HOOFDSTUK III.

Jargeau.--Patay.--Reims.--Parijs.

Het ligt geheel in de lijn van het voortvarend karakter van Jeanne,

dat zij na het behaalde succes in Orléans niet op haar lauweren gaat

rusten. Zij heeft nog slechts een deel van haar taak volbracht en wil

met alle kracht doorzetten. De Engelsche troepen zijn voor het oogenblik

gedemoraliseerd, maar men moet hun den tijd niet laten van de schrik

te bekomen en de geleden verliezen te herstellen. De Fransche troepen

daarentegen zijn met nieuwen moed bezield; de bevrijding van Orléans

heeft hun weer zelfvertrouwen gegeven, hun gevechtswaarde is zeker meer

dan verdubbeld. Maar van die gunstige stemming moet gebruik gemaakt

worden, men moet naar Reims, en vandaar naar Parijs, de Engelschen

moeten het land uit, voor zij den tijd gehad hebben, tot bezinning te

komen.

Aldus redeneert Jeanne en in dien zin spreekt zij ook tot den dauphin

dadelijk bij het eerste wederzien in Tours. Maar de koning en zijn Raad

denken er anders over. De oppositie van la Trémouille en de zijnen

tegen de politiek van Jeanne wordt steeds duidelijker en Karel VII is

geen persoon, waarvan men kan verwachten, dat hij openlijk in verzet

tegen zijn Raad zal komen. In de omgeving van den koning acht men het

oogenblik voor den opmarsch naar Reims nog niet gekomen. Men wil eerst

vanuit Orléans de verdere Loire-streek van vijanden zuiveren. Ook acht

men een tocht door het land tusschen Orléans en Reims niet zonder

gevaar, zoolang de voornaamste plaatsen, die men langs moet, als Troyes

en Châlons, zich in handen der Engelschen bevinden. Maar, hoewel zij

niet openlijk werd uitgesproken, zal de voornaamste reden van het verzet

tegen het plan van Jeanne wel geweest zijn, dat men het groote nut van

de kroning te Reims nog niet inzag, nog niet voldoende doordrongen was

van de noodzakelijkheid ervan, of het geniale van de vinding nog niet

wilde erkennen.

Eenige dagen na het ontzet van Orléans verlaten enkele leiders met hunne

troepen de stad, een ander gedeelte van de troepen wordt afgedankt

bij gebrek aan middelen om hen onder de wapens te houden. Ook Jeanne

vertrekt met Gilles de Rais. Een geestdriftige en innig dankbare menigte

doet haar uitgeleide tot de poort en velen zijn tot tranen toe geroerd

bij het afscheid. Als zij te Tours aankomt, is de koning er nog niet en

zij besluit dus, hem te gemoet te trekken.

Bij het eerste wederzien betoont Karel VII zich tegenover Jeanne

hartelijk en vriendelijk, maar zonder eenige geestdrift. Het is de

koning, die na een overwinning zijn zegevierenden veldheer ontvangt, die

zijn plicht gedaan heeft. Ook uit zijn brieven van die dagen spreekt nog

altijd groote voorzichtigheid en een zekere angst om zich te veel bloot

te geven, als hij den bewoners van de steden, die hem trouw bleven, op

het hart drukt, God te loven en de dappere daden in Orléans bedreven in

eere te houden en wel vooral die van Jeanne »die steeds en in persoon

bij dat alles tegenwoordig was«. Maar na zoo'n koude douche willen wij

ons weer even verwarmen aan het enthousiasme van d'Alençon en Dunois en

de eerste over Jeanne laten verklaren:

»Zij was zeer bekwaam in den oorlog, in het in slagorder brengen van de

troepen zoowel als in het opstellen van de kanonnen. Allen bewonderden

hare voorzichtigheid en haar zorg voor alles, alsof zij een kapitein was

met dertig jaar ondervinding.«

en de tweede:

»Zij ontwikkelde een bewonderenswaardige geestkracht en deed meer werk

dan twee of drie van de beroemdste veldheeren met de meeste

ondervinding.«

* * * * *

Tien dagen blijft Jeanne met het hof te Tours, daarna volgt zij den

koning naar Loches. Maar zij is verre van tevreden over dit talmen; het

is verloren tijd; zij wil naar Reims. Helaas, men luistert niet naar

haar goeden raad, zelfs niet als zij waarschuwt:

»Ik zal slechts een jaar duren en niet veel langer.«

Bij een van hare bezoeken bij den dauphin om hem te smeeken, toch niet

langer te dralen en vooral »niet zoo dikwijls en zoolang te vergaderen«,

maar haar te volgen naar Reims, ontmoet zij den heer van Harcourt, die,

als de koning geen antwoord geeft op het verzoek van Jeanne, gebruik

maakt van de gelegenheid, om haar weer te ondervragen over hare stemmen

en den raad van hare Heiligen. Maar Jeanne laat ook nu niet veel meer

los, dan hetgeen men reeds weet; alleen legt zij er bij deze gelegenheid

den nadruk op, dat zij er dikwijls veel verdriet van heeft, dat men

haar niet gelooven wil en hare stemmen haar in die oogenblikken van

neerslachtigheid troosten met de woorden: »Ga, dochter van God, ga!«

* * * * *

Den 6en Juni bevindt Jeanne zich met den koning te St. Aignan waar zij

o. a. een heraut ontvangt, haar als opperbevelhebber van de Fransche

troepen gezonden door de bewoners van Orléans, om haar op de hoogte te

brengen van de bewegingen van den vijand.

Het plan, om van uit Orléans als operatie-basis, de geheele streek om

de stad van Engelschen te zuiveren wordt doorgezet. Jeanne, verheugd

dat zij tenminste niet langer met de armen over elkaar behoeft te

zitten, komt in den avond van den 9en Juni te Orléans aan, waar zich

de andere leiders met hunne troepen reeds verzameld hebben. Met een

vrij aanzienlijk leger onder bevel van d'Alençon en La Hire vertrekt zij

weldra weer in de richting van Jargeau. Men zal deze stad, die verdedigd

wordt door den graaf van Suffolk, met een grootendeels uitgelezen

bezetting, moeten belegeren, dus stormladders, kanonnen en alles, wat

noodig is voor een geregeld beleg, wordt medegevoerd, o.m. la Bergère,

een groot kanon, dat reeds bij de beschieting van les Tourelles

uitstekende diensten had bewezen.

Zoodra de voorhoede der Franschen voor de stad is aangekomen, hebben

er enkele schermutselingen plaats, waarbij de belegeraars worden

afgeslagen. Dienzelfden dag wordt er krijgsraad gehouden. Men is het er

nog niet over eens, of men Jargeau wel zal durven aanvallen en vooral

niet sedert men heeft vernomen, dat Falstolf in aantocht is met een

ontzettingsleger van tienduizend man. Het is Jeanne weer, die hun moed

in moet spreken en den doorslag moet geven. Wat doet het ertoe, of de

Engelschen sterker en talrijker zijn, als Messire strijdt aan de zijde

der Franschen?

»Wanneer ik daar niet zeker van was«, verklaart zij, »zou ik liever

schapen hoeden, dan mij blootstellen aan zulke gevaren.«

Maar voor den aanvang van het eigenlijke beleg sommeert zij Suffolk nog

tot de overgave en biedt den Engelschen vrijen aftocht aan met

achterlating van al hunne wapenen en munitie.

Den 12en Juni begint reeds in de vroegte een geregeld artillerie-duel

en een algemeene stormloop. Met hare banier in de hand en aan de zijde

van d'Alençon, haren »gentil duc«, voert Jeanne hare troepen aan.

Plotseling, in het heetst van het gevecht, duwt zij d'Alençon met kracht

op zij:

»Ga gauw uit den weg«, roept ze hem nog toe, en wijzende op een groot

kanon op de muren van de stad vervolgt zij: »die machine daar zou U

dooden.« Degeen, die een oogenblik daarna d'Alençons plaats innam, kon

niet meer gewaarschuwd worden en werd werkelijk gedood door een

projectiel uit het bewuste kanon.

Evenals bij de bestorming van les Tourelles is Jeanne ook nu weer een

van de eersten, die een voet durft zetten op de ladders tegen den muur.

Maar zij wordt getroffen door een grooten steen, die de Engelschen naar

beneden wierpen, en valt terug. Goddank, zij is niet ernstig gewond en

springt weer overeind, roepende:

»Toe maar, vrienden, vooruit! Moed gehouden! De Engelschen zijn ons!«

Dan volgen allen haar weer, de muren worden beklommen, de vijand wijkt

en de stad is genomen. Bij de vervolging van de bezetting valt ook de

graaf van Suffolk in handen van de Franschen.

Dadelijk na de verovering van Jargeau trekt Jeanne met het leger terug

naar Orléans, waar ter eere van deze nieuwe overwinning een groote

processie wordt gehouden en men haar overlaadt met kostbare geschenken.

Van den Raad van de stad ontvangt zij een huik en een overkleed van

groene en karmozijnroode stof, en dus in de kleuren van den Hertog van

Orléans, die in Engeland gevangen zat.

Na de verovering van Jargeau, dat ten oosten van Orléans is gelegen,

wil Jeanne nu ook het westen gaan zuiveren en kondigt aan, dat zij de

Engelschen te Meung zal gaan bestoken. Den 15en Juni trekt het leger

er weer op uit. De versterkingen van de brug bij Meung worden zonder

veel moeite genomen. Men laat er eenig garnizoen achter en zonder zich

verder om de stad te bekommeren, zet het leger zijn opmarsch voort naar

Beaugency. De voorsteden van het stadje worden niet verdedigd en de

Franschen trekken er binnen, maar dan blijkt dat de vijand zich in de

huizen heeft verschanst en ontstaat een verwoed straatgevecht. Het

resultaat is evenwel dat de Engelschen worden verdreven en zich

terugtrekken in het kasteel.

Terwijl de Fransche troepen bezig zijn, het kasteel en de bastilles

van de brug te omsingelen, ontvangt d'Alençon het onaangename bericht,

dat de connétable Arthur van Bretagne, heer van Richemont, in aantocht

is, en verzoekt, zich met zijne troepen bij de belegeraars te mogen

aansluiten. Deze onverwachte verschijning brengt den jongen d'Alençon in

eene zeer netelige positie. De connétable was n.l. in ongenade bij den

koning en had zelfs de troepen van la Trémouille openlijk bestreden.

d'Alençon is dus aanvankelijk niet van plan, hem en zijne manschappen in

zijn kamp te ontvangen en dreigt zelfs, hem met wapengeweld te zullen

verjagen; maar hiervan houden gelukkig de anderen hem terug.

Jeanne evenwel denkt anders en practischer over de zaak. Zij weet,

dat de heer van Richemont bekend staat als een van de meest geduchte

veldheeren van het land. Doet men dan niet verstandiger, zijn hulp, die

men zoo opperbest gebruiken kan, dankbaar te aanvaarden? D'Alençon laat

zich ten slotte door de argumenten van Jeanne overreden en trekt den

connétable met haar tegemoet. Jeanne begroet hem, zooals een ridder in

die dagen zijn meerdere behoorde te begroeten, maar zegt daarna heel

kalm tot hem:

»Connétable, gij zijt hier niet gekomen om mij, maar nu gij hier eenmaal

zijt, heet ik U welkom«.

Waarop Richemont, die behalve als een uitstekend legeraanvoerder, bekend

stond als een trouw zoon van de kerk en een aartsketterjager, antwoordt:

»Jeanne, ik heb gehoord, dat gij mij hebt willen bevechten. Ik weet

niet, of gij door God gezonden zijt, of niet. Wanneer gij door God

gezonden zijt, vrees ik U niet, want God is mijn vreugde. Wanneer gij

door den duivel gezonden zijt, vrees ik U nog minder!«

Dien nacht houden de troepen van den connétable voor het belegerde

kasteel de wacht en den volgenden dag nemen zij deel aan de bestorming.

Met de kanonnen, die men uit Orléans heeft medegebracht, wordt den 17en

Juni de sterkte beschoten, zoowel van de landzijde als van de zijde van

de Loire, door geschut, dat men op platte vaartuigen heeft opgesteld!

Eindelijk, tegen den nacht, geeft de vesting zich over.

Talbot en Falstolf zijn onder weg met een ontzettingsleger van

vijfduizend man, maar zij komen te laat. De troepen van Jeanne en

d'Alençon krijgen hen, als zij terugkomen van Beaugency, in het gezicht.

De Engelschen stellen zich dadelijk in staat van verdediging en wel op

dezelfde wijze als op den dag van de »bataille des Harengs«, namelijk

achter een dichte haag van lansen en pieken en achter de wagens van hun

convooi. Maar de Franschen laten hen dien dag ongemoeid en wijzen het

aanbod af, om den strijd te doen beslissen door een gevecht van drie

ridders van elke partij. Zij kondigen evenwel aan, dat men elkaar den

volgenden dag nader zal spreken.

Den volgenden morgen merken de Franschen tot hun verbazing, dat de

vijand is verdwenen. Ver af kunnen ze evenwel niet zijn, en men besluit

dus, ze te gaan zoeken. Merkwaardig is wel, dat dien dag de voorhoede

van het Fransche leger en de hoofdtroep onder bevel staan van Poton, La

Hire, d'Alençon en Dunois, terwijl men Jeanne met Gilles de Rais in de

achterhoede heeft geplaatst. Dat men dit gedaan zou hebben uit angst,

dat Jeanne in een hinderlaag zou vallen, lijkt mij niet waarschijnlijk.

Had zij tot nu toe op alle tochten niet steeds de leiding genomen, en

had zij bij de bestormingen niet steeds vooraan gestreden, in het

voorste gelid en op het gevaarlijkste punt?

Het is in de vlakte bij Patay en door een bloot toeval dat de Fransche

éclaireurs, terwijl zij op een hert jagen, eensklaps stuiten op de

achterhoede van het Engelsche leger.

Zonder dralen gaat La Hire met zijn troepen oogenblikkelijk tot den

aanval over. Maar de eerste schok is dadelijk zoo hevig dat zij

eigenlijk beslissend is voor den geheelen slag. Voor nog Falstolf zich

met Talbot heeft kunnen vereenigen en eigenlijk nog voor de Fransche

achterhoede met Jeanne aan het gevecht kan deelnemen, hebben de

Franschen den slag gewonnen en is het grootste gedeelte van het

vijandelijke leger in de pan gehakt en gevangen genomen. Onder de

gevangenen was ook de dappere Talbot.

Van het geheele gevecht bij Patay woonde Jeanne slechts het eind van de

algemeene slachting bij, maar ook ditmaal was zij zeer geroerd bij dit

gruwelijke schouwspel en stortte zij tranen van medelij met al de

gesneuvelde dapperen. De terugkomst binnen de muren van Orléans na den

slag bij Patay is voor Jeanne weer een triumftocht. Zij mocht dan

persoonlijk aan dit laatste gevecht een minder werkzaam deel hebben

genomen, men schrijft het min of meer terecht aan haar optreden toe, dat

de krijgskansen plotseling gekeerd zijn, en de Franschen overal, waar

zij zich met haar vertoonen, de overwinning behalen.

Waarom was de koning niet in Orléans? De bewoners hadden op zijn komst

gerekend en zelfs de straten en huizen reeds met vlaggen en bloemen

versierd. Was het zijn plicht niet geweest, nu hij toch in de buurt was,

de stad te bezoeken, die zich zoo moedig verdedigd had?

