Jargeau.--Patay.--Reims.--Parijs.
Het ligt geheel in de lijn van het voortvarend karakter van Jeanne,
dat zij na het behaalde succes in Orléans niet op haar lauweren gaat
rusten. Zij heeft nog slechts een deel van haar taak volbracht en wil
met alle kracht doorzetten. De Engelsche troepen zijn voor het oogenblik
gedemoraliseerd, maar men moet hun den tijd niet laten van de schrik
te bekomen en de geleden verliezen te herstellen. De Fransche troepen
daarentegen zijn met nieuwen moed bezield; de bevrijding van Orléans
heeft hun weer zelfvertrouwen gegeven, hun gevechtswaarde is zeker meer
dan verdubbeld. Maar van die gunstige stemming moet gebruik gemaakt
worden, men moet naar Reims, en vandaar naar Parijs, de Engelschen
moeten het land uit, voor zij den tijd gehad hebben, tot bezinning te
komen.
Aldus redeneert Jeanne en in dien zin spreekt zij ook tot den dauphin
dadelijk bij het eerste wederzien in Tours. Maar de koning en zijn Raad
denken er anders over. De oppositie van la Trémouille en de zijnen
tegen de politiek van Jeanne wordt steeds duidelijker en Karel VII is
geen persoon, waarvan men kan verwachten, dat hij openlijk in verzet
tegen zijn Raad zal komen. In de omgeving van den koning acht men het
oogenblik voor den opmarsch naar Reims nog niet gekomen. Men wil eerst
vanuit Orléans de verdere Loire-streek van vijanden zuiveren. Ook acht
men een tocht door het land tusschen Orléans en Reims niet zonder
gevaar, zoolang de voornaamste plaatsen, die men langs moet, als Troyes
en Châlons, zich in handen der Engelschen bevinden. Maar, hoewel zij
niet openlijk werd uitgesproken, zal de voornaamste reden van het verzet
tegen het plan van Jeanne wel geweest zijn, dat men het groote nut van
de kroning te Reims nog niet inzag, nog niet voldoende doordrongen was
van de noodzakelijkheid ervan, of het geniale van de vinding nog niet
wilde erkennen.
Eenige dagen na het ontzet van Orléans verlaten enkele leiders met hunne
troepen de stad, een ander gedeelte van de troepen wordt afgedankt
bij gebrek aan middelen om hen onder de wapens te houden. Ook Jeanne
vertrekt met Gilles de Rais. Een geestdriftige en innig dankbare menigte
doet haar uitgeleide tot de poort en velen zijn tot tranen toe geroerd
bij het afscheid. Als zij te Tours aankomt, is de koning er nog niet en
zij besluit dus, hem te gemoet te trekken.
Bij het eerste wederzien betoont Karel VII zich tegenover Jeanne
hartelijk en vriendelijk, maar zonder eenige geestdrift. Het is de
koning, die na een overwinning zijn zegevierenden veldheer ontvangt, die
zijn plicht gedaan heeft. Ook uit zijn brieven van die dagen spreekt nog
altijd groote voorzichtigheid en een zekere angst om zich te veel bloot
te geven, als hij den bewoners van de steden, die hem trouw bleven, op
het hart drukt, God te loven en de dappere daden in Orléans bedreven in
eere te houden en wel vooral die van Jeanne »die steeds en in persoon
bij dat alles tegenwoordig was«. Maar na zoo'n koude douche willen wij
ons weer even verwarmen aan het enthousiasme van d'Alençon en Dunois en
de eerste over Jeanne laten verklaren:
»Zij was zeer bekwaam in den oorlog, in het in slagorder brengen van de
troepen zoowel als in het opstellen van de kanonnen. Allen bewonderden
hare voorzichtigheid en haar zorg voor alles, alsof zij een kapitein was
met dertig jaar ondervinding.«
