Nog eenige oogenblikken staren zij den kleinen page met zijn escorte
na en luisteren naar den doffen hoefslag van de paarden, wier voeten met
doeken omwoeld zijn. Dan verdwijnt het zevental in den mist en wordt het
stil. Terwijl de ophaalbrug wordt opgehaald en de poort van Vaucouleurs
gesloten, brengen wij den kleinen page het eere-saluut:
»Seigneurs, barons, inclinez-vous
Devant celui qui part, il est plus grand que nous.«
* * * * *
De geheele reis was buitengewoon voorspoedig. Jean de Metz en Bertrand
de Poulengy waren dergelijke tochten door eene gevaarlijke, vijandige
streek gewoon. Zij hadden alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen,
kenden het land en wisten dus welke punten zij mijden moesten en waar
zij de minste kans liepen, opgemerkt te worden.
Den eersten avond wordt doorgereden tot men tegen den nacht de abdij van
Sint Urbain bereikt. Bij den Abt Arnoult d'Aulnoy, een bloedverwant van
Robert de Baudricourt, vinden zij een veilig onderkomen. Den volgenden
morgen voor hun vertrek hoort Jeanne de Mis.
Op het verdere traject wordt meestal 's nachts gereisd en overdag gerust
onder den blooten hemel. Jeanne ligt dan geheel gekleed in een deken
gewikkeld tusschen Jean de Metz en Bertrand de Poulengy in. Zij slaapt
gerust en vol vertrouwen in hare beide ridders, die gezworen hebben,
haar behoorlijk te zullen geleiden. En inderdaad de heeren hebben woord
gehouden en haar behandeld als een zuster.
Hun voorzichtige en geheimzinnige wijze van reizen heeft voor Jeanne
één groot bezwaar: zij heeft daardoor niet de gelegenheid, dagelijks de
kerk te bezoeken en de Mis te hooren. Het valt haar zwaar, daarin te
berusten en zij beklaagt zich herhaaldelijk over dit gemis. Verder stelt
zij hare geleiders onder weg steeds gerust en deelt hun mede dat hare
»broeders in het Paradijs« haar steeds zeggen, wat zij doen moet.
De moeilijkste en gevaarlijkste punten van den tocht zijn wel de
rivieren. De overkant van de Marne bereiken zij over de brug bij Sint
Urbain, maar zij doorwaden de Aube bij Bar sur Aube, de Seine bij Bar
sur Seine en de Yonne bij Auxerre en dat in Februari na een strengen
winter, terwijl de rivieren nog breed en gezwollen zijn!
Als zij eindelijk Gien bereiken, bevinden zij zich op gebied van den
dauphin en is dus het voornaamste gevaar geweken.
Van Gien trekt men verder naar Fierbois. Te Fierbois bevond zich een
beroemd heiligdom van één van de patronessen van Jeanne n.l. van de
Heilige Cathérine, die in het bijzonder de Fransche krijgsgevangenen
beschermde. Jeanne bezoekt de kapel en hoort te Fierbois eenige malen de
Mis. Ook zendt zij van daaruit een bode naar den dauphin met den brief
van Robert de Baudricourt en met een brief door haar zelf gedicteerd,
waarin zij verzoekt, te Chinon te mogen komen, daar zij honderd vijftig
mijlen te paard heeft afgelegd om den dauphin mededeelingen te doen, die
hem van nut kunnen zijn en die zij alleen weet.
Te Chinon arriveert zij na haar vermoeienden tocht in volkomen welstand
tegen den middag van den 6en Maart en stapt er af in een klein logement.
Dienzelfden dag nog begeeft zij zich naar het koninklijk slot, maar
wordt niet toegelaten. Karel VII kent haar niet, hij laat vragen,
wie ze is en wat zij komt doen. De beide brieven, door Jeanne gezonden
hebben hem dus blijkbaar niet bereikt. In zijn omgeving had men ze
waarschijnlijk ter zijde gelegd en niet noodig gevonden, hem daarmede
in kennis te stellen. Nog voor het eerste verschijnen van Jeanne aan
het hof van Karel VII ondervindt zij reeds tegenwerking, doet zich die
geheime macht reeds gevoelen die, voortkomende uit de onmiddellijke
omgeving van den dauphin, haar zal blijven dwarsboomen en een politiek
zal voeren tegen de hare in, tot het einde toe.
