Sero, Soldenier.
SERO. Dat’s niet te hoog, niet te breed, niet te diep hier—gewapende
macht! Maar ruim genoeg voor mijn beetje gedachten—en voor de jouwe ’r
bij, als ik je niet beleedig! (op ’t bankje in ’t hok neerzittend) Ha!
Ha! Een aan alle eischen des tijds beantwoordende luierstoel... Heeft u
er geen bezwaar tegen, gewapende macht, dat mijne sokken het daglicht
aanschouwen?... (trekt zijn ouwe schoenen uit). Ben in geen tweemaal
vier en twintig uur uit de kleeren geweest—en—en—(moeilijk-trekkend)
vastgeroest!—een van twee: deze voorwerpen van de laatste mode zijn
hoogst-eigenzinnig gekrompen, òf m’n voeten hebben zich in groeistuip
gezet...... Pang!... Da’s een... (met den wijsvinger op een gat in de
kous, dat de hiel bloot legt)... Geen eerste, geen tweede kwartier:
volle maan!... Zelfs met de merkwaardige vlekken, die men vroeger voor
zeeën aanzag! Galileï... (zich onderbrekend)... O?... Luister je
niet?... (tweeden schoen uitwringend) Bij mijn ziel, en bij de ziel van
de koe of den stier, die eens... (hijgend stoppend)—daar blaas ik mijn
adem bij uit!—die eens hier in stak—dat noem ’k weerbarstig...
(trekt—de schoen vliegt uit, hij tuimelt van de bank op den grond)
Ha-ha-ha! (De soldenier schiet mee in ’n schaterlach)... Ha-ha-ha! ’k
Zou op die manier ’n leelijken smak hebben gedaan, als ’k in vrