Naar een muurschildering van Lenepveu in het Panthéon.]

Als de Franschen onder Gilles de Rais Jeanne zien naderen, juichen zij

haar toe. Haar tegenwoordigheid geeft hun nieuwen moed en zal hun geluk

aanbrengen. Als een goed veldheer begint Jeanne met hare troepen te

verzamelen; ze waren te veel verspreid en ieder vocht op zijn eigen

gelegenheid. Met haar banier in de hand, bevindt zij zich weldra vooraan

bij de gracht, waar het pijlen en projectielen regent. Men verzamelt

zich om haar heen, een forsche, algemeene aanval volgt en de Bastille

wordt genomen. Als Talbot met zijn troepen te hulp snelt, ziet hij op

een afstand nog slechts den rook van de brandende Bastille.

De geheele bezetting was gedood of gevangen genomen. Het zien van

zoovele dooden, die gestorven zijn zonder toediening van de sacramenten

der stervenden, maakt Jeanne diep bedroefd. Onder de gevangene

Godons vindt zij enkele krijgslieden, die zich gekleed hebben in

priestergewaden uit de naburige sakristie. Zij wil niet, dat hun eenig

leed zal geschieden: »Men moet dezen geestelijken niets vragen,« zegt

zij spottend.

Dien avond, terwijl haar soldaten de overblijfselen van de Bastille

verder verwoesten, gaat Jeanne te biecht bij Pasquerel en deelt haar

biechtvader mede dat zij den volgenden dag ter eere van den

Hemelvaartsdag niet zal vechten.

Op dien dag wordt er binnen Orléans krijgsraad gehouden. Men besluit tot

een schijnaanval op het kamp van Saint-Laurent, ten einde de Engelsche

troepen daarheen te lokken; intusschen wil men dan een poging wagen,

zich meester te maken van het fort les Tourelles op de groote steenen

brug over de Loire. Na eenig over en weer praten acht de meerderheid

het raadzaam, Jeanne althans met dat deel van de plannen in kennis te

stellen, dat meer in het bijzonder de burgerwacht van Orléans betreft.

Maar Jeanne laat zich niet misleiden, zij voelt dat men haar iets

verbergt en dat maakt haar boos.

»Zeg mij wat gij besloten en beschikt hebt. Ik kan wel een belangrijker

geheim bewaren«, valt zij uit.

Dunois kalmeert haar door de waarheid te vertellen.

Dienzelfden dag nog schrijft Jeanne een nieuwen brief aan de

belegeraars, waarin zij ze nogmaals sommeert, het beleg op te breken. Ze

zegt zelf: »Dit is voor de derde en laatste maal, dat ik U schrijf; nu

schrijf ik U niet meer.«

Dit zou dus pleiten voor de lezing, dat de brief, gedicteerd in

Poitiers, en die van den 30en April niet dezelfde waren.

Zij begeeft zich zelf met haar schrijven naar de brug. Door luid te

roepen kan zij zich daar verstaanbaar maken voor de bezetting van het

fort les Tourelles. Zij toont den Godons het perkament en roept hun toe:

»Leest dit! Het is nieuws!«

Dan hecht zij haar brief aan een pijl en laat dien in het vijandige kamp

schieten. De Engelschen bespotten en hoonen haar, schelden haar uit.

»Er is nieuws van de h... van de Armagnacs«, roepen zij uit.

Als Jeanne dit hoort, is zij diep bedroefd en barst in tranen uit. Maar

hare stemmen troosten haar en spreken haar moed in.

De beide volgende dagen zullen dagen zijn van belangrijke en

beslissende krijgsbedrijven. Men is bij het krieken van den morgen reeds

in de weer, maar voor de troepen zich in beweging zetten, wordt op

voorschrift van Jeanne door Pasquerel voor het front de mis gelezen, en

wordt de zegen des hemels afgebeden voor hun onderneming. Daarna verlaat

men de stad door de Bourgondische poort en steekt Jeanne met hare

troepen de Loire over. Het eerste belangrijke punt, waarop zij stuiten

is de Bastille de Saint Jean le Blanc.