Jeanne moet drie dagen geduld hebben. Op de vraag, haar namens Karel VII
gedaan, wat zij kwam doen, heeft zij niets willen antwoorden dan in het
algemeen, dat zij kwam om Orléans te ontzetten en den dauphin voor de
kroning naar Reims te geleiden. Jean de Metz en Bertrand de Poulengy
worden ondervraagd; in den Raad van den koning kan men het evenwel niet
eens worden, men aarzelt, tot het laatste oogenblik toe, zelfs nog nadat
de meerderheid reeds besloten heeft, dat Jeanne moet toegelaten worden
en zij ook reeds onderweg is. Na lang wikken en wegen, en op advies van
de meerderheid van zijn Raad, besluit Karel VII echter ten slotte,
Jeanne te ontvangen.
Pasquerel, die Jeanne later als biechtvader naar Orléans zal
vergezellen, deelt nog mede, dat zij op weg naar het koninklijk slot een
ruiter ontmoette, die haar onder luid vloeken en razen grof beleedigde,
waarop Jeanne tot hem zou gezegd hebben: »Gij vloekt den naam van God,
en dat terwijl de dood U zoo nabij is.«
Dienzelfden avond nog, ja volgens het verhaal van Pasquerel, voor er een
uur verstreken was, viel de man in het water en verdronk.
In de verklaring van Pasquerel wordt de vermaning van Jeanne natuurlijk
een profetie, een van de vele bewijzen voor haar helderziendheid, haar
bovenmenschelijkheid.
Maar ook teruggebracht tot het gewoon menschelijke behoudt de episode
voor ons haar waarde. Ook indien de woorden van Jeanne slechts bedoeld
zijn geweest als »memento mori« voor den krijgsman in die bange dagen
van moord en slachting, dan nog staat deze vermaning van het jonge
meisje door haar waardigheid en bezadigdheid reeds op één lijn met
zoovele van hare voortreffelijke antwoorden uit het latere proces.
Nog dikwijls zal het voorkomen, dat Jeanne grof beleedigd wordt, vooral
later door hare doodsvijanden, de Engelschen, en steeds zal het haar
diep grieven en pijn doen, ja een enkele maal zelfs b.v. wanneer tijdens
den strijd om Orléans, de Engelschen haar den laagsten scheldnaam naar
het hoofd slingeren, dien men voor een jong meisje bedenken kan, zal zij
in snikken uitbarsten. Hare Heiligen zullen haar dan moeten troosten en
moed inspreken.
* * * * *
Als Jeanne dan eindelijk in het kasteel van Karel VII is aangekomen,
wordt zij door Louis van Bourbon, graaf van Vendôme, geleid naar de
zaal, waar de koning zich bevindt.
De houding van Jeanne bij haar eerste verschijnen in de omgeving van den
koning is hoogst merkwaardig. De kalmte, waarmede dit zeventienjarige
boerenmeisje de meest ongewone dingen eenvoudig aanvaardt, is gewoonweg
verbluffend. Alles wat haar wedervaart in verband met de vervulling van
hare Goddelijke roeping wordt door haar beschouwd als vanzelf sprekend:
geen moeilijkheden schrikken haar af, geen milieu kan haar verblinden,
geen mise-en-scène kan haar imponeeren.
Met de rust en het zelfvertrouwen, waarmede wij haar in Vaucouleurs te
paard hebben zien stijgen voor een levensgevaarlijken tocht van twaalf
dagen, zien wij haar nu de groote receptiezaal van het kasteel te Chinon
binnentreden, en zullen wij haar eenmaal zien verschijnen voor een
rechtbank van Kardinalen en Bisschoppen.
* * * * *
Dien avond van den 8en Maart bevond Karel VII zich te midden van
ongeveer driehonderd edellieden in de groote zaal van zijn kasteel.
Onder dit uitgelezen gezelschap waren la Trémouille en andere leden
van zijn Raad en vermoedelijk ook de Bisschop van Reims, tevens
Rijkskanselier. Een houtvuur brandde onder de groote schouw, vijftig
toortsen wierpen hun schijnsel op de bontgekleurde, kostbare gewaden van
de hovelingen en krijgslieden en vormden een voor dien tijd voorwaar
schitterende verlichting. Wie is in deze bonte menigte de dauphin? De
mogelijkheid, dat Jeanne ooit te voren een beeltenis van Karel VII zou
gezien hebben, is zoo goed als uitgesloten. Ook weten wij, dat de koning
geen persoon was, die door zijne houding, zijne gestalte, of door de
kostbaarheid van zijn costuum in het oog viel of de aandacht trok.
