DERDE TOONEEL.

De vorigen, Regina, eerste Rakker.

RAKKER. En vlug wat! (zij zet zich op de bank) Nee, daar niet!... Dáár!

REGINA. Daar? Waar?

RAKKER. Sta op!

REGINA. Mensch, man—’k ben bek-af...

RAKKER. Mot ’k geweld?...

REGINA. (op de bank haar mouw opstroopend) Of je geweld gebruiken

moet?... Nog meer geweld?... Je kompleete tien gebojen staan ’r in! (’r

rok optillend, dat de kuit zichtbaar wordt) En m’n rokken heb je

afgetrapt of ’t dwijlen waren!

RAKKER. (tot Soldenier)... Dat vertelt de sloeber nou alleen om ’r

kuiten te laten zien, hahaha!

SOLDENIER. (naast haar zittend)... Schoone joffer—ik zou ’r ’n eed op

doen, dat we mekaar van héél dichtbij hebben gekend.

REGINA. (hem op de knie kloppend) Hahaha!... Ik ook! Jij ben de man met

’n moedervlek als ’n muis!

SOLDENIER. Klopt!.... Dan ben jij....

REGINA. Ja! Ja! Hahaha! (den Rakker die haar in de wang knijpt ’n tik

op de hand gevend). Wel allemachtig! Buiten knijpen.... (toont haar arm

aan den Soldenier die er een zoen op geeft).... binnen aaien—ben jij

gek!

RAKKER. Buiten riep m’n plicht—en als die roept, ben ik ’n slaaf—maar

binnen, binnen.... word ’k mensch en ieder mensch is zwak, ha-ha-ha!

(zet zich ook op de bank).

REGINA (tusschen de twee in).... Kerels, kerels, jullie doen als

vliegen bij de suiker! Toe schuif wat op! (tot Soldenier). Wat zeg jij

van zoo’n sallemander, zoo’n verdraaiden judas (den Rakker ’n tik

gevend)—handen thuis!—zoo’n gedrocht?.... Dat komt me halen—of ’k wil

of niet!—dat sleept me mee, met honderd menschen op m’n hielen—zegt

niet waarvoor....

RAKKER. Hoe weet ìk dat, m’n toet? Als mij gelast wordt: haal je vrouw,

of haal ’r moeder’s moer—dan vraag ik niet, dan weet ik niet, dan klets

ik niet—dan hààl ik—en soms haal ik met plezier... (legt arm om haar

middel).

SOLDENIER. (dien wegduwend).... Ho! Ho!.... Die plaats die is bezet.

RAKKER. Wat is bezet?

SOLDENIER (lachend). Ik heb de oudste rechten!

RAKKER. Nee ik! Want ik moet toezicht op ’r houen!

SOLDENIER. Wie van ons twee heeft de klandizie van l’amour?.... Nou zeg

’t zelf, Regien—zoo heet je toch?

REGINA. Toe, toe!... Twéé knieën is te veel! Vindt jij dat lekker in

die warmte?... ’k Ben smòòr op wie ’t meeste dokt! Dok jij—dokt hij—ìk

hou m’n hand. Jij ben ’n knappe vent—en jij ’n schat.. Als ’k hier

(bootst met de handen een bascuul na)—als ’k hier, ha-ha-ha!, jouw hart

hou, híer ’t jouwe—dan gaat de weegschaal op en neer—dan ben ’k op jou

verkikkerd en op jou verzeten—razend met jou en door ’t dolle heen met

jòù!..! Is jouw beurs ’t zwaarst, dan doe ik zoo—en is de jouwe stevig,

zoo! Ha-ha-ha: die twéé paar schelvischoogen!...

SOLDENIER. Dus krengekop: jij heb geen zoetelief?..

RAKKER. Geen (bluffend).... die jij naar zijn snor en oogen kijkt? En

die z’n beentjes vrij uit in je bedje steekt, ha-ha-ha!