Volgens sommigen was deze op dat oogenblik verlaten en behoefden de

troepen uit Orléans haar slechts in het voorbijgaan te verbranden en te

verwoesten. Volgens anderen daarentegen was zij sterk bezet, maar

bezweek zij na een algemeenen aanval, waarbij Jeanne met haar banier

vooraan reed en de haren aanmoedigde door ze toe te roepen:

»Bij God, houdt moed, vooruit, vooruit!«

De soldaten meenden, dat zij na de verwoesting van de Bastille van St.

Jean weer binnen Orléans zouden terugkeeren. Maar daar wil Jeanne niets

van weten, ze wil vooruit: de dag is nog lang. Men trekt dus verder naar

de Bastille van de Augustijners.

Wij weten in elk geval zeker, dat deze laatste Bastille, die achter het

fort les Tourelles en in het verlengde van de brug gelegen was, door de

Engelschen hardnekkig verdedigd werd. Het was voor hen een belangrijk

punt. De eerste aanval van de Franschen wordt zelfs afgeslagen en ze

trekken terug. Maar er komen versterkingen uit de stad. Dunois steekt de

rivier over met Gilles de Rais. Ze brengen kanonnen mede en alles, wat

er noodig is voor een krachtigen aanval. Het geschut maakt een bres in

de buitenste palissade en dan volgt de algemeene stormloop. Jeanne is in

het voorste gelid met Gilles de Rais. Zij moedigt de soldaten aan door

haar voorbeeld.

»Vooruit maar«, roept zij steeds, »moed gehouden, trekt maar binnen.«

Tegen zoo'n aanval zijn de verdedigers niet bestand, zij wijken en

de Bastille wordt genomen. De Godons worden bijna allen gedood of

gevangen genomen. Slechts enkelen van hen kunnen nog tijdig het fort

les Tourelles bereiken. Na de Bastille wordt nog het naburige, door de

Engelschen bezette, Augustijner klooster aangevallen en veroverd, waarna

de gebouwen en de Bastille door de Franschen worden verbrand en

verwoest.

Het plan is nu, den volgenden dag een aanval te wagen op les Tourelles.

Men vreest, dat dit niet zoo gemakkelijk zal gaan.

»Daar zullen wij wel een maand voor noodig hebben, om die te veroveren«,

mompelen de soldaten.

In elk geval zal het er warmpjes toegaan en zal er hard gevochten moeten

worden.

Ook Jeanne voorziet een zwaren dag. In Orléans teruggekeerd, zegt zij

tot de burgers: »Staat morgen nog vroeger op dan vandaag en doet goed uw

best«.

Aan Pasquerel verzoekt zij, haar den volgenden dag niet te verlaten,

want zij voorspelt: »Ik zal morgen veel harder moeten werken dan ik tot

nu toe gedaan heb en morgen zal er bloed vloeien uit mijn lichaam«.

Ook tegenover anderen moet zij dien avond voorspeld hebben, dat zij

gedurende de bestorming van les Tourelles gewond zou worden boven haar

borst.

* * * * *

De zevende Mei is dus de groote dag van de verovering van les Tourelles,

de beslissende dag voor de bevrijding van Orléans en het ontzet van

Orléans zal in zijn gevolgen blijken te zijn een gewichtig keerpunt

in den ganschen oorlog. Het is wel merkwaardig, dat het Engelsche

geschiedschrijvers zijn, die het verst gaan in hunne bewondering voor

dit wapenfeit der Franschen, en de verovering van les Tourelles

rangschikken onder »de vijftien beslissende slagen« van de wereld. En

allen, zelfs de meest sceptische schrijvers, zijn het hierover wel eens,

dat het leeuwenaandeel van de eer voor deze belangrijke overwinning

toekomt aan Jeanne, aan het zeventienjarig meisje, dat, hoewel zelf

vrij ernstig gewond, hare troepen tot het einde toe bleef aanvoeren en

bezielen, en dat, door op het goede oogenblik, de eenige noodige daad te

verrichten en het juiste woord te spreken, hare manschappen

onoverwinnelijk maakte.