(Bekend is, dat hij meermalen in een oud wambuis nieuwe mouwen liet
zetten). Toch aarzelt Jeanne geen oogenblik en met vast beraden
tred, maar volgens de verklaring van den heer van Gaucourt, een der
voornaamste ooggetuigen, »met groote nederigheid en eenvoud« treedt
zij op den koning toe. Dan ontbloot zij het hoofd en met een linksche
buiging begroet zij hem met de woorden: »God schenke U een lang leven,
gentil Dauphin.« Op de vraag van den koning, wie zij is en wat zij van
hem verlangt, antwoordt zij, dat haar naam is »Jeanne la Pucelle« en zet
zij in enkele woorden uiteen welke opdracht haar door »den Koning der
Hemelen« gegeven is.
Daarna neemt Karel VII haar ter zijde, en heeft er tusschen hem en
Jeanne een langdurig onderhoud plaats.
Hiermede zijn wij genaderd tot één van de groote vraagteekens in de
geschiedenis van Jeanne d'Arc. Wat is er in dit onderhoud zonder
getuigen tusschen haar en den koning verhandeld? Wat behelst »het
Geheim van den Koning« en wat is geweest »het teeken te Chinon«? Met
absolute zekerheid is dit niet te zeggen. Een rechtstreeksche verklaring
hieromtrent van Karel VII bezitten wij niet en ook Jeanne heeft tot haar
dood toe geweigerd, hiervan een volledig relaas te geven. De doktoren te
Poitiers zullen er haar naar vragen en er haar mede lastig vallen, maar
zonder het gewenschte resultaat. En dan later de rechters te Rouaan;
telkens en telkens weer zullen zij terugkomen op datzelfde punt: het
geheime teeken te Chinon. Maar Jeanne zal hun afschepen met ontwijkende
antwoorden, of zij zal kort en bondig weigeren, eenig nader bescheid te
geven. Zij zullen het beproeven met listen en strikvragen, maar Jeanne
zal hun slimheid doorzien, zal ook op dat gebied hun meerdere blijven.
Er bestaan over dit vraagpunt enkele lezingen van tijdgenooten, verder
een overvloed van commentaren van latere geschiedschrijvers.
Materiaal genoeg, maar er is veel kaf onder het koren, veel fantasie:
schiften en oppassen is de boodschap.
Om te beginnen weten wij uit eene verklaring van Jeanne zelf, dat hare
stemmen haar reeds in Domrémy hadden aangemoedigd met de woorden: »Ga en
wees onverschrokken; wanneer gij bij den Koning zult zijn, zal hij een
teeken krijgen om hem te overreden in u te gelooven, en u te ontvangen.«
Ook geeft zij in het proces te Rouaan nog een belangrijke bijzonderheid,
wanneer zij mededeelt, dat het teeken in verband stond met hare eigen
daden. Dit laatste détail is ook volstrekt niet in strijd met hetgeen
Jeanne verder in het proces heeft losgelaten omtrent »den engel« die
te Chinon verschenen is, en »de kroon« die zij er gezien heeft. Ook
al nemen wij niet aan, dat, zooals in het ongeteekende deel van het
procesverbaal vermeld staat, Jeanne zelf zou geëindigd zijn, met aan
het einde van het proces haar verklaringen omtrent het teeken te Chinon
te herroepen, door te zeggen, dat zij als zuivere symboliek bedoeld
waren, toch is het voor ons duidelijk dat zij afkomstig zijn van den
persoon, die geregeld in aanraking kwam met hemelboden en Heiligen uit
het Paradijs.
En past ditzelfde détail ook niet volkomen in de omlijsting van het
verhaal, afkomstig uit de onmiddellijke omgeving van Karel VII en
volgens hetwelk Jeanne den koning tijdens dit eerste onderhoud het
verhaal van hare zending zou bevestigd hebben door hem geheime en
verborgen zaken mede te deelen.
Het is zeer wel mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat Karel VII in de
laatste dagen voor de eerste ontmoeting met Jeanne bijzonder mismoedig
was. Zijn zaak stond er op dat oogenblik slecht voor en »grande pitié
était au royaume de France«. Orléans belegerd, zijne troepen bij Rouvray
weer verslagen. Wanneer Orléans valt is het pleit verloren en rest hem
niet veel anders, dan te trachten zijn leven althans in veiligheid te
brengen, en te vluchten naar Spanje of Schotland. Waar de troepen, waar
het geld vandaan te halen om Orléans te ontzetten en den vijand het land
uit te drijven?
In de vergaderingen van zijn Raad wordt deze vraag druk besproken, men
zoekt naar een oplossing, maar tot nu toe te vergeefs. Er zijn evenwel
elementen in zijn Raad, die den koning drukken, ook daar durft hij
niet alles uitspreken, wat in zijn binnenste omgaat, en zijn gemoed
dikwijls angstig bezwaart. Karel VII is geen groote, krachtige figuur,
die zijn gansche omgeving beheerscht, hij is verlegen en weifelmoedig.
De tegenspoeden en rampen van den laatsten tijd hebben zijn zwak
zelfvertrouwen nog ernstig geschokt en in het diepst van zijn ziel
is twijfel gerezen aan zijn goed recht, aan het rechtvaardige van
de zaak waarvoor hij strijdt, ja, zelfs aan het rechtmatige van zijne
afstamming. Wanneer hij werkelijk de wettige opvolger op den troon
van Frankrijk was, zou God hem dan geen hulp gezonden hebben en zijn
legers hebben doen zegevieren? In zijn stille gebeden, want hij is zeer
godsdienstig, heeft hij God gesmeekt, hem voor te lichten en den weg te
toonen, dien hij volgen moet.
In deze gemoedsstemming treft hem Jeanne aan bij de eerste ontmoeting
te Chinon. Men heeft den koning reeds verteld van den bijzonder
voorspoedigen tocht, dien dit meisje uit Domrémy heeft ondernomen om
tot hem te komen, en hem belangrijke mededeelingen te doen.
En daar staat zij nu voor hem, wel is waar in travesti als page gekleed,
maar in hare volle, slanke gratie en jeugdige frischheid. Twee heldere,
open oogen zien hem aan uit dat knappe gezicht, haar optreden is kalm en
beslist, zonder eenige opdringerigheid.
Als zij daarna in gesprek raken, klinken hare woorden vol overtuiging
en getuigt de groote bezieling, die van haar uitgaat, van de kracht van
haar eigen, machtig geloof. Eén voor één neemt ze met groote beslistheid
alle punten van twijfel en onzekerheid weg, door de verklaring van hare
Missie. God heeft haar tot den dauphin gezonden om Orléans te bevrijden
en om daarna hem, den koning, te doen kronen te Reims. Is dat niet
juist het antwoord op de vragen, waarmede hij zich in zijne eenzame
overpeinzingen had bezig gehouden, en waarover hij niemand ter wereld
had durven raadplegen? Dan zou dit dus de voorlichting zijn, waarom hij
God gebeden had, en de hulp hem door God gezonden, nu de nood op het
hoogst gestegen is. Terwijl Jeanne tot hem spreekt, voelt hij zijn moed
herleven, zijn zelfvertrouwen wederkeeren. Zonder dat hij haar iets
gevraagd heeft, en zonder dat iemand haar op de hoogte kan gebracht
hebben van de heimelijke angsten van den koning, stelt ze hem gerust,
door hare houding, haar optreden, haar woord, haar geloof, door de
bekoring en de bezieling, die er van haarzelf uitgaan. Zij heeft op den
rechten toon, het rechte woord, op het rechte oogenblik gesproken.
Dit is voor ons »het geheim van den koning« en »het teeken te Chinon«,
zooals het geweest was het geheim van Burey le Petit, toen zij oom
Durand moest winnen en het geheim van Vaucouleurs, toen zij den
allesbehalve bijgeloovigen Robert de Baudricourt moest overtuigen.
Zeer zeker, de Engel, waarover men haar later ondervraagd heeft, is op
dien avond in de groote zaal van het koninklijk slot te Chinon geweest,
want Jeanne heeft hem immers gezien, hij heeft haar geleid te midden
van die bonte menigte, tot zij stond voor den dauphin, en tijdens het
geheime onderhoud met Karel VII heeft hij haar gesteund en terzijde
gestaan. En wanneer de Koning hem ook gezien heeft en La Trémouille
en de Gaucourt en mogelijk ook de Bisschop van Reims en alle andere
raadslieden en edellieden van den Koning, welnu dan is die Engel Jeanne
zelf geweest.
En toen Jeanne den Koning vertelde, dat het de wil was van »Messire« dat
zij hem naar Reims zou geleiden om hem daar te doen kronen, droeg toen
die Engel niet een kroon in zijn hand en wel een kroon van een edeler
metaal en versierd met nog schitterender steenen, dan die waarvan men
zich later bedienen zal bij de plechtigheid te Reims? En heeft Karel VII
die kroon niet gezien, ja, moet hij die niet gezien hebben zooals Jeanne
haar zag, terwijl zij tot den dauphin sprak over het tweede deel van
hare Goddelijke opdracht, dat zou afloopen bij het einde van de kroning
in de kathedraal te Reims?
