SERO. (spottend) En ’t sleutelgat?
WACHTER. (vroolijk) ’r Naast.
SERO. En de portier?
WACHTER. Ben ik—bijtijds!
SERO. Ha-ha, en dan m’n buik—m’n buik gezwollen zevenmaandsch van ’t
kostelijke voer—zal die z’n vel niet langs de posten schaven?
WACHTER. Als je je riem wat snoert, kost ’t geen blauwe buil! Ha-ha-ha!
En minder nog ’n miskraam!
SERO. De guiterij is goed! Ik dank je wel voor zooveel snaaksheid op
mijn nuchtre maag!
WACHTER. Pardieu, ’k steek je den lepel in je mond!... Hier, in
ditzelfde hok, heeft eens ’n dief-in-’t-groot meer dan ’n jaar gewurmd,
die zei dat-ie krankzinnig was—en maandenlang heb ik z’n kunsten
afgeloerd, als-ie alleen, vergat z’n fratsen uit te halen! ’k Ging op
de tafel staan en schoof ’n ijzren val ’n vingerbreed omhoog! Hoef ik
nog meer te zeggen?... (Sero grijpt de tafel) Pas op! Nou niet! Wacht
tot ’t donker is! De kommandant kan ieder oogenblik... Pardieu,
verdoemd! ’r Kijkt een door ’t luik! (dreigend en schreeuwend) Dat’s
hier ’n bende, sakkerjuu! Je lamp hoort bij de deur—je emmer ook!
SERO. Jawel meneer!
WACHTER. Wat vlugger, hè!
SERO. Haasten doet niemand die gelóóft, en die niet storten wil—hij ’s
vol tot aan den rand...
WACHTER. (de deur openend) Je bek gehouen en geen tegenspraak! En als
je weer zoo treuzelt met ’t ruimen van je cel, ben jij ’r vierkant bij!
(zet lamp en emmer buiten, kijkt de gang af, zacht) Hij ’s weg! Van mij
weet je geen woord!
SERO. Geen woord!
WACHTER. Wacht tot ’t donker is! En eerder niet! De schobbejak! De
smiegd!... Kan ’k nòg wat voor je doen?
SERO. (enkel aandacht voor de schouw) Nee, niemendal!