Jeanne ontmoet haar »gentil dauphin« te St. Benoit sur Loire. Zij komt

natuurlijk met het doel om, nu het Engelsche leger verslagen en de

streek om Orléans gezuiverd is, den koning te bewegen, haar naar Reims

te volgen. Maar voor zij dit onderwerp aanroert, heeft zij nog een

anderen plicht te vervullen: zij smeekt Karel VII, dat hij den

connétable weer in genade zal ontvangen, maar dit verzoek wordt haar

geweigerd. De koning en zijn raadsman la Trémouille willen van die

verzoening niets weten.

Vervolgens vertrekt het hof naar Gien en aldaar wordt na veel wikken en

wegen tot den tocht naar Reims besloten.

Als men de houding van den koning in die jaren gadeslaat, maakt zich

soms een gevoel van wrevel van ons meester over zooveel aarzeling,

zooveel slapheid en zoo'n totaal gemis aan alles, wat zou zweemen naar

eenige vastheid van karakter, en, hoewel innig overtuigd dat het zijne

Raadslieden zijn, die er hem toe brengen, slaakt men een zucht van

verluchting, wanneer men hem een enkele maal een belangrijk besluit ziet

nemen.

Met een zucht van verluchting en een dankbaar gemoed verlaat ook

Jeanne den 27en Juni Gien, en de koning met zijn gevolg vertrekt twee

dagen later. Even voor haar vertrek uit Gien had Jeanne nog een brief

gedicteerd aan de bewoners van Tournai, die Karel VII als hunnen koning

erkend hadden. Zij deelt hun mede, dat zij de geheele Loire-streek van

Engelschen gezuiverd heeft, en dringt er op aan, dat zij zich vooral

door eene deputatie moeten laten vertegenwoordigen bij de

kroningsplechtigheid te Reims.

Zooals wij reeds opmerkten bevonden zich de voornaamste plaatsen,

waar Jeanne op weg naar Reims langs trekt, in handen van den hertog

van Bourgondië. Auxerre sluit dan ook zijne poorten, maar zendt

afgevaardigden om over een voorwaardelijke overgave te onderhandelen. La

Trémouille moet bij die gelegenheid door de afgevaardigden van Auxerre

zijn omgekocht voor tweeduizend kronen, waarna eene schikking tot stand

kwam, dat de stad het voorbijtrekkende leger van levensmiddelen zou

voorzien, maar verder neutraal zou blijven.

Het eenige ernstige oponthoud heeft plaats voor Troyes. De stad

verdedigt zich en wordt den 5en Juli tot overgave gesommeerd.

De Fransche leiders aarzelen. Zal men aanvallen of maar niet liever

terugkeeren, want met een vijandige stad in den rug durft men den tocht

niet voortzetten. De Rijkskanselier en Aartsbisschop van Reims

raadpleegt Jeanne en het zijn ook ditmaal weer haar invloed, hare

doortastendheid, die een belachelijke mislukking van de gansche

onderneming voorkomen.

Niet omkeeren, raadt zij natuurlijk aan, maar zich gereed maken voor de

bestorming van de stad en zij staat er voor in, dat Troyes zich binnen

twee dagen zal overgeven. Een belangrijken steun ondervindt Jeanne bij

deze gelegenheid van de zijde van broeder Richard. Deze gevaarlijke

drijver, die door zijn geestdriftige welsprekendheid een machtigen

invloed had op de bevolking van Troyes, ziet in Jeanne niet anders,

dan een afgevaardigde van den duivel. Men zendt hem met een groote

wijwaterkwast op haar af en hij komt geheel bekeerd en volkomen

overtuigd van de heiligheid van Jeanne in de stad terug. Op den verderen

tocht naar Reims volgt hij haar.

Na de overgave van Troyes op den 9en Juli kan het Fransche leger zijn

weg rustig vervolgen tot aan Reims toe. Evenals Châlons zendt de stad

van den Aartsbisschop den koning een deputatie tegemoet met de sleutels.