* * * * *
Na afloop van zijn onderhoud met Jeanne wil Karel VII overleg plegen met
zijn Raad. Hij is voorzichtig. In zijn omgeving trouwens wil men ook
eerst de zaak goed wikken en wegen, voor men iets van belang durft
ondernemen. Men is bang zich aan koud water te branden. Is Jeanne
werkelijk door God gezonden tot redding van het koninkrijk, of is zij
van den duivel bezeten en is alles wat zij zegt dus uit den booze?
Voorloopig wordt in elk geval besloten dat Jeanne te Chinon zal blijven.
In den toren du Coudray van het kasteel krijgt zij een kamer: zij wordt
toevertrouwd aan de zorgen van een officier van het Hof en zijn vrouw,
en Louis de Contes, een jong mensch van vijftien jaar ongeveer, wordt
haar toegewezen als page.
De koning bezoekt haar dikwijls en spreekt dan zeer vertrouwelijk met
haar, hij voelt bij intuïtie, dat zij oprecht is en in elk geval te
goeder trouw. Op een morgen, als Jeanne weer met haar »gentil dauphin«
in een druk gesprek gewikkeld is in een van de zalen van het koninklijk
slot, treedt daar een jongeling binnen; de hertog van Alençon. Jaren
lang is hij krijgsgevangene van de Engelschen geweest en eerst kort
geleden is hij uit die gevangenschap ontslagen en bij de zijnen
teruggekeerd. Een koerier is hem komen berichten, dat aan het Hof een
meisje verschenen is, door God gezonden om de Engelschen uit Frankrijk
te verjagen. Dat meisje wil hij zien en daarom is hij onverwijld naar
Chinon gekomen om haar te ontmoeten. Als Jeanne hem ziet nadertreden
en van den koning vernomen heeft dat het zijn neef is, de hertog van
Alençon en een schoonzoon van den hertog van Orléans, groet zij hem
eerbiedig en spreekt hem aan met de woorden:
»Wees van harte welkom. Hoe meer bloed van den koning van Frankrijk hier
vereenigd is, hoe beter het zal zijn.«
Beiden jong, strijdlustig en vol geestdrift voor een zelfde zaak, zullen
zij in het vervolg steeds goede kameraden zijn en in den mond van Jeanne
zal d'Alençon steeds heeten »mon beau duc«.
* * * * *
Intusschen is men te Chinon, op last van Karel VII reeds een voorloopig
onderzoek naar Jeanne en haar verleden begonnen. Het voornaamste
onderzoek zal evenwel plaats hebben te Poitiers, waar in die dagen het
Parlement gevestigd was. Een commissie van onderzoek wordt benoemd;
zij bestaat uit professoren, doctoren en geestelijken, waaronder twee
bisschoppen. Voorzitter zal zijn: Regnault de Chartres, Rijkskanselier,
Aartsbisschop van Reims. Evenals later de Rechtbank te Rouaan, heeft
ook deze Commissie, voor den aanvang van het eigenlijke verhoor, alle
mogelijke gegevens verzameld en zijn als getuigen gehoord allen, die
te Domrémy, te Vaucouleurs of elders met Jeanne in aanraking zijn
geweest. Als men met alle toebereidselen gereed is, vertrekt Jeanne
zelf met een gewapend escorte naar Poitiers, en neemt daar haar intrek
in hôtel de la Rose. In hetzelfde hôtel logeert Mr. Jean Rabateau, de
advocaat-generaal, en aldaar zal ook het verhoor plaats hebben.
Op weg naar Poitiers is Jeanne een oogenblik in den waan, dat men haar
reeds naar Orléans brengt. Zij is ongeduldig en er is reeds veel tijd
verloren gegaan in Chinon. Ze is diep teleurgesteld, als men haar
vertelt dat zij naar Poitiers gaat om door een commissie ondervraagd te
worden.
»Bij God«, zucht zij, »ik weet dat ik het daar niet gemakkelijk zal
hebben, maar Messire zal mij helpen. Laten wij dus gaan.«
Uit deze verzuchting blijkt wel, dat Jeanne van te voren erg heeft
opgezien tegen het onderzoek van al die geleerde heeren, maar als
eenmaal het eigenlijke verhoor is begonnen, beschikt zij weer over hare
volle vrijmoedigheid en zelfvertrouwen. Hare antwoorden zijn duidelijk
en scherp en de indruk, dien zij maakt, is bijzonder gunstig. Wij mogen
hierbij evenwel niet uit het oog verliezen, dat deze commissie, in
tegenstelling met de rechtbank te Rouaan, er niet beslist op uit was
haar in het verderf te storten en op den brandstapel te brengen.