REGINA. Nee, kerels, nee! Die tijd die is voorbij! Schenkt jou de

bakker brood en wat je verder met ’t draaien aan dat ding (bootst z’n

gepluk aan de snorharen na) komt vragen? Stopt jou de slager spek en

worst en Zaterdags ’n pondje lenden in je léége handen? Geeft jou je

huisjesmelker zoomaar onderdak? Waar werk jij met je oogen en je snor

’n borrel los, ha-ha-ha? Nee, kerels—’k ben niet gekker dan ’n ander,

niet stommer en niet braver! O zoo! ha-ha-ha!... Wie alles uit z’n huis

draagt gaat failliet—wie open tafel houdt, krijgt zelf geen kluiven en

wie—ach Jezis, jongens, ’t is zoo warm!—wie van de lucht wil leven, eet

zich geen spekrug (den rug van den Soldenier bekloppend) en geen buik

van negen maanden, ha-ha-ha! (klopt den Rakker op z’n buik).

SOLDENIER (zich lachend omdraaiend). Nou grappenmaker in je kooi—heb

jij je tong verloren? Hééé! ’k Heb ’t tegen jou! Durf jij niet naar dat

prachtwijf kijken, dat je ons je ribbenkast van achter toont?

SERO. (zich naar hen toekeerend). M’n ooren zien meer dan me lief is...

(tot Regina, die angstig opgesprongen is). Goeien dag. Wel geslapen,

Regina, koningin van den nacht? Niet van me gedroomd..?

REGINA. Jij hier? Heb jìj daar al dien tijd gezeten?

SERO. Gezeten ja—ik zit. Nee, loop niet achteruit—ik zit sekuur—en dan

ik doe geen schepsel ook maar zóóveel kwaad... Dat weet jij toch....

SOLDENIER. Wel allemachtig—is dat, dat aapmensch, ook een van je

klanten?

SERO. Ja, ja. Een van ’r alleroudste—waar of niet, Regien! Al was ’k

niet de eerste, waar of niet, Regien? ’t Spijt me machtig, dat ik heb

gestoord.... Ga zitten, menschen... En praat rustig verder!...

(geeuwt)... Ik heb—m’n kaken springen van mekander—’n slaap, ’n

goddelooze slaap of ’k tién roezen uit moet slapen... Geneer je niet—ik

speel geen luistervink, Regien... (zet zich weer op de bank met den rug

naar de anderen gekeerd).

RAKKER. Ken jij dat heer?

REGINA. (vinger op den mond)... Dat is—dat is...

SOLDENIER.... Dat is ’r minteneur!

SERO (’t hoofd naar de tralies)... Nee, nee—ik ben de vader van ’r

kind—èn, als ’k me niet bedrieg—en ’t niet verkeerd geboekt staat in de

folianten van den godgezant, die ons voor weinig penningen—te

spotgoedkoop, voorwaar, voorwaar!—zijn allerheiligste zegen gaf—en zij

’t zich nog herinnert (ik zelf was het haast kwijt!)—en jullie twee ’t

niet aan iedereen verklapt: ik ben, ik ben ’r lijfelijke man, ’r

màn.... Ja, Ja—ha, ha!—’t was voor zestien jaar en zeven maanden en

dertien dagen—in Mei—als elke vogel legt ’n ei—in Mei, dat wij de

voorste vingers van twee rechterhanden (tweemaal twee is tien) naar den

hemel staken—omdat, omdat ons, òns kind op komst was—òns kind, niet

waar, Regien.... Ja, ja—en nou—en nou....

SOLDENIER. En nou?.... Nou visch je achter ’t net, ha-ha-ha!

RAKKER. Nou draagt-ie op z’n test ’n honderd hoornen, ha-ha-ha!

SOLDENIER. Nou heeft-ie òns daar net gesnapt, ha-ha-ha!

RAKKER. Nou zit-ie op z’n sokken in ’n kooi, ha-ha-ha!

