zijn voorganger, in

heftige en beleedigende bewoordingen. Als tekst neemt hij een woord uit

den eersten zendbrief van Paulus aan de Corinthiërs: (XII: 26). »En het

zij dat één lid lijdt, zoo lijden alle de leden mede.«

Dit woord van Paulus, op waardige wijze toegepast, zou zeker eenen

prediker met een hart, ook in deze omstandigheden, stof en gelegenheid

genoeg geboden hebben om Jeanne een oogenblik voor haar dood nog enkele

woorden toe te voegen, waaruit althans eenig menschelijk gevoel,

ja misschien medelijden sprak. Maar niet aldus deed deze Parijsche

godgeleerde. »Het lid dat lijdt« uit den brief van Paulus wordt in zijn

mond, het lid dat rot, en dreigt zijn besmetting over te brengen op de

andere leden, het lid dat uitgeworpen moet worden uit de eenheid van de

Kerk, dat uitgerukt moet worden uit het lichaam, en overgeleverd moet

worden aan de wereldlijke macht.

Aldus luidt ook het vonnis dat Cauchon, na het einde van de toespraak

van Midy, voorleest. Het eindigt met de geijkte, schijnheilige formule,

waarbij hij die zelfde wereldlijke macht verzoekt zich in haar oordeel

over het arme slachtoffer te matigen. (»Rogando eam ut cum ea velit mite

agere, citra mortem et membrorum mutilationem«). Bij de beraadslagingen

over de sententie hadden twee geestelijken toch nog den treurigen moed

gehad te verklaren, dat naar hun oordeel in het onderhavige geval deze

»supplication misèricordieuse« wel achterwege kon blijven.

Als Jeanne het vonnis vernomen heeft barst zij in tranen en snikken uit;

met gevouwen handen zinkt zij op hare knieën en bidt tot God. Zij roept

Maria aan en de Heiligen in het Paradijs. In hartroerende woorden smeekt

zij allen, die zij eenig leed mocht berokkend hebben, ja zelfs haren

rechters en den Engelschen om vergeving. Geruimen tijd blijft zij zoo in

wanhoop liggen. Waar wacht men op? De geestelijke rechters hebben hun

rol afgespeeld en gaan heen. Velen van hen zijn diep geroerd en ook

Cauchon verdwijnt met tranen in de oogen. De Engelsche soldaten, die

ongeduldig worden, roepen hem nog toe: »Zeg eens, priester, zullen we

hier nog moeten blijven eten?«

* * * * *

Jehan Salvaing, de wereldlijke rechter in wiens handen Jeanne nu is

overgeleverd, had haar naar het raadhuis behooren te brengen, om

haar het vonnis voor te lezen. In de haast worden deze formaliteiten

overgeslagen. Men verlangt naar het einde van het drama, dat velen

reeds te lang geduurd heeft. Op een teeken van den schout, pakken zijne

dienaren Jeanne beet en voeren haar in den wagen, die haar gebracht

heeft, naar den brandstapel.

Men heeft haar het kapje van het hoofd genomen en haar een mijter

opgezet met het opschrift: »Ketterin, Afvallige, Afgodendienares.« Tegen

deze beschuldigingen waagt Jeanne nog een laatst protest.

Zoo geeft men haar over aan den beul en zijne knechts. De deurwaarder

Massieu en twee jonge geestelijken, de broeders Isambard de la Pierre

en Martin Ladvenu (laten wij hunne namen goed onthouden), die allen

diep geroerd zijn, vergezellen haar tot den brandstapel. Voor zij dien

bestijgt roept zij nog: »Oh, Rouaan, ik vrees wel, dat gij door mijn

dood zult moeten lijden.«

Als eenmaal de beul, vermoedelijk genaamd Geoffroy Thérage, zijn

moordend werk begonnen is, en de takkenbossen in brand gestoken heeft,

vraagt Jeanne een kruis. Een Engelsche soldaat maakt er een van twee

stokjes en geeft het haar. Zij kust het en drukt het vast tegen zich

aan. Op haar verzoek laat broeder Isambard nog een groot kruis halen uit

de Saint-Sauveurkerk. Ook dit omhelst ze nog onder een hevig snikken.

Deze trouwe broeder Isambard blijft haar bijstaan tot het einde toe.

Staande op een der takkenbossen van den brandstapel houdt hij, op haar

uitdrukkelijk verzoek, haar steeds het groote kruis voor oogen, hoort

haar aan en spreekt haar toe, en eindelijk als het vuur zich verspreidt

en de vlammen hem kunnen bereiken, is het op verzoek van Jeanne, dat hij

eenige schreden terug gaat. Ook in deze oogenblikken dus heeft zij nog

oog voor het gevaar, dat een ander bedreigt en is zij vervuld van

teedere zorg.

Te midden van een zee van hoog oplaaiende vlammen en van een schier

verstikkenden rook verklaart zij nog eenmaal met heldere, luide stem,

dat zij geen ketterin, geen afvallige is,.... dat alles wat zij gedaan

heeft haar door God bevolen was,.... dat hare stemmen haar niet bedrogen

hebben.

En eindelijk eenige oogenblikken later in den barnenden gloed roept

Jeanne luid: »Jezus!«.... buigt het hoofd, en.... geeft den geest.

* * * * *

Als Jeanne gestorven is, dooft men op bevel van den hoofdschout het

vuur: men wil zekerheid hebben, dat zij niet met behulp van den duivel

ontsnapt is. Doch men vindt hare overblijfselen: de overlevering zegt

zelfs dat het hart niet door het vuur verteerd was. Haar asch wordt

verzameld en in de Seine geworpen.

Zoo verliet dan Jeanne een wereld waarvoor zij te groot en te goed was.

Zoo bleef zij tot het einde getrouw aan hare roeping als bode des

Hemels, als reddende Engel van Frankrijk, en ging zij heen als

Martelares voor de goede zaak, die zij gediend had.

* * * * *

[Illustratie: Jeanne d' Arc op den brandstapel.

Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans · 第 36 / 66 题