[Illustratie: Kathedraal van Reims

waarheen Karel VII door Jeanne d' Arc en haar zegevierend leger geleid

werd, om daar gekroond te worden.

De Kathedraal, die zich bij het uitbreken van den tegenwoordigen

wereldoorlog nog in den zelfden toestand bevond, heeft thans door

het bombardement van de stad zeer geleden.

(Naar een photographie)]

In den avond van den 16en Juli houdt de koning met zijn gevolg en zijn

leger zijn feestelijken intocht in Reims. 's Nachts worden in allerijl

de noodige toebereidselen gemaakt voor de groote plechtigheid van

den volgenden dag, en inderdaad schijnt men daarin bijzonder goed

geslaagd te zijn, want volgens de verklaring van ooggetuigen was het

een wonderschoon schouwspel en »even plechtig en tot in de kleinste

bijzonderheden voortreffelijk geregeld, alsof men daarvoor een jaar den

tijd had gehad«.

Tegen negen uur in den morgen van den 17en Juli begeeft de koning

zich met zijn gevolg naar de groote kathedraal. Onmiddellijk achter hem

loopt Jeanne met haar standaard en gevolgd door haar page en broeder

Richard. Het geheele kerkgebouw is gevuld met een dicht opeengepakte

menigte, die den koning bij het binnentreden geestdriftig toejuicht.

Voor het hoofdaltaar aangekomen, knielt hij neer en wordt eerst volgens

de oude voorschriften tot ridder geslagen door zijn neef d'Alençon.

Daarna treedt Regnault de Chartres, de Aartsbisschop, naar voren en

wordt Karel van Valois gezalfd met de geheimzinnige, heilige olie die

te Reims bewaard wordt en nooit vermindert, en vervolgens drukt de

Aartsbisschop, bijgestaan door twaalf pairs, den koning de kroon, die in

de schatkamer van de kathedraal aanwezig was, op het hoofd. Dan schallen

en schetteren de bazuinen en het volk jubelt: »Noël, Noël!«

Gedurende de gansche plechtigheid, die met alle ceremoniën toch nog

eenige uren geduurd heeft, staat Jeanne aan den voet van het altaar met

haar witten standaard in de hand. Maar als eindelijk de plechtigheid is

afgeloopen en de menigte in gejubel is losgebarsten, knielt zij voor den

koning neer en innig verrukt en dankbaar stamelt ze:

»Nu, koning, is Gods wensch vervuld, die wilde dat ik het beleg van

Orléans zou opheffen en U naar Reims zou geleiden voor Uwe plechtige

kroning, om daarmede te toonen dat gij zijt de ware koning en degeen,

aan wien het koninkrijk Frankrijk moet toebehooren.«

* * * * *

Ja, waarlijk, zoo is het. Als de plechtigheid van de kroning in de

kathedraal te Reims is afgeloopen, is daarmede de taak, die Jeanne zich

gesteld had, volbracht. Na het eerste wonder van hare gelofte is thans

ook het tweede: de vervulling dier belofte, geschied. Zij staat nog op

het hoogste punt van haar invloed en macht; maar haar geluksster zal

snel verbleeken en spoedig ondergaan.

Zou men niet verwachten en was het niet volkomen logisch geweest, dat

men na alle bewijzen, die Jeanne van haar helder doorzicht gegeven had,

steeds meer vertrouwen was gaan stellen in hare adviezen, en in de

door haar aangegeven politiek van flink doorzetten tot het einde toe?

Integendeel zullen wij zien, dat van dit oogenblik af de partij der

oppositie steeds meer in macht zal toenemen, dat men Jeanne, nu zij

gegeven heeft, wat zij geven kon, langzamerhand zal gaan verwaarloozen

en eindelijk geheel aan haar lot zal overlaten.

[Illustratie: Kroning van Karel VII te Reims, 1429.

Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans · 第 28 / 66 题