Gereconstrueerd door Mej. F. Bremer (Penteekening)]

De belegeraars beginnen met zich te verschansen ten zuiden van de stad,

op de puinhoopen van de verwoeste voorstad en tegenover de groote

steenen brug over de Loire, die verdedigd wordt door het op het uiteinde

van de brug gelegen fort les Tourelles. Zoodra het leger van Salisbury

zijn kanonnen in positie heeft gebracht, wordt een aanvang gemaakt met

het bombardement van de brug en het fort en van de stad daarachter. Den

21en October volgt dan een eerste algemeene aanval op les Tourelles.

De burgers van Orléans, geholpen door hunne vrouwen, drijven die eerste

maal de Godons terug, maar bij een herhaalden aanval op den 24en October

bemerken zij, dat de vijand loopgraven onder de brug heeft gemaakt en

zien zij zich gedwongen, het fort te verlaten. Op hun terugtocht slagen

zij er nog in, twee bogen van de brug aan de stadszijde te vernielen en

daardoor de verbinding met den anderen oever van de Loire te verbreken.

Salisbury zelf, de Engelsche bevelhebber, wordt dienzelfden avond,

staande op een van de torens van het nieuw veroverde fort, door een

kanonskogel uit de stad getroffen en sterft drie dagen later. Het bevel

over zijne troepen wordt overgenomen door William Pole, door Jeanne

genoemd la Poule, John Thalbot en Thomas de Scales.

De belegerden lijden door de verovering van les Tourelles een zwaar

verlies. Van af de torens van het fort overziet men het geheele plan van

de stad, hetgeen een belangrijk voordeel bij de beschieting oplevert.

Eigenaardig en ook al weer teekenend voor de gebrekkige afsluiting van

de stad, is het feit, dat eerst daags na den val van les Tourelles,

Dunois, de bastaard van Orléans, met nog eenige voorname heeren,

waaronder de bekende kapitein la Hire, binnen de muren van Orléans

verschijnt en het opperbevel over de verdedigingstroepen op zich neemt.

Onder zijne leiding worden gedurende de eerste wintermaanden ook de

andere voorsteden van de stad geraseerd, daar de belegeraars begonnen

waren, hunne schansen op te werpen aan de overzijde van de Loire ten

oosten en ten westen van de stad. Belangrijke gevechten hebben in den

aanvang van den winter niet plaats; alleen heeft men binnen de stad veel

te lijden van het hardnekkige bombardement van de vijandige kanonnen.

Maar de toestand zoowel binnen de muren van de »benarde veste« als in

het kamp van de belegeraars is alles behalve rooskleurig. De winter is

koud en de levensmiddelen raken op. De convooien met proviand worden

dikwijls onderschept en zij, die de plaats van hunne bestemming

bereiken, zijn klein en ten eenenmale onvoldoende: hongersnood staat

voor de deur.

In het begin van Februari 1429 verneemt men in de stad, dat een groot

convooi met proviand, van Parijs komende, onderweg is voor het

Engelsch-Bourgondische leger. Dunois verlaat de stad met een escorte van

tweehonderd man en trekt naar Blois om met den jongen graaf van Clermont

te beraadslagen, wat men doen zal. Besloten wordt, dat de troepen van

Orléans en van Blois door een gecombineerden aanval zullen trachten,

het convooi te onderscheppen: men zal elkaar ontmoeten te Rouvray. De

verdedigers van Orléans komen het eerst te Rouvray aan; even voor het

leger uit Blois en even voor het vijandig convooi onder leiding van

Falstolf. Hadden la Hire, Poton de Xaintrailles en William Stuart, de

broer van den connétable van Schotland, hun zin kunnen volgen en met

de burgerwacht van Orléans den vijand dadelijk aangevallen, zij zouden

Falstolf, die aanvankelijk niets kwaads vermoedde, overrompeld en zich

zonder veel moeite meester gemaakt hebben van het geheele convooi. Men

zond nog ijlings renboden naar den graaf van Clermont, maar deze liet

uitdrukkelijk bevelen, dat men niets zou ondernemen voor zijn aankomst.

In dien tijd had Falstolf rustig de gelegenheid, zich in staat van

verdediging te stellen en te verschansen achter de wagens van zijn

eigen convooi. De besluiteloosheid van den jongen, onervaren graaf

van Clermont, had tengevolge dat die 12e Februari voor de Fransche

troepen zeer ongelukkig afliep. De Engelsche ruiterij sloeg de Franschen

voor zij zich vereenigd hadden uiteen. Vele dapperen sneuvelden; de

graaf van Clermont vluchtte met zijn leger binnen Orléans; hun aftocht

werd gedekt door la Hire en Poton.

Het vurig begeerde convooi, dat, aangezien men in de vasten was,

grootendeels bestond uit haringen, kon verder rustig zijn bestemming

bereiken. De nederlaag bij Rouvray, die door de Franschen genoemd

wordt »la journée des Harengs«, wordt door Jeanne dienzelfden dag te

Vaucouleurs aangekondigd als zij tot Robert de Baudricourt zegt: »Heden

heeft de (gentil) dauphin bij Orléans een zeer groot verlies geleden.«

Na dezen grooten tegenslag laten de belegerden den moed zinken. Regnault

de Chartres verlaat de stad en begeeft zich naar den koning. Ook la Hire

trekt Orléans uit met tweeduizend man, maar hij belooft terug te zullen

komen met levensmiddelen en hulptroepen. De graaf van Clermont, die

na zijn optreden bij Rouvray weinig sympathie bij de burgers van de

belegerde stad vond, acht het veiliger zich met zijne troepen uit de

voeten te maken. De stad gaat nu hulp zoeken aan een gansch andere zijde

en zendt eenige afgevaardigden naar den hertog van Bourgondië, om met

hem te onderhandelen over eene mogelijke opheffing van het beleg.

In die dagen dringt langzamerhand tot Orléans het bericht door, dat aan

het hof van den dauphin een jonge maagd verschenen is, die beweert door

God gezonden te zijn om Orléans te bevrijden, en den dauphin daarna voor

zijne kroning naar Reims te geleiden.

Een maagd door God gezonden, om hen uit hun bangen, benauwden toestand

te verlossen! Geen wonder, dat dergelijke geruchten bij de bewoners

van Orléans een dankbaar gehoor vonden en gretig aanvaard werden: men

gelooft zoo gemakkelijk, wat men vurig wenscht. Van hooger hand wordt

geen poging gedaan, om de geruchten tegen te spreken; integendeel, men

ziet, dat ze de bevolking weer bezielen met nieuwen moed en met een

groot vertrouwen.

Voor alles wil men echter weten, of de berichten waarheid bevatten en

Dunois zendt dus twee afgevaardigden naar Chinon om naar de zaak te

informeeren.

Als Jeanne den 27en April te Blois aankomt, vindt zij daar behalve

Gilles de Rais, la Hire, Ambroise de Loré en nog andere groote heeren,

de hulptroepen en het convooi, die zij naar Orléans zal geleiden. De

koning was er ten slotte eindelijk in geslaagd, het noodige geld voor

de expeditie te vinden, en men kan dus vertrekken. Dienzelfden dag nog

zet de trein zich in beweging, d.w.z. dat men een deel van het convooi,

dat in zijn geheel bestond uit zeshonderd wagens met levensmiddelen en

munitie en vierhonderd stuks vee, voorloopig nog te Blois laat, om zich

in de vijandelijke streek sneller en gemakkelijker te kunnen bewegen.

Hoe groot het ontzettingsleger is, door Jeanne aangevoerd, is niet

met zekerheid te zeggen: de een zegt tienduizend man, een ander zeven

à achtduizend, maar vermoedelijk zal het niet meer dan ongeveer

vierduizend man sterk zijn geweest. Aan de spits van dit leger rijdt

Jeanne in haar blanke wapenrusting met haar schitterend gevolg van

edelen en onmiddellijk voorafgegaan door hare banierdragers en door een

breede schaar van priesters en monniken, die het »Veni Creator Spiritus«

aanheffen.

Van het eerste oogenblik af aan en nog voor de eerste vijand in het

gezicht is, stelt Jeanne zich niet tevreden met de passieve rol van door

God gezondene, die zich laat leiden, maar neemt zij zelf de leiding in

handen en begint met te veranderen wat haar in haar eigen troepen niet

aanstaat en grieft. Hare manschappen zoo goed als zij zelf hebben eene

Goddelijke zending te vervullen en daarom verlangt zij, dat in haar

leger de naam des Heeren niet ijdelijk gebruikt zal worden: zij verbiedt

het vloeken. Ook wil zij niet, dat, zooals het algemeen gebruik van dien

tijd dat medebracht, een groot aantal publieke vrouwen medetrok in den

tros van haar leger.

Om van uit Blois het belegerde Orléans te bereiken stonden twee wegen

open. Men kon den rechter Loire-oever volgen en de stad dus naderen

van de westzijde door la Beauce, of langs den linker oever en dus

door la Sologne op de stad aantrekken. Is dit punt voor het vertrek

in tegenwoordigheid van Jeanne besproken en heeft men haar op haar

uitdrukkelijk verlangen om den eersten weg te volgen, eenige toezegging

in dien zin gedaan? Met andere woorden, heeft men haar willens en wetens

misleid? Het is moeilijk, hierop met beslistheid te antwoorden, maar

zeker is het, dat Jeanne, die in de vaste overtuiging verkeerde, dat men

de stad zou naderen van uit het westen en dus van de zijde, waar Talbot

zich met zijne Engelsche troepen verschanst had, diep teleurgesteld en

hoogst ontstemd was, toen men op den avond van den 29en April even ten

Oosten van Orléans maar aan den linkeroever van de Loire halt hield.

Zoodra de wachters op de wallen en torens van de belegerde stad de

aankomst van het leger van Jeanne hadden aangekondigd had, Dunois de

stad verlaten en was hij Jeanne te gemoet getrokken. Maar de ontvangst

van hare zijde is bij die eerste ontmoeting niet bijster vriendelijk.

Zij verwijt hem, dat men haar bedrogen heeft. Is het op zijn advies, dat

men deze route gevolgd heeft? Dan heeft hij nu zijn verdiende loon, want

een sterke tegenwind maakt het vooralsnog onmogelijk de troepen en het

convooi met de gereed liggende zeilbooten over de rivier en binnen de

belegerde stad te brengen.

»Bij God«, roept zij uit, »de raad van Messire is zekerder en wijzer

dan de Uwe. Gij hebt mij willen bedriegen en hebt U zelf bedrogen.«

Maar de voor het prestige van Jeanne op dat oogenblik zoo noodzakelijke

wonderen geschieden. In de eerste plaats draait de wind, zoodat de

zeilbooten, met troepen en proviand geladen, Orléans kunnen bereiken en

in de tweede plaats blijft de vijand op een afstand rustig toekijken en

steekt geen hand uit om den overtocht te beletten of zelfs ook maar te

bemoeilijken.

De bewoners van de belegerde stad zijn op het eerste bericht van de

nadering van haar, die hun door God gezonden wordt te hunner verlossing,

naar de wallen gestormd. Zij zien van daaruit de aankomst van het

ontzettingsleger, leven de oogenblikken van spanning mede als de

tegenwind de booten belet de stad te naderen en steeds nog vreezen zij,

dat de vijand op het laatste oogenblik hun hoop zal verijdelen. Maar

langzamerhand beginnen zij te begrijpen, als zij getuige zijn van de

wonderen, die geschieden. In het vijandige kamp blijft alles rustig en

plotseling draait de wind, zoodat veilig met het overbrengen van troepen

en proviand een aanvang kan gemaakt worden.

Dan maakt zich van de gansche bevolking een koortsachtige geestdrift

meester. Het is dus waar, het kan niet anders, geen twijfel is meer

mogelijk. Dat kan geen werk zijn van menschen, maar slechts van haar,

die met een Goddelijke opdracht tot hen komt. Als de avond begint te

vallen wil Jeanne terug naar Blois om het achtergebleven gedeelte

van het convooi te halen en Gilles de Rais en Dunois hebben al hun

overredingskracht noodig, om haar dit voornemen uit het hoofd te praten.

Dunois vooral is er bijzonder op gesteld, dat Jeanne nog dien avond haar

intocht binnen Orléans zal houden. Hij voorziet de heftigste tooneelen

van wanhoop en vertwijfeling, wanneer hij zonder de door zijn volk

verwachte Heilige terugkomt.

Het is reeds laat in den avond als Jeanne eindelijk toegeeft en met

Dunois en een klein gevolg de poort van Orléans binnenrijdt. Men

verwacht haar en ondanks het vergevorderd uur is de geheele stad op de

been. De geestdrift, waarmede de bevolking van Orléans haar ontvangt, is

eenvoudig onbeschrijfelijk. Voorafgegaan door een aantal toortsdragers

rijdt Jeanne naast Dunois door de straten van Orléans, waarin zich eene

dichte menigte heeft opgehoopt. In alle huizen heeft men de lichten

ontstoken als even vele vreugdevuren. Arm en rijk, oud en jong verdringt

zich niet alleen om haar te zien, maar om zoo mogelijk haar de hand te

kussen of slechts den zoom van haar kleed aan te raken. De vreugde, zegt

een ooggetuige, had niet grooter kunnen zijn, wanneer God zelf in de

stad was neergedaald.