Een onverklaarbaar punt in de geschiedenis van dezen dag is de houding

van de Engelsche troepen, die buiten les Tourelles om Orléans gelegerd

waren. Wanneer Talbot, wien het waarlijk niet aan moed ontbrak, met

zijne troepen de belegerden in het fort tijdig te hulp was gesneld,

wanneer hij gedurende de bestorming van les Tourelles een krachtigen

aanval gewaagd had op de stad, waarin zich uit den aard der zaak slechts

een veel kleinere bezetting bevond, wanneer hij of het garnizoen van les

Tourelles in den nacht van den 6en op den 7en Mei de uitgeputte Fransche

troepen overvallen was, die zonder Jeanne en de andere bevelhebbers

kampeerden op de puinhoopen van het Augustijnerklooster, dan zouden

de zaken voor de belegeraars hoogst waarschijnlijk een gansch anderen

loop genomen hebben. Wat de verdediging van de bezetting van het fort

zelf betreft, zij is zeker dapper en hardnekkig geweest, maar de

tegenwoordigheid en het optreden van de »tooverheks«, de »koehoedster

der Armagnacs«, zooals zij Jeanne noemden, en vooral haar weder

verschijnen na de verwonding, maakte de Engelsche soldaten ten slotte

zenuwachtig en bang en deze omstandigheid heeft zeker niet weinig

bijgedragen tot het welslagen van de geheele onderneming.

Jeanne is bij het aanbreken van den dag al uit de veeren en gewapend;

als gewoonlijk gaat zij voor alles bij Pasquerel te biecht en hoort de

Mis.

Men brengt haar een geschenk, een mooie visch, dan zegt zij schertsend:

»Bewaar die voor van avond, voor het avondeten, dan breng ik een Godon

mee, die er ook zijn deel van zal hebben. Ik kom terug over de Brug.«

Die laatste voorspelling maakt op alle omstanders een diepen indruk. Het

geeft hun moed en bezielt hen weer met nieuwe geestdrift.

Als zij daarna weer te paard gestegen is, roept zij nog kinderlijk

vertrouwelijk:

»Wie mij lief heeft, volge mij!«

Er zijn er velen die haar volgen, hoewel enkele van de leiders nog

willen wachten en de troepen laten rusten. Met haar vertrekken Dunois,

Gaucourt, la Hire en Poton de Xaintrailles en nog een deel van de

burgerwacht ter versterking van de troepen, die zich reeds op de

bouwvallen van de voorstad de Portereau bevinden. Het achterblijvende

deel van de bezetting zal den ganschen dag zich bezighouden met de

voorbereiding van een aanval op les Tourelles van de zijde van de stad,

en dus met de vervaardiging van een hulpbrug.

Zoodra de Franschen allen bijeen zijn, worden de troepen in slagorde

gebracht en wordt het signaal gegeven voor een eersten aanval op de

bolwerken, die nog op den oever van de Loire zijn gelegen en door een

houten ophaalbrug gescheiden zijn van het eigenlijke fort. De muren

van den boulevard zijn stevig en hoog en worden dapper verdedigd

door zeshonderd man onder bevel van Moleyns, Poynings en Glasdale. De

eerste aanvallen worden afgeslagen. Het lukt den aanvallers niet, de

stormladders tegen de muren te plaatsen onder den regen van Engelsche

projectielen.

Jeanne is ook nu weer vooraan; zij geeft het voorbeeld en roept haar

manschappen steeds toe, dat zij moed moeten houden en voorwaarts

trekken. Zoodra men er in geslaagd is, een stormladder tegen den muur

te plaatsen, snelt zij er heen, zij is de eerste, die naar boven wil

klauteren. Maar dan op eens valt ze neer: een pijl is doorgedrongen

onder de schouderplaat van haar harnas. Zij is vrij ernstig gewond boven

de rechterborst.

