EERSTE TOONEEL.

Sero. Wachter.

WACHTER. (ontsluit deur van rechter-kerker, waar Sero bij de kleine

olielamp zit te schrijven. Bij ’t gerinkel der sleutels verbergt de

laatste snel eenige papieren. De wachter controleert of het bed goed

ingeslagen is, staat in nadenken, werpt dan verwoed z’n sleutelbos

tegen den grond) Pardieu! Pardieu!

SERO. Ontstemt u iets, mijn dienaar en mijn vriend?

WACHTER. ’k Zou kunnen springen uit m’n vel, pardieu!

SERO. Ha-ha-ha, dat is een sprong, die zelfs geen paling uit den nood

helpt, kameraad!

WACHTER. Jij ziet me hier voor ’t laatst—ik ben gesjeesd—ben aan den

dijk gezet....

SERO. ’k Wou dat ik mèt jou op dien dijk mocht gaan!

WACHTER. Is ’t geen schooiersstreek me zoo op staanden voet, omdat ik

diefstal rapporteer, ’t groote gat te wijzen? Is ’t niet ongehoord me

uit m’n brood te trappen, om ’n onvertogen woord?... De heele

maatschappij is rot!....

SERO. (spottend) Juist, Juist! Jij slaat den spijker op zijn harden

kop! Ga zitten, maat. Jij wordt ’t zitten waard! (ordent de papieren,

presenteert stoel, wipt zelf op tafel.)

WACHTER. Ik rapporteer—begrijp nou goed, pardieu!—dat van ’t leer,

waarvan ze schoenen snijden...

SERO. Voor de rakkers...

WACHTER. Gestolen wordt...

SERO. Dat ’s dom!

WACHTER. Wat?... ’t Stelen?

SERO. Nee—’t rapporteeren!

WACHTER. Waarom? Waarom, pardieu!

SERO. Omdat—wel, bij mijn idealen en jóúw baard!—hiér iedre dief een

diefjesmaat moet hebben. En dan: ad één, den Staat bestelen is geen

schelmerij. Jij had geen oogje, maar twee oogen moeten knijpen—als een

kat in ’t licht! Men rapporteert niet als de boeken kloppen. Wat aan

den officiëelen maatstok kleeft—dat telt niet mee. En àls ’t telt, dan

telt ’t tikken op de vingers, van wie te lange neuzen heeft. Jouw neus

was hier te lang—en ook je tong. Begrepen, ha-ha-ha?

WACHTER. Begrepen, nee, pardieu! Hoe kan ’k begrijpen, als jij ’t zelf

niet snapt? (legt zijn uitgegane sigaar op tafel neer) Ik rapporteer

dat van ’t leer en dat vannacht álweer...

SERO. ... Gestolen is.

WACHTER... Gestolen is! Toen zeit de kommandant: jij kletst—gestolen

wordt hier niet...

SERO. (die de sigaar genomen heeft en haar aan de lamp op poogt te

steken) Dat dacht ik wel!

WACHTER. Ik zeg: ’t is niet alleen van ’t leer maar ook van ’t spek en

van ’t meel en van....

SERO. .... En van de rest, ja, ja! Heb jij een lucifer?

WACHTER. (verstrooid, hevig in z’n klacht geïnteresseerd doorpratend)

Toen wordt hij valsch en vuil en schelt me uit voor sufkop, halve gare,

idioot... (strijkt lucifer af) en zeit: as jij wat minder zoop, dan zou

jij niet zoo dubbel zien. Ik zeg: ik zie niet dubbel, ’k zie te weinig!

Had ik geen gelijk? ’k Geef ’m den wind van vore en van achter—en sta

op straat! Je eten wordt al door ’n ander straks gebracht, pardieu!

SERO. (dampend) Je neus—je tong—net als ik zei!

WACHTER. Wat zou jij doen in mijn geval?

SERO. Met heel bekwamen spoed mijn boeltje pakken! (de lamp uitblazend)

’t Wordt ’n zomerdag vandaag, om in ’t bosch te loopen fluiten (begint

op en neer te stappen)—om bij de kreek te liggen in ’t gras—om met ’n

open mond te droomen, wachtend op manna, zonder gist, ha-ha-ha! Ja, ’t

gist nog in mijn oud karkas, als ’t in ’t Oosten daagt met zwarte

strepen van de tralies!... Wees blij, m’n vriend, dat jij de plaat hier

poetst—en verder gaan mag dan dat drie en vier, dat ik met taai geduld

van ’s morgens tot den laten nacht doorstap! Jij ben de een’ge wel, die

zich verzet, als van de kooi ’t deurtje openwipt! Ik zit ’n week al,

week van zeven dagen, zeven nachten, honderd vijf en zestig uren

welgeteld... Als mij de kommandant op staanden, staanden voet de andre

zij van dezen muur, waarop de schimmel hare schoven stouwt, laat zien,

dan weet mijn rechter wat mijn linker doet—en als ’k nog omkijk mag ik

vrij van rechten en accijns een zoutzuil worden, als ’t brave wijf van

Lot!... (raapt den sleutelbos op) Je loopers, vriend! Bij alle Heiligen

der Heil’ge Kerk, bij alle Sinten en Apostels, die Boven hebben vrij

logies, vrij stoken en vrij licht, jij brengt me gloeiend in

verzoeking!

