De vorigen, Regina, eerste Rakker.
RAKKER. En vlug wat! (zij zet zich op de bank) Nee, daar niet!... Dáár!
REGINA. Daar? Waar?
RAKKER. Sta op!
REGINA. Mensch, man—’k ben bek-af...
RAKKER. Mot ’k geweld?...
REGINA. (op de bank haar mouw opstroopend) Of je geweld gebruiken
moet?... Nog meer geweld?... Je kompleete tien gebojen staan ’r in! (’r
rok optillend, dat de kuit zichtbaar wordt) En m’n rokken heb je
afgetrapt of ’t dwijlen waren!
RAKKER. (tot Soldenier)... Dat vertelt de sloeber nou alleen om ’r
kuiten te laten zien, hahaha!
SOLDENIER. (naast haar zittend)... Schoone joffer—ik zou ’r ’n eed op
doen, dat we mekaar van héél dichtbij hebben gekend.
REGINA. (hem op de knie kloppend) Hahaha!... Ik ook! Jij ben de man met
’n moedervlek als ’n muis!
SOLDENIER. Klopt!.... Dan ben jij....
REGINA. Ja! Ja! Hahaha! (den Rakker die haar in de wang knijpt ’n tik
op de hand gevend). Wel allemachtig! Buiten knijpen.... (toont haar arm
aan den Soldenier die er een zoen op geeft).... binnen aaien—ben jij
gek!
RAKKER. Buiten riep m’n plicht—en als die roept, ben ik ’n slaaf—maar
binnen, binnen.... word ’k mensch en ieder mensch is zwak, ha-ha-ha!
(zet zich ook op de bank).
REGINA (tusschen de twee in).... Kerels, kerels, jullie doen als
vliegen bij de suiker! Toe schuif wat op! (tot Soldenier). Wat zeg jij
van zoo’n sallemander, zoo’n verdraaiden judas (den Rakker ’n tik
gevend)—handen thuis!—zoo’n gedrocht?.... Dat komt me halen—of ’k wil
of niet!—dat sleept me mee, met honderd menschen op m’n hielen—zegt
niet waarvoor....
RAKKER. Hoe weet ìk dat, m’n toet? Als mij gelast wordt: haal je vrouw,
of haal ’r moeder’s moer—dan vraag ik niet, dan weet ik niet, dan klets
ik niet—dan hààl ik—en soms haal ik met plezier... (legt arm om haar
middel).
SOLDENIER. (dien wegduwend).... Ho! Ho!.... Die plaats die is bezet.
RAKKER. Wat is bezet?
SOLDENIER (lachend). Ik heb de oudste rechten!
RAKKER. Nee ik! Want ik moet toezicht op ’r houen!
SOLDENIER. Wie van ons twee heeft de klandizie van l’amour?.... Nou zeg
’t zelf, Regien—zoo heet je toch?
REGINA. Toe, toe!... Twéé knieën is te veel! Vindt jij dat lekker in
die warmte?... ’k Ben smòòr op wie ’t meeste dokt! Dok jij—dokt hij—ìk
hou m’n hand. Jij ben ’n knappe vent—en jij ’n schat.. Als ’k hier
(bootst met de handen een bascuul na)—als ’k hier, ha-ha-ha!, jouw hart
hou, híer ’t jouwe—dan gaat de weegschaal op en neer—dan ben ’k op jou
verkikkerd en op jou verzeten—razend met jou en door ’t dolle heen met
jòù!..! Is jouw beurs ’t zwaarst, dan doe ik zoo—en is de jouwe stevig,
zoo! Ha-ha-ha: die twéé paar schelvischoogen!...
SOLDENIER. Dus krengekop: jij heb geen zoetelief?..
RAKKER. Geen (bluffend).... die jij naar zijn snor en oogen kijkt? En
die z’n beentjes vrij uit in je bedje steekt, ha-ha-ha!