en de tweede:
»Zij ontwikkelde een bewonderenswaardige geestkracht en deed meer werk
dan twee of drie van de beroemdste veldheeren met de meeste
ondervinding.«
* * * * *
Tien dagen blijft Jeanne met het hof te Tours, daarna volgt zij den
koning naar Loches. Maar zij is verre van tevreden over dit talmen; het
is verloren tijd; zij wil naar Reims. Helaas, men luistert niet naar
haar goeden raad, zelfs niet als zij waarschuwt:
»Ik zal slechts een jaar duren en niet veel langer.«
Bij een van hare bezoeken bij den dauphin om hem te smeeken, toch niet
langer te dralen en vooral »niet zoo dikwijls en zoolang te vergaderen«,
maar haar te volgen naar Reims, ontmoet zij den heer van Harcourt, die,
als de koning geen antwoord geeft op het verzoek van Jeanne, gebruik
maakt van de gelegenheid, om haar weer te ondervragen over hare stemmen
en den raad van hare Heiligen. Maar Jeanne laat ook nu niet veel meer
los, dan hetgeen men reeds weet; alleen legt zij er bij deze gelegenheid
den nadruk op, dat zij er dikwijls veel verdriet van heeft, dat men
haar niet gelooven wil en hare stemmen haar in die oogenblikken van
neerslachtigheid troosten met de woorden: »Ga, dochter van God, ga!«
* * * * *
Den 6en Juni bevindt Jeanne zich met den koning te St. Aignan waar zij
o. a. een heraut ontvangt, haar als opperbevelhebber van de Fransche
troepen gezonden door de bewoners van Orléans, om haar op de hoogte te
brengen van de bewegingen van den vijand.
Het plan, om van uit Orléans als operatie-basis, de geheele streek om
de stad van Engelschen te zuiveren wordt doorgezet. Jeanne, verheugd
dat zij tenminste niet langer met de armen over elkaar behoeft te
zitten, komt in den avond van den 9en Juni te Orléans aan, waar zich
de andere leiders met hunne troepen reeds verzameld hebben. Met een
vrij aanzienlijk leger onder bevel van d'Alençon en La Hire vertrekt zij
weldra weer in de richting van Jargeau. Men zal deze stad, die verdedigd
wordt door den graaf van Suffolk, met een grootendeels uitgelezen
bezetting, moeten belegeren, dus stormladders, kanonnen en alles, wat
noodig is voor een geregeld beleg, wordt medegevoerd, o.m. la Bergère,
een groot kanon, dat reeds bij de beschieting van les Tourelles
uitstekende diensten had bewezen.
Zoodra de voorhoede der Franschen voor de stad is aangekomen, hebben
er enkele schermutselingen plaats, waarbij de belegeraars worden
afgeslagen. Dienzelfden dag wordt er krijgsraad gehouden. Men is het er
nog niet over eens, of men Jargeau wel zal durven aanvallen en vooral
niet sedert men heeft vernomen, dat Falstolf in aantocht is met een
ontzettingsleger van tienduizend man. Het is Jeanne weer, die hun moed
in moet spreken en den doorslag moet geven. Wat doet het ertoe, of de
Engelschen sterker en talrijker zijn, als Messire strijdt aan de zijde
der Franschen?
»Wanneer ik daar niet zeker van was«, verklaart zij, »zou ik liever
schapen hoeden, dan mij blootstellen aan zulke gevaren.«
Maar voor den aanvang van het eigenlijke beleg sommeert zij Suffolk nog
tot de overgave en biedt den Engelschen vrijen aftocht aan met
achterlating van al hunne wapenen en munitie.
Den 12en Juni begint reeds in de vroegte een geregeld artillerie-duel
en een algemeene stormloop. Met hare banier in de hand en aan de zijde
van d'Alençon, haren »gentil duc«, voert Jeanne hare troepen aan.