Zij deelt aan hare ondervragers mede, wat hare stemmen tot haar gezegd
hebben en hoe zij haar hebben opgedragen naar Frankrijk en tot den
koning te gaan om het land te redden.
Men merkt haar op dat God, wanneer hij Frankrijk wil redden, daartoe
toch geen krijgslieden noodig heeft. Waarop Jeanne antwoordt:
»Bij God, de krijgslieden zullen vechten en God zal hun de overwinning
geven.«
Na eenige séances begint het verhoor haar danig te vervelen. In haar
onschuld begrijpt zij natuurlijk niet, wat men van haar wil. Zij is
gekomen met een opdracht om Orléans te ontzetten. Waarom talmt men
dan? Is dit niet allemaal verloren tijd? En dan, zij gevoelt zich niet
zoo op haar gemak tegenover die doctoren en geleerde heeren met hunne
dikke boeken en paperassen. Als op een morgen Gobert Thibault, een
jonge krijgsman dien zij reeds te Chinon ontmoet heeft, met eenige
commissieleden binnenkomt, stapt zij op hem af, klopt hem vertrouwelijk
op zijn schouder en zegt:
»Ik zou een heelen troep van krijgslieden willen hebben, zoo goed gezind
als gij«.
Ja, laat men haar soldaten geven, zij hunkert er naar de beloften, die
zij gedaan heeft, te vervullen.
Hare antwoorden worden ietwat humeurig. Als zij mededeelingen doet over
haar missie en hare stemmen en men spreekt haar tegen, dan bijt zij van
zich af:
»Er staat in de boeken van Onzen Heer meer dan in de Uwe«.
Als later een priester uit Limoge haar met zijn eigenaardig accent
vraagt:
»Welke taal spreken Uwe stemmen?«, dan antwoordt zij ondeugend:
»Een betere dan de Uwe.«
De commissie, hoewel zij Jeanne niet slecht gezind is, is moeilijk te
voldoen. Zij dringt er steeds bij haar op aan, dat zij door een teeken
bewijzen zal, dat zij door God gezonden is. En telkens weer geeft Jeanne
hetzelfde antwoord, dat zij niet te Poitiers gekomen is, om teekens te
geven. Het eenige teeken, dat zij geven kan, is dat zij volbrengen zal,
wat zij beloofd heeft: zij zal Orléans bevrijden en den dauphin te Reims
doen kronen.
* * * * *
In Poitiers dicteert zij ook een brief aan de Engelschen. Bovenaan staan
de woorden [zwaard] Jhesu Maria [zwaard] en dan vervolgt zij:
»Koning van Engeland en gij, hertog van Bethfort, die U regent noemt van
het koninkrijk Frankrijk, Guilleaume la Poule, graaf van Suffort« etc.
De namen van den hertog van Bedford en den graaf van Suffolk werden door
de Franschen in dien tijd wel zonderling geradbraakt, en opmerkelijk
is ook dat Jeanne William Pole, graaf van Suffolk, in dit schrijven
en ook later aanspreekt als »la Poule« en William Glansdale, baljuw
van Alençon, voor den koning van Engeland als »Glasidas« of »Glasdas«.
Wij kunnen niet meegaan met Hanotaux, die haar Thomas de Scales als
»Glasidas« laat aanspreken. In dien brief eischt zij van den koning van
Engeland en van zijn veldheeren, kort en bondig, dat zij de sleutels
van de steden, die zij veroverd hebben, zullen teruggeven aan haar »la
Pucelle« die door God gezonden is, en dat zij het land zullen verlaten.
Zij is blijkbaar in hare verbeelding reeds aan het hoofd van hare
troepen, want zij noemt zich »chief de guerre« en dreigt, de Engelschen
die niet in haar en hare Goddelijke Missie gelooven, bij de eerste
ontmoeting tot den laatsten man te zullen vernietigen, maar degenen,
die zich onderwerpen, en haar gehoorzamen willen, zal zij in genade
aannemen.
* * * * *
Als het verhoor van geleerden en geestelijken is afgeloopen, moet Jeanne
nog een ander onderzoek ondergaan, dat voor haar zeker niet minder
onaangenaam is. Terwijl kort na haar aankomst te Chinon eenige dames
hadden moeten nagaan van welk geslacht zij was, wordt thans aan een
commissie, eveneens uit dames bestaande, opgedragen te onderzoeken of
zij werkelijk maagd is. Hoe onkiesch, smakeloos en belachelijk ons dit
ook voorkomt, toch was dit voor dien tijd een punt van groot gewicht.