REGINA. Nee, kerels, nee! Die tijd die is voorbij! Schenkt jou de
bakker brood en wat je verder met ’t draaien aan dat ding (bootst z’n
gepluk aan de snorharen na) komt vragen? Stopt jou de slager spek en
worst en Zaterdags ’n pondje lenden in je léége handen? Geeft jou je
huisjesmelker zoomaar onderdak? Waar werk jij met je oogen en je snor
’n borrel los, ha-ha-ha? Nee, kerels—’k ben niet gekker dan ’n ander,
niet stommer en niet braver! O zoo! ha-ha-ha!... Wie alles uit z’n huis
draagt gaat failliet—wie open tafel houdt, krijgt zelf geen kluiven en
wie—ach Jezis, jongens, ’t is zoo warm!—wie van de lucht wil leven, eet
zich geen spekrug (den rug van den Soldenier bekloppend) en geen buik
van negen maanden, ha-ha-ha! (klopt den Rakker op z’n buik).
SOLDENIER (zich lachend omdraaiend). Nou grappenmaker in je kooi—heb
jij je tong verloren? Hééé! ’k Heb ’t tegen jou! Durf jij niet naar dat
prachtwijf kijken, dat je ons je ribbenkast van achter toont?
SERO. (zich naar hen toekeerend). M’n ooren zien meer dan me lief is...
(tot Regina, die angstig opgesprongen is). Goeien dag. Wel geslapen,
Regina, koningin van den nacht? Niet van me gedroomd..?
REGINA. Jij hier? Heb jìj daar al dien tijd gezeten?
SERO. Gezeten ja—ik zit. Nee, loop niet achteruit—ik zit sekuur—en dan
ik doe geen schepsel ook maar zóóveel kwaad... Dat weet jij toch....
SOLDENIER. Wel allemachtig—is dat, dat aapmensch, ook een van je
klanten?
SERO. Ja, ja. Een van ’r alleroudste—waar of niet, Regien! Al was ’k
niet de eerste, waar of niet, Regien? ’t Spijt me machtig, dat ik heb
gestoord.... Ga zitten, menschen... En praat rustig verder!...
(geeuwt)... Ik heb—m’n kaken springen van mekander—’n slaap, ’n
goddelooze slaap of ’k tién roezen uit moet slapen... Geneer je niet—ik
speel geen luistervink, Regien... (zet zich weer op de bank met den rug
naar de anderen gekeerd).
RAKKER. Ken jij dat heer?
REGINA. (vinger op den mond)... Dat is—dat is...
SOLDENIER.... Dat is ’r minteneur!
SERO (’t hoofd naar de tralies)... Nee, nee—ik ben de vader van ’r
kind—èn, als ’k me niet bedrieg—en ’t niet verkeerd geboekt staat in de
folianten van den godgezant, die ons voor weinig penningen—te
spotgoedkoop, voorwaar, voorwaar!—zijn allerheiligste zegen gaf—en zij
’t zich nog herinnert (ik zelf was het haast kwijt!)—en jullie twee ’t
niet aan iedereen verklapt: ik ben, ik ben ’r lijfelijke man, ’r
màn.... Ja, Ja—ha, ha!—’t was voor zestien jaar en zeven maanden en
dertien dagen—in Mei—als elke vogel legt ’n ei—in Mei, dat wij de
voorste vingers van twee rechterhanden (tweemaal twee is tien) naar den
hemel staken—omdat, omdat ons, òns kind op komst was—òns kind, niet
waar, Regien.... Ja, ja—en nou—en nou....
SOLDENIER. En nou?.... Nou visch je achter ’t net, ha-ha-ha!
RAKKER. Nou draagt-ie op z’n test ’n honderd hoornen, ha-ha-ha!
SOLDENIER. Nou heeft-ie òns daar net gesnapt, ha-ha-ha!
RAKKER. Nou zit-ie op z’n sokken in ’n kooi, ha-ha-ha!