Plotseling, in het heetst van het gevecht, duwt zij d'Alençon met kracht
op zij:
»Ga gauw uit den weg«, roept ze hem nog toe, en wijzende op een groot
kanon op de muren van de stad vervolgt zij: »die machine daar zou U
dooden.« Degeen, die een oogenblik daarna d'Alençons plaats innam, kon
niet meer gewaarschuwd worden en werd werkelijk gedood door een
projectiel uit het bewuste kanon.
Evenals bij de bestorming van les Tourelles is Jeanne ook nu weer een
van de eersten, die een voet durft zetten op de ladders tegen den muur.
Maar zij wordt getroffen door een grooten steen, die de Engelschen naar
beneden wierpen, en valt terug. Goddank, zij is niet ernstig gewond en
springt weer overeind, roepende:
»Toe maar, vrienden, vooruit! Moed gehouden! De Engelschen zijn ons!«
Dan volgen allen haar weer, de muren worden beklommen, de vijand wijkt
en de stad is genomen. Bij de vervolging van de bezetting valt ook de
graaf van Suffolk in handen van de Franschen.
Dadelijk na de verovering van Jargeau trekt Jeanne met het leger terug
naar Orléans, waar ter eere van deze nieuwe overwinning een groote
processie wordt gehouden en men haar overlaadt met kostbare geschenken.
Van den Raad van de stad ontvangt zij een huik en een overkleed van
groene en karmozijnroode stof, en dus in de kleuren van den Hertog van
Orléans, die in Engeland gevangen zat.
Na de verovering van Jargeau, dat ten oosten van Orléans is gelegen,
wil Jeanne nu ook het westen gaan zuiveren en kondigt aan, dat zij de
Engelschen te Meung zal gaan bestoken. Den 15en Juni trekt het leger
er weer op uit. De versterkingen van de brug bij Meung worden zonder
veel moeite genomen. Men laat er eenig garnizoen achter en zonder zich
verder om de stad te bekommeren, zet het leger zijn opmarsch voort naar
Beaugency. De voorsteden van het stadje worden niet verdedigd en de
Franschen trekken er binnen, maar dan blijkt dat de vijand zich in de
huizen heeft verschanst en ontstaat een verwoed straatgevecht. Het
resultaat is evenwel dat de Engelschen worden verdreven en zich
terugtrekken in het kasteel.
Terwijl de Fransche troepen bezig zijn, het kasteel en de bastilles
van de brug te omsingelen, ontvangt d'Alençon het onaangename bericht,
dat de connétable Arthur van Bretagne, heer van Richemont, in aantocht
is, en verzoekt, zich met zijne troepen bij de belegeraars te mogen
aansluiten. Deze onverwachte verschijning brengt den jongen d'Alençon in
eene zeer netelige positie. De connétable was n.l. in ongenade bij den
koning en had zelfs de troepen van la Trémouille openlijk bestreden.
d'Alençon is dus aanvankelijk niet van plan, hem en zijne manschappen in
zijn kamp te ontvangen en dreigt zelfs, hem met wapengeweld te zullen
verjagen; maar hiervan houden gelukkig de anderen hem terug.
Jeanne evenwel denkt anders en practischer over de zaak. Zij weet,
dat de heer van Richemont bekend staat als een van de meest geduchte
veldheeren van het land. Doet men dan niet verstandiger, zijn hulp, die
men zoo opperbest gebruiken kan, dankbaar te aanvaarden? D'Alençon laat
zich ten slotte door de argumenten van Jeanne overreden en trekt den
connétable met haar tegemoet. Jeanne begroet hem, zooals een ridder in
die dagen zijn meerdere behoorde te begroeten, maar zegt daarna heel
kalm tot hem:
»Connétable, gij zijt hier niet gekomen om mij, maar nu gij hier eenmaal
zijt, heet ik U welkom«.