Maagdelijkheid gold toenmaals voor een groote kracht en was het symbool
van het weerstandsvermogen tegen de voortdurende hinderlagen van den
duivel. Jeanne zelf was trouwens hiervan ook volkomen doordrongen. Had
zij niet zelf haren Heiligen bij een van hun eerste bezoeken de gelofte
gedaan, Maagd te zullen blijven, zoolang het God behagen zou? Noemt zij
zich zelf niet steeds met fierheid »Jeanne la Pucelle« en zal zij niet
later, bij het hooren van haar doodvonnis, jammeren en weeklagen »dat
haar lichaam, dat zij tot het einde toe rein en ongerept heeft weten te
bewaren, verbrand en tot asch verteerd moet worden?« Zoowel te Poitiers
als later te Rouaan zal zij zich telkens gedwee en gelaten aan het
onderzoek onderwerpen.
Het rapport van de dames-commissie, waarin o.a. zitting hadden genomen
de koningin van Sicilië en Jerusalem en de vrouw van den heer de
Gaucourt, luidde volkomen gunstig voor Jeanne: »que c'était une vraie et
entière pucelle.«
Dan eindelijk is het onderzoek afgeloopen: het heeft zes weken geduurd.
De commissie heeft hare conclusies opgesteld, die hier op neerkomen: Men
is van oordeel, dat de beloften, door Jeanne gedaan, geen Goddelijken
oorsprong hebben, doch zuiver menschelijk zijn, maar men heeft in haar
geen kwaad, doch uitsluitend goede eigenschappen kunnen vinden; zij
is nederig, maagd, vroom, eerlijk en eenvoudig. Aangezien zij beloofd
heeft, het bewijs van hare Goddelijke Missie te zullen leveren voor
Orléans, adviseert men, haar met hare soldaten en onder behoorlijk
geleide naar Orléans te laten oprukken, omdat men zich Gods hulp,
wanneer die wordt aangeboden, niet onwaardig mag toonen.
Een afschrift van deze conclusies, waarin één en ander behoorlijk
gestaafd wordt met aanhalingen en teksten uit de Heilige Schrift, wordt
gezonden naar alle steden van het koninkrijk en aan alle vorsten van de
bekende wereld.
Opgewekt en vol goeden moed, innig dankbaar, dat voor haar nu eindelijk
spoedig het oogenblik van handelen zal aanbreken, en zij weldra aan de
wereld zal kunnen toonen, wie zij is en wat zij met Gods hulp vermag,
vertrekt Jeanne van Poitiers naar Tours waar men voor hare bewapening en
uitrusting zorg zal dragen.
De Franschen van de eerste helft der vijftiende eeuw betoonen zich,
evenals hunne nakomelingen van den tegenwoordigen tijd, meesters in de
kunst der régie en mise-en-scène. Van het oogenblik af, dat men besloten
heeft Jeanne naar Orléans te geleiden, om haar in de gelegenheid te
stellen, hare beloften te vervullen, heeft men tevens ingezien, dat bij
eene onderneming als deze »een goede aankleeding« van groot belang is.
Aan een kundig wapensmid te Tours wordt op bevel van den koning
opgedragen, op maat voor Jeanne en haar krijgsros, een volledig harnas
te vervaardigen. In plaats van het lichte page-costuum, waarin zij uit
Vaucouleurs is vertrokken, krijgt het jonge meisje nu een blanke, stalen
wapenrusting te torsen, die bestaat uit een helm met beweegbare kinband
en vizier, een kuras, verder stalen platen ter bescherming van armen,
ellebogen en schouders, beenen, voeten en knieën, dan handschoenen, met
stalen plaatjes bekleed en een soort maliënkolder, die als een korte
rok onder uit het kuras op de dijen hangt.
Jean de Metz en Bertrand de Poulengy schaffen zich ook bij denzelfden
wapensmid een wapenrusting aan, die met het harnas van Jeanne op één en
dezelfde nota voorkomen.
De Heiligen van Jeanne hebben haar gezegd, waar zij het zwaard kan
vinden, dat zij dragen moet. Zoodra dan ook de overige deelen van de
wapenrusting gereed zijn, zendt zij haar wapensmid met een brief naar de
Gouverneurs van de kapel van de Heilige Cathérine van Fierbois. Volgens
hare aanduiding kan het zwaard dat voor haar bestemd is, gevonden worden
in de nabijheid van het altaar, waar het begraven is. Het is een roestig
zwaard, waarop vijf kruisjes gegraveerd staan.
Inderdaad vinden de priesters van de kapel na eenig graven op de
aangegeven plek een zwaard, als door Jeanne beschreven. Het wordt zonder
eenige moeite roestvrij gemaakt en blank geschuurd en daarna Jeanne
toegezonden met een schede, als geschenk van de priesters te Fierbois.