SOLDENIER. En geeft je pootjes, als je ’t vriendlijk vraagt, Regien,
ha-ha-ha! En wacht zìjn beurt om in je armen weer te leggen, ha-ha-ha!
SERO. Ik heb geen bek voor dàt soort spek! (zij schopt achter het koord
de schoenen weg) Eerst hij, nou jij! Alle negen! Dat wordt ’n kegelspel
met schoenen die de tand des tijds nog beter dan ik zelf doorstonden!
Ben je ontstemd, Regien, of is ’t de vreugde van ’t wederzien, na
zooveel jaren?
REGINA (kwaadaardig). Ik zou van leut en lol wel kunnen dansen! Dat
merkt-ie nog niet eens! Dat vraagt ’t schepsel! Wil je ’t soms zwart op
wit?
SERO. Och nee—die twéé getuigen zijn voldoende.. En de pure, malsche
blijdschap op je aangezicht!
REGINA. Zoo heeft-ie jaren lang, me ieder uur gesard, gehitst,
gekweld.... ’n Adder heeft geen giftiger tong.... Man, man ik háát je
zoo!
SERO (triestig-glimlachend). Ja, ja, ’t kan verkeeren.
REGINA (nijdig tot Rakker). Nou! ’k Kan m’n tijd gebruiken! Moet ’k
langer samen met dien kerel? Als ’k z’n lachen als ’n monster zie, is
heel m’n week vergald!
SERO. Als ìk vergal—vergulden andren!.... En àls ik monsterachtig
lach... (rondkijkend)—wat drommel, hangt hier nergens in dit weelderig,
volmaakt gemak ’n spiegelscherf, dat ik me overtuigen kan, en mogelijk
zóó lamgeslagen sta, dat deze gruwellach z’n eigen dood besterft?—als
’k leelijk, onvertogen, ongepast, en jou ’n hééle week vergallend lach:
ik ben geschapen met de hulp van drie—door vader, moeder en door God
(alleen de laatste is in leven!)—en heb me zelf niets van mijn manlijk
schoons en leelijks toebedeeld, noch toegewenscht! (zij keert zich
driftig om, zet zich voor de tafel)... Goed zoo! Van achter zien we
niet—geen kleur, geen schoen, geen hindernis, geen kushand en geen
judaslach.... De Satan voer in een der twaalf—’t staat beschreven!
REGINA. We zullen zien—wie ’t laatste lacht!
SERO. ’t Laatste lacht, wie ’t laatste leeft! Je blaast je lach uit als
’n kaars, mèt dat je laatste adem gaat!
REGINA. Jij niet! Jij niet!
SERO. Ik niet?
REGINA. Jij grijnst nog in je graf!
SERO. Als jij ’r op komt bidden zeker!
RAKKER. Ha-ha-ha! Ja, ja—dié zijn getrouwd! ’t Klopt!
SOLDENIER. Wel selderju—dat hoor je van ’t spullevolk, als ’t jaarmarkt
is, niet beter! Kischt! Kischt!.... Laat je niet plukken, meid!
RAKKER. Vooruit! Toe dan, ha-ha-ha! ’t Liep zoo lekker en gesmeerd! Leg
je ’t af, Regien?
REGINA. Ik wreek me wel—vandaag of morgen.
SERO. Vandaag! Dat ’s dichterbij en houdt ’t vuurtje warm!
REGINA. Klets toe—ik zeg geen woord, geen woord meer!
SERO. Geen woord? Dat is ’t einde. Want in den Beginne wàs het
Woord....
SOLDENIER. Ach gekke kerel loop!
SERO. Als ik maar loopen kòn!
RAKKER. Dan liep zij kwispelstaartend met je mee, ha-ha-ha! (zakt
lachend van de bank op den grond).
REGINA. Met dien stumper, dat gedrocht, dat hatelijk verschijnsel, dat
mirakel, dat ellendig wurm, ha-ha!
SERO. Let op—dàt was ’r láátste woord!