Waarop Richemont, die behalve als een uitstekend legeraanvoerder, bekend
stond als een trouw zoon van de kerk en een aartsketterjager, antwoordt:
»Jeanne, ik heb gehoord, dat gij mij hebt willen bevechten. Ik weet
niet, of gij door God gezonden zijt, of niet. Wanneer gij door God
gezonden zijt, vrees ik U niet, want God is mijn vreugde. Wanneer gij
door den duivel gezonden zijt, vrees ik U nog minder!«
Dien nacht houden de troepen van den connétable voor het belegerde
kasteel de wacht en den volgenden dag nemen zij deel aan de bestorming.
Met de kanonnen, die men uit Orléans heeft medegebracht, wordt den 17en
Juni de sterkte beschoten, zoowel van de landzijde als van de zijde van
de Loire, door geschut, dat men op platte vaartuigen heeft opgesteld!
Eindelijk, tegen den nacht, geeft de vesting zich over.
Talbot en Falstolf zijn onder weg met een ontzettingsleger van
vijfduizend man, maar zij komen te laat. De troepen van Jeanne en
d'Alençon krijgen hen, als zij terugkomen van Beaugency, in het gezicht.
De Engelschen stellen zich dadelijk in staat van verdediging en wel op
dezelfde wijze als op den dag van de »bataille des Harengs«, namelijk
achter een dichte haag van lansen en pieken en achter de wagens van hun
convooi. Maar de Franschen laten hen dien dag ongemoeid en wijzen het
aanbod af, om den strijd te doen beslissen door een gevecht van drie
ridders van elke partij. Zij kondigen evenwel aan, dat men elkaar den
volgenden dag nader zal spreken.
Den volgenden morgen merken de Franschen tot hun verbazing, dat de
vijand is verdwenen. Ver af kunnen ze evenwel niet zijn, en men besluit
dus, ze te gaan zoeken. Merkwaardig is wel, dat dien dag de voorhoede
van het Fransche leger en de hoofdtroep onder bevel staan van Poton, La
Hire, d'Alençon en Dunois, terwijl men Jeanne met Gilles de Rais in de
achterhoede heeft geplaatst. Dat men dit gedaan zou hebben uit angst,
dat Jeanne in een hinderlaag zou vallen, lijkt mij niet waarschijnlijk.
Had zij tot nu toe op alle tochten niet steeds de leiding genomen, en
had zij bij de bestormingen niet steeds vooraan gestreden, in het
voorste gelid en op het gevaarlijkste punt?
Het is in de vlakte bij Patay en door een bloot toeval dat de Fransche
éclaireurs, terwijl zij op een hert jagen, eensklaps stuiten op de
achterhoede van het Engelsche leger.
Zonder dralen gaat La Hire met zijn troepen oogenblikkelijk tot den
aanval over. Maar de eerste schok is dadelijk zoo hevig dat zij
eigenlijk beslissend is voor den geheelen slag. Voor nog Falstolf zich
met Talbot heeft kunnen vereenigen en eigenlijk nog voor de Fransche
achterhoede met Jeanne aan het gevecht kan deelnemen, hebben de
Franschen den slag gewonnen en is het grootste gedeelte van het
vijandelijke leger in de pan gehakt en gevangen genomen. Onder de
gevangenen was ook de dappere Talbot.
Van het geheele gevecht bij Patay woonde Jeanne slechts het eind van de
algemeene slachting bij, maar ook ditmaal was zij zeer geroerd bij dit
gruwelijke schouwspel en stortte zij tranen van medelij met al de
gesneuvelde dapperen. De terugkomst binnen de muren van Orléans na den
slag bij Patay is voor Jeanne weer een triumftocht. Zij mocht dan
persoonlijk aan dit laatste gevecht een minder werkzaam deel hebben
genomen, men schrijft het min of meer terecht aan haar optreden toe, dat
de krijgskansen plotseling gekeerd zijn, en de Franschen overal, waar
zij zich met haar vertoonen, de overwinning behalen.
Waarom was de koning niet in Orléans? De bewoners hadden op zijn komst
gerekend en zelfs de straten en huizen reeds met vlaggen en bloemen
versierd. Was het zijn plicht niet geweest, nu hij toch in de buurt was,
de stad te bezoeken, die zich zoo moedig verdedigd had?