De Franschen snellen toe en brengen haar buiten het gewoel. De trouwe

Pasquerel en haar page Mugot zijn aan haar zijde. Voorzichtig wordt

de gewonde plek bloot gelegd. Van alle kanten komen er natuurlijk

gedienstigen en ieder met een anderen raad en een andere remedie. Men

dringt er vooral op aan, dat zij zich zal laten bezweren, maar daar wil

Jeanne niet van hooren:

»Liever dood«, antwoordt zij daarop, »dan dat ik iets zou doen, waarvan

ik weet, dat het zonde en tegen den wil van God is.«

Men bestrijkt den gewonden schouder met olijfolie en legt op de wonde

zelf een plakje spek. Daarna stort Jeanne nogmaals haar hart uit voor

haar biechtvader en bidt. Hare Heiligen verschijnen haar en dit geeft

haar nieuwe kracht en moed. Met alle energie, die in haar is, staat zij

op en zoekt geheel gewapend haar plaats op in het voorste gelid.

De Engelschen, die haar hadden zien vallen, en bloed hadden zien vloeien

uit haar wond, hadden luide gejuicht. Nu was het uit met de macht van de

tooverheks, want zoo geloofde men destijds algemeen: een heks verloor

met haar bloed of een deel daarvan ook haar macht en haar invloed.

En ziet, daar op eenmaal nadert zij weer met vasten tred en

onverschrokken. Daar is zij weer, die slanke gestalte in het blanke

harnas en haar soldaten sluiten zich weer bij haar aan en volgen haar

banier. De Engelschen staan verstomd, en een onbestemd gevoel van angst

bekruipt hen.

De Franschen hebben intusschen tijdens de afwezigheid van Jeanne met hun

aanval geen groote vorderingen gemaakt. Reeds loopt het tegen den avond

en Dunois wil het signaal voor den aftocht laten geven. Maar Jeanne

houdt hem hiervan terug; nog een weinig geduld en, bij God, zij zullen

weldra het fort kunnen binnen trekken, verzekert zij.

»Twijfel niet, de plaats is ons,« roept zij haren getrouwen toe.

Vervolgens vertrouwt zij haar banier een oogenblik toe aan de zorgen

van een Baskisch soldaat en zondert zich een korten tijd af in een

naburigen wijngaard om hare stemmen te raadplegen en zich te verdiepen

in een rustig gebed. Gesterkt door dit gebed en aangemoedigd door hare

Heiligen, komt zij terug. In het schemerduister ontdekt zij haren

standaard aan den voet van den boulevard. Een oogenblik gelooft zij aan

onraad en roept: »Mijn standaard, mijn standaard«, maar dan bemerkt zij

dat hij nog in handen is van den Baskiër. Omringd van haar troepen met

hun leiders, volgt Jeanne aandachtig de bewegingen van d'Aulon, haar

schildknaap, die, vergezeld van den Baskiër en onder beschutting van een

schild, wil trachten met den standaard van Jeanne als verzamelteeken den

voet van het vijandige bolwerk te bereiken.

»Ziet goed toe,« roept Jeanne, »wanneer de stok van mijn standaard den

muur zal aanraken«. Na eenige oogenblikken van spanning schreeuwt men

haar toe van alle kanten: »Jeanne, de stok van den standaard raakt den

muur!« Dan roept zij plotseling in geestdrift uit: »Welnu, trekt dan

binnen, de vesting is ons!«

Dit was het tooverwoord waarop men wachtte. Nauwelijks is het

uitgesproken, of de Franschen stormen als één man naar het vijandige

bolwerk, de ladders worden beklommen onder een regen van projectielen,

maar er is nu niets meer, dat de aanvallers kan tegenhouden; ze zien

geen gevaar. Op de muren ontstaat een verwoede strijd van man tegen man

en zwaar dreunen de slagen der zwaarden op de schilden en kurassen. De

Franschen winnen veld: ze springen van de muren binnen de versterking en

drijven langzamerhand den vijand achteruit, naar de ophaalbrug.

In het midden van het hevigst gewoel staat boven op den muur Jeanne, de

schrik der Engelschen. Als zij Glasdale ziet, die den aftocht van zijn

troepen dekt, sommeert ze hem nog, zich over te geven:

»Clasdas, Clasdas, ren-ti, ren-ti au roi des cieux«, roept zij hem toe.