Op het einde van haar zegetocht begeeft Jeanne zich naar de kerk van het

Heilige Kruis, waar zij God dankt in een lang en vurig gebed. Vervolgens

brengt men haar bij Jacques Boucher, den thesaurier van den hertog van

Orléans, in wiens huis zij den nacht zal doorbrengen.

Zooals het toenmalig gebruik verlangde, sliep zij dien nacht en de

overige nachten van haar verblijf te Orléans, bij het dochtertje van

haar gastheer, een meisje van een jaar of negen, genaamd Charlotte.

Den volgenden dag (30 April) wil zij besteden om de Engelschen te

sommeeren, in vrede heen te gaan, zonder dat zij ze met geweld van

wapenen behoeft te verjagen. Omtrent de bijzonderheden van deze sommatie

bestaan verschillende lezingen. Volgens de eene zond Jeanne twee

herauten, genaamd Ambleville en Guyenne naar het vijandige kamp met

den brief, dien zij reeds in Maart te Poitiers gedicteerd had. Volgens

anderen was deze brief dadelijk in Maart verzonden en wendde zij zich

van uit Orléans tot de Engelschen met een nieuw schrijven.

Vast staat in elk geval, dat van de twee herauten van Jeanne, wanneer

zij ook gezonden werden, slechts één terugkeerde. Guyenne hielden de

Engelschen gevangen: zij dreigden hem te zullen verbranden tegen alle

wetten van het volkenrecht in, volgens welke de persoon van een heraut

heilig was.

Terwijl Dunois naar Blois vertrokken is, om het achtergebleven deel van

het convooi te halen, besluit Jeanne eenige dagen rustig af te wachten

of de Engelschen gehoor geven aan hare aanmaning.

Intusschen heeft men moeite, het volk kalm en in bedwang te houden. Ze

willen hun Heilige zien en bewonderen en verdringen zich voor het huis

van den zilversmid Boucher. Men dringt er bij Jeanne op aan, dat zij

zich zal vertoonen en Zondag den 1en Mei rijdt zij dan met een klein

gevolg door de straten van Orléans, toegejuicht en gehuldigd door een

talrijke menigte.

Ook den volgenden dag (2 Mei) stijgt zij vroeg weer te paard en gaat

met enkelen van hare getrouwen de positie van het vijandelijke leger

verkennen.

's Morgens van den derden Mei kondigen de wachters de nadering aan van

het leger van Blois. Jeanne rijdt het tegemoet. Ook Dunois komt terug.

Hij brengt de tijding mee, dat Falstolf weer onderweg is met een groot

convooi. Hij moet Jeanne vast en stellig belooven dat hij haar

waarschuwen zal, als Falstolf passeert: ze wil hem zien.

Den voormiddag van den vierden is Jeanne druk in de weer bij het binnen

brengen van de troepen en het convooi uit Blois. Na het middagmaal om

één uur legt zij zich met haar slaapkameraadje een oogenblik te rusten.

Maar plotseling vliegt ze weer overeind. Hare stemmen hebben haar

gewaarschuwd, dat er gevochten wordt, maar ze weet niet precies waar. Ze

waarschuwt d'Aulon, die eveneens vermoeid zich in hetzelfde vertrek te

slapen had gelegd.

In allerijl wordt zij gekleed en gewapend. Zij stormt de kamer uit en

ontmoet haar page Louis de Contes.

»Waarom heb je mij niet gewaarschuwd, dat er Fransch bloed vergoten

wordt?« roept ze hem toe:

»Breng mij mijn paard«.--

Door een raam reikt men haar haar banier nog toe en dan ijlt zij in

vollen galop door de straten van Orléans in de richting, waar zij

het meeste rumoer hoort. D'Aulon en de Contes volgen haar. Door de

Bourgondische poort verlaat zij de stad: er wordt gevochten om de

Bastille de Saint Loup, ten einde de aandacht van de Engelschen van

den overtocht van het convooi af te leiden.

[Illustratie: De belegering van Orléans.

Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans · 第 25 / 66 题