Jeanne ontmoet haar »gentil dauphin« te St. Benoit sur Loire. Zij komt
natuurlijk met het doel om, nu het Engelsche leger verslagen en de
streek om Orléans gezuiverd is, den koning te bewegen, haar naar Reims
te volgen. Maar voor zij dit onderwerp aanroert, heeft zij nog een
anderen plicht te vervullen: zij smeekt Karel VII, dat hij den
connétable weer in genade zal ontvangen, maar dit verzoek wordt haar
geweigerd. De koning en zijn raadsman la Trémouille willen van die
verzoening niets weten.
Vervolgens vertrekt het hof naar Gien en aldaar wordt na veel wikken en
wegen tot den tocht naar Reims besloten.
Als men de houding van den koning in die jaren gadeslaat, maakt zich
soms een gevoel van wrevel van ons meester over zooveel aarzeling,
zooveel slapheid en zoo'n totaal gemis aan alles, wat zou zweemen naar
eenige vastheid van karakter, en, hoewel innig overtuigd dat het zijne
Raadslieden zijn, die er hem toe brengen, slaakt men een zucht van
verluchting, wanneer men hem een enkele maal een belangrijk besluit ziet
nemen.
Met een zucht van verluchting en een dankbaar gemoed verlaat ook
Jeanne den 27en Juni Gien, en de koning met zijn gevolg vertrekt twee
dagen later. Even voor haar vertrek uit Gien had Jeanne nog een brief
gedicteerd aan de bewoners van Tournai, die Karel VII als hunnen koning
erkend hadden. Zij deelt hun mede, dat zij de geheele Loire-streek van
Engelschen gezuiverd heeft, en dringt er op aan, dat zij zich vooral
door eene deputatie moeten laten vertegenwoordigen bij de
kroningsplechtigheid te Reims.
Zooals wij reeds opmerkten bevonden zich de voornaamste plaatsen,
waar Jeanne op weg naar Reims langs trekt, in handen van den hertog
van Bourgondië. Auxerre sluit dan ook zijne poorten, maar zendt
afgevaardigden om over een voorwaardelijke overgave te onderhandelen. La
Trémouille moet bij die gelegenheid door de afgevaardigden van Auxerre
zijn omgekocht voor tweeduizend kronen, waarna eene schikking tot stand
kwam, dat de stad het voorbijtrekkende leger van levensmiddelen zou
voorzien, maar verder neutraal zou blijven.
Het eenige ernstige oponthoud heeft plaats voor Troyes. De stad
verdedigt zich en wordt den 5en Juli tot overgave gesommeerd.
De Fransche leiders aarzelen. Zal men aanvallen of maar niet liever
terugkeeren, want met een vijandige stad in den rug durft men den tocht
niet voortzetten. De Rijkskanselier en Aartsbisschop van Reims
raadpleegt Jeanne en het zijn ook ditmaal weer haar invloed, hare
doortastendheid, die een belachelijke mislukking van de gansche
onderneming voorkomen.
Niet omkeeren, raadt zij natuurlijk aan, maar zich gereed maken voor de
bestorming van de stad en zij staat er voor in, dat Troyes zich binnen
twee dagen zal overgeven. Een belangrijken steun ondervindt Jeanne bij
deze gelegenheid van de zijde van broeder Richard. Deze gevaarlijke
drijver, die door zijn geestdriftige welsprekendheid een machtigen
invloed had op de bevolking van Troyes, ziet in Jeanne niet anders,
dan een afgevaardigde van den duivel. Men zendt hem met een groote
wijwaterkwast op haar af en hij komt geheel bekeerd en volkomen
overtuigd van de heiligheid van Jeanne in de stad terug. Op den verderen
tocht naar Reims volgt hij haar.
Na de overgave van Troyes op den 9en Juli kan het Fransche leger zijn
weg rustig vervolgen tot aan Reims toe. Evenals Châlons zendt de stad
van den Aartsbisschop den koning een deputatie tegemoet met de sleutels.