Dit geheimzinnige verhaal omtrent het zwaard van Fierbois, dat wij
hierboven wat de hoofdpunten betreft, weergeven naar de verklaring van
Jeanne zelf in het proces te Rouaan, is natuurlijk door hare geloovige
tijdgenooten gretig aanvaard als een wonder. Er is op dit dankbare thema
dadelijk ijverig voortgeborduurd.
Nauwkeurig volgens voorschrift van Jeanne en onder haar toezicht zijn
intusschen door een Schotschen schilder, genaamd James Power, hare
vaandels vervaardigd. Ze zijn drie in getal: een banier, een standaard
en een vaan.
De banier vertoonde een crucifix zonder meer. Zij wordt voortaan voor
Jeanne uitgedragen door een van de geestelijken uit haar gevolg.
Op de vaan, gedragen door een van hare dienaren, en die als
herkenningsteeken dienst deed, zag men een voorstelling van Maria
Boodschap: een engel, die de Heilige Maagd een lelie aanbiedt.
Het voornaamste van de drie was haar standaard. Hierover verklaart zij
in het proces te Rouaan:
»Dien droeg ik zelf, wanneer ik den vijand aanviel, om te voorkomen, dat
ik iemand doodde.... want ik heb nooit iemand gedood.«
Hij was van wit linnen, bezaaid met Fransche lelies; in het midden,
gezeten op een regenboog, God de Vader, de Koning der Hemelen, de eene
hand zegenend uitgestrekt en met de aardbol in de andere hand; aan
weerszijden lag een engel geknield, het zijn de Heilige Michaël en de
Heilige Gabriël, die God een lelie aanbieden. In het midden bovenaan
stond haar devies: »Jhesu Maria.«
* * * * *
Nu nog het gevolg van Jeanne.
Enkele personen, die met haar uit Poitiers gekomen waren, maakten
van het oponthoud te Tours gebruik, om deel te nemen aan de groote
pelgrimstocht naar het heiligdom van Notre Dame du Puy en Velay.
Bertrand de Poulengy was vermoedelijk een dier bedevaartgangers. De
terugreis maakte hij in gezelschap van een jongen Augustijner, Broeder
Pasquerel. Bertrand dringt er bij den Broeder op aan, dat deze kennis
zal maken met Jeanne. Op een morgen bezoeken zij haar samen in het hôtel
van Jean du Puy, waarin Jeanne haar intrek had genomen. Zij ontvangt den
jongen priester op hare gewone, hartelijke wijze met de woorden: »Het
doet mij genoegen, den eerwaarden vader te ontmoeten; ik heb reeds over
hem hooren spreken en morgen zal ik bij hem te biecht gaan.«
Van dien dag af werd broeder Pasquerel haar vaste biechtvader, haar
veldprediker. Hij bleef getrouw aan haar zijde, tot het einde toe, tot
den laatsten dag in Compiègne.
Verder vinden wij in het gevolg van Jeanne haar beide pages, Louis de
Contes en Raymond, twee herauten, de beide getrouwen Jean de Metz en
Bertrand de Poulengy, eenige gewone dienaren, en eindelijk haar trouwe,
brave schildknaap Jean d'Aulon, die zich te Blois onder hare bevelen
stelde, en die haar, evenals broeder Pasquerel niet meer verlaten zal
en zelfs aan hare zijde en tegelijk met haar te Compiègne zal worden
gevangen genomen.
Waarschijnlijk hebben ook te Tours reeds de beide broeders van Jeanne,
Pierre en Jean, zich bij haar staf aangesloten.
Na het vertrek van Jeanne uit Vaucouleurs was oom Durand aan de familie
te Domrémy gaan mededeelen, wat er gebeurd was. Toen men bekomen was van
den eersten schrik, besloot men zich te schikken in het onvermijdelijke,
en werden haar beide jongste broeders haar achterna gezonden om haar te
volgen en zoo noodig te beschermen.
Het eenvoudige boerendeerntje, dat in Februari van hetzelfde jaar (1429)
op bloote voeten en in een schamel, rood wollen jurkje haar dorpje had
vaarwel gezegd, verlaat thans Tours een van de laatste dagen van April
in een schitterende wapenrusting, voorafgegaan door hare banieren, aan
het hoofd van een groot gevolg, en in gezelschap van nog vele andere
voorname personaadjes, waaronder Regnault de Chartres, Rijkskanselier
en Aartsbisschop van Reims, om zich naar Blois te begeven, waar zij den
27en aankomt.