SOLDENIER. En geeft je pootjes, als je ’t vriendlijk vraagt, Regien,

ha-ha-ha! En wacht zìjn beurt om in je armen weer te leggen, ha-ha-ha!

SERO. Ik heb geen bek voor dàt soort spek! (zij schopt achter het koord

de schoenen weg) Eerst hij, nou jij! Alle negen! Dat wordt ’n kegelspel

met schoenen die de tand des tijds nog beter dan ik zelf doorstonden!

Ben je ontstemd, Regien, of is ’t de vreugde van ’t wederzien, na

zooveel jaren?

REGINA (kwaadaardig). Ik zou van leut en lol wel kunnen dansen! Dat

merkt-ie nog niet eens! Dat vraagt ’t schepsel! Wil je ’t soms zwart op

wit?

SERO. Och nee—die twéé getuigen zijn voldoende.. En de pure, malsche

blijdschap op je aangezicht!

REGINA. Zoo heeft-ie jaren lang, me ieder uur gesard, gehitst,

gekweld.... ’n Adder heeft geen giftiger tong.... Man, man ik háát je

zoo!

SERO (triestig-glimlachend). Ja, ja, ’t kan verkeeren.

REGINA (nijdig tot Rakker). Nou! ’k Kan m’n tijd gebruiken! Moet ’k

langer samen met dien kerel? Als ’k z’n lachen als ’n monster zie, is

heel m’n week vergald!

SERO. Als ìk vergal—vergulden andren!.... En àls ik monsterachtig

lach... (rondkijkend)—wat drommel, hangt hier nergens in dit weelderig,

volmaakt gemak ’n spiegelscherf, dat ik me overtuigen kan, en mogelijk

zóó lamgeslagen sta, dat deze gruwellach z’n eigen dood besterft?—als

’k leelijk, onvertogen, ongepast, en jou ’n hééle week vergallend lach:

ik ben geschapen met de hulp van drie—door vader, moeder en door God

(alleen de laatste is in leven!)—en heb me zelf niets van mijn manlijk

schoons en leelijks toebedeeld, noch toegewenscht! (zij keert zich

driftig om, zet zich voor de tafel)... Goed zoo! Van achter zien we

niet—geen kleur, geen schoen, geen hindernis, geen kushand en geen

judaslach.... De Satan voer in een der twaalf—’t staat beschreven!

REGINA. We zullen zien—wie ’t laatste lacht!

SERO. ’t Laatste lacht, wie ’t laatste leeft! Je blaast je lach uit als

’n kaars, mèt dat je laatste adem gaat!

REGINA. Jij niet! Jij niet!

SERO. Ik niet?

REGINA. Jij grijnst nog in je graf!

SERO. Als jij ’r op komt bidden zeker!

RAKKER. Ha-ha-ha! Ja, ja—dié zijn getrouwd! ’t Klopt!

SOLDENIER. Wel selderju—dat hoor je van ’t spullevolk, als ’t jaarmarkt

is, niet beter! Kischt! Kischt!.... Laat je niet plukken, meid!

RAKKER. Vooruit! Toe dan, ha-ha-ha! ’t Liep zoo lekker en gesmeerd! Leg

je ’t af, Regien?

REGINA. Ik wreek me wel—vandaag of morgen.

SERO. Vandaag! Dat ’s dichterbij en houdt ’t vuurtje warm!

REGINA. Klets toe—ik zeg geen woord, geen woord meer!

SERO. Geen woord? Dat is ’t einde. Want in den Beginne wàs het

Woord....

SOLDENIER. Ach gekke kerel loop!

SERO. Als ik maar loopen kòn!

RAKKER. Dan liep zij kwispelstaartend met je mee, ha-ha-ha! (zakt

lachend van de bank op den grond).

REGINA. Met dien stumper, dat gedrocht, dat hatelijk verschijnsel, dat

mirakel, dat ellendig wurm, ha-ha!

SERO. Let op—dàt was ’r láátste woord!

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 135 / 167 题