WACHTER. Pardieu, ’t is mak’lijk spotten met ’n anders ongeluk! Ik heb

’n vrouw...

SERO. Dat ongeluk heeft meer dan een, die tot geluk geschapen werd...

WACHTER.... Ik heb ’n vrouw die als ’n helleveeg regeert en om ’n

vlooiebeet ’n hallef jaar van streek is! Als ik, pardieu!, daar thuis

kom zonder uniform, als ’k hier niet blijven mag, krabt ze mijn goed

stel oogen uit! Pardieu, hij’s nog niet van me af! ’k Ga requestreeren,

requestreeren dag aan dag!...

SERO. De snippermand van staat, mijn opgewonden vriend, kent ’t geluid

van stuk-gescheurde paperassen!

WACHTER. Wat dan? Geef dan ’n raad! Jij zit toch hier, omdat jij preekt

voor recht en billijkheid! Jij komt toch op voor ieder die verdrukt...

SERO. Nee, nee, nou laster je, mijn vriend!... ’k Eet jullie rats en

gort, omdat ’k ontuchtig ben!

WACHTER. Als jij mij helpt dan help ik jou!

SERO. Dan help jij mij? Met wat? Met ladders, vijlen en ’n kreuplen

knol, om in ’n ander land weer opgepikt te worden? Ik ken dat

hazardspel. En dan—als ’t kon—als ik op vrije voeten... (vrije voeten

wat ’n hoon, waar in geen stad, geen dorp, ’n mensch vrij-uit bewegen,

spreken, dènkend-spreken mag!)... als ik ’t zonlicht zonder tralies

zie—laat ’k dan m’n kind niet in dit wanhoopshuis! Was ’t niet mijn

troost dat jij me zei, dat ’t zelfde dak ons tegen wind en regen

schut?... Nee, nee, ik dank je wel—en jij, wil jij hier blijven met

geweld...

WACHTER. Natuurlijk! Ja!

SERO. Steel dan van ’t leer, dat hier vannacht gestolen werd, en eer je

’n rozenkrans of tien voor al de misdaad in dit toevluchtsoord

gedraaid, ben jij m’n buurman dáár...

WACHTER. Dáár kan niet—dáár... Nou goed, je zal ’t weten, nou ze zoo’n

judasdaad an me begaan! Dat is m’n eerste wraak vóór ’t requestreeren,

want requestreeren ga ’k op slag: dáár zit je dochter! (Sero schudt

glimlachend-ontkennend ’t hoofd) Nee? Ja! Al van den eersten dag!

SERO. Zoo, zoo. Wel, wel! Zit daar? (pijnlijk lachend) Ha-ha-ha, als je

’t eerder had gezegd, dan had ik eens geklopt, zooals de boef

hierboven, die om ’t uur zijn knokels op de planken praten laat! Daar

heb je ’m net! (geklop)

WACHTER. Dat is ’n moordenaar—heeft toen-ie bij ’n diefstal werd

gesnapt, z’n mes getrokken! Dáár—pardieu, geloof ’t niet!—daar is je

dochter!

SERO. Als je niet liegt: wat helpt òns dat? De wanden hebben ooren

hier, maar niet voor mij en haar!

WACHTER. Ooren èn oogen—als je wil!

SERO. Begrijp ik niet. Dat’s raadseltaal.

WACHTER. ’k Draai ze ’n loer, die heugen zal! De schoft, de schobbejak!

(luistert schrikkend aan de deur) Jij kan zoo veel, zoo lang, zoo

dikwijls als ’t je past, ’r zien en met ’r spreken!

SERO. (ongeloovig) Ja, ja! Dat is ’n fijne wraak van jou! Máár—máár,

wie zal zoo hoflijk zijn de deuren te ontsluiten? Straks komt de andre

wachter, heb jezelf gezeid!

WACHTER. (naar den schouw wijzend) Dat’s eens ’n schouw geweest!

SERO. Geweest, ja, ja!

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 143 / 167 题