[Illustratie: Kathedraal van Reims
waarheen Karel VII door Jeanne d' Arc en haar zegevierend leger geleid
werd, om daar gekroond te worden.
De Kathedraal, die zich bij het uitbreken van den tegenwoordigen
wereldoorlog nog in den zelfden toestand bevond, heeft thans door
het bombardement van de stad zeer geleden.
(Naar een photographie)]
In den avond van den 16en Juli houdt de koning met zijn gevolg en zijn
leger zijn feestelijken intocht in Reims. 's Nachts worden in allerijl
de noodige toebereidselen gemaakt voor de groote plechtigheid van
den volgenden dag, en inderdaad schijnt men daarin bijzonder goed
geslaagd te zijn, want volgens de verklaring van ooggetuigen was het
een wonderschoon schouwspel en »even plechtig en tot in de kleinste
bijzonderheden voortreffelijk geregeld, alsof men daarvoor een jaar den
tijd had gehad«.
Tegen negen uur in den morgen van den 17en Juli begeeft de koning
zich met zijn gevolg naar de groote kathedraal. Onmiddellijk achter hem
loopt Jeanne met haar standaard en gevolgd door haar page en broeder
Richard. Het geheele kerkgebouw is gevuld met een dicht opeengepakte
menigte, die den koning bij het binnentreden geestdriftig toejuicht.
Voor het hoofdaltaar aangekomen, knielt hij neer en wordt eerst volgens
de oude voorschriften tot ridder geslagen door zijn neef d'Alençon.
Daarna treedt Regnault de Chartres, de Aartsbisschop, naar voren en
wordt Karel van Valois gezalfd met de geheimzinnige, heilige olie die
te Reims bewaard wordt en nooit vermindert, en vervolgens drukt de
Aartsbisschop, bijgestaan door twaalf pairs, den koning de kroon, die in
de schatkamer van de kathedraal aanwezig was, op het hoofd. Dan schallen
en schetteren de bazuinen en het volk jubelt: »Noël, Noël!«
Gedurende de gansche plechtigheid, die met alle ceremoniën toch nog
eenige uren geduurd heeft, staat Jeanne aan den voet van het altaar met
haar witten standaard in de hand. Maar als eindelijk de plechtigheid is
afgeloopen en de menigte in gejubel is losgebarsten, knielt zij voor den
koning neer en innig verrukt en dankbaar stamelt ze:
»Nu, koning, is Gods wensch vervuld, die wilde dat ik het beleg van
Orléans zou opheffen en U naar Reims zou geleiden voor Uwe plechtige
kroning, om daarmede te toonen dat gij zijt de ware koning en degeen,
aan wien het koninkrijk Frankrijk moet toebehooren.«
* * * * *
Ja, waarlijk, zoo is het. Als de plechtigheid van de kroning in de
kathedraal te Reims is afgeloopen, is daarmede de taak, die Jeanne zich
gesteld had, volbracht. Na het eerste wonder van hare gelofte is thans
ook het tweede: de vervulling dier belofte, geschied. Zij staat nog op
het hoogste punt van haar invloed en macht; maar haar geluksster zal
snel verbleeken en spoedig ondergaan.
Zou men niet verwachten en was het niet volkomen logisch geweest, dat
men na alle bewijzen, die Jeanne van haar helder doorzicht gegeven had,
steeds meer vertrouwen was gaan stellen in hare adviezen, en in de
door haar aangegeven politiek van flink doorzetten tot het einde toe?
Integendeel zullen wij zien, dat van dit oogenblik af de partij der
oppositie steeds meer in macht zal toenemen, dat men Jeanne, nu zij
gegeven heeft, wat zij geven kon, langzamerhand zal gaan verwaarloozen
en eindelijk geheel aan haar lot zal overlaten.
[Illustratie: Kroning van Karel VII te Reims, 1429.