»Gij hebt mij uitgescholden voor h......., maar ik heb medelijden met

uwe ziel en die van uwe soldaten!«

Als de Engelschen op hun terugtocht de ophaalbrug naderen, wachten hen

nieuwe rampen. De achtergebleven bezetting van Orléans is van de zijde

van de stad een aanval op les Tourelles begonnen, de vijand zit tusschen

twee vuren, en tot overmaat van ellende is men er van uit Orléans in

geslaagd, een brander op de Loire onder de ophaalbrug te sturen en

daar vast te leggen. Als Poynings, Mouleyns en Glasdale zich nog een

oogenblik verdedigen op de houten brug, zakt deze brandend inéén en

allen, die er op zijn, storten in de rivier en verdrinken. Met hen

verdween ook de oude, beroemde standaard van Chandos. Intusschen zijn de

Franschen van de andere zijde er in geslaagd, les Tourelles te bereiken.

Een groot deel van de bezetting sneuvelt, het overige deel wordt

gevangen genomen of springt in wanhoop in de Loire.

Te midden van dit bloedbad en deze algemeene slachting is Jeanne op hare

knieën gevallen. Zij is diep ontroerd en schreit tranen van medelijden

over de zielen van de gevallen dapperen, die niet naar haar hebben

willen luisteren.

Spoedig is nu alles afgeloopen en komen de overwinnaars tot bezinning en

tot rust. In de eerste plaats moet er nu aan gedacht worden, de troepen

weer veilig binnen de muren van Orléans te brengen, want de zon is reeds

onder en het wordt nacht.

Als na eenige uren van ingespannen arbeid de brug hersteld en voldoende

versterkt is, begint de overtocht van de troepen. Zooals Jeanne beloofd

en voorspeld had, komt zij terug over de brug aan de spits van haar

zegevierend leger. Voor haar uit draagt men hare banieren en trekken de

monniken en priesters onder het zingen van een Te Deum. Bij den rossigen

gloed van toortsen en nog spookachtig verlicht door het brandende,

veroverde fort, trekt de stoet in triumf de stad binnen, waar de klokken

beieren, waar de vreugdevuren en lichten zijn ontstoken, evenals in den

nacht van den eersten blijden intocht van Jeanne, en waar een opgewonden

en geestdriftige menigte haar ontvangt met de vreugdekreet: »Noël!«

»Noël!«

Bij Boucher aangekomen, wordt Jeanne verbonden door een chirurgijn,

vervolgens neemt zij eenig voedsel en een glas wijn en dan begeeft zij

zich kalm ter ruste: zij is vermoeid en uitgeput naar lichaam en naar

geest.

Den volgenden morgen (Zondag 8 Mei) voeren de Engelschen onder Talbot

nog eene schijnbeweging uit in de richting van de stad, daarna maken zij

rechtsomkeert en trekken af: Orléans is ontzet!

Men vraagt Jeanne nog toestemming, het vertrekkende leger te vervolgen,

maar zij verlangt, dat men rust zal nemen en den Zondag zal eerbiedigen.

De stad is ontzet: het teeken, door Jeanne beloofd, is dus ook werkelijk

door haar voor Orléans gegeven. Hiermede is tevens reeds het eerste deel

van hare roeping vervuld en de eerste helft van de haar door God gegeven

taak volbracht. Na een angstig en benauwend beleg van zeven maanden is

het Jeanne in acht dagen gelukt, de Engelschen te verjagen: men durft

weer ademhalen binnen de muren van Orléans, de stad is bevrijd en

behouden gebleven voor den dauphin.

Het bericht van de bevrijding van Orléans maakte een diepen indruk tot

zelfs ver buiten de grenzen van het land. De dauphin zelf en velen uit

zijne omgeving, die aanvankelijk getwijfeld hadden aan de belofte van

Jeanne, erkennen in hun dankbaarheid en door de feiten overtuigd de

»Goddelijke tusschenkomst«.

[Illustratie: Intocht van Jeanne d' Arc binnen Orléans.

Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans · 第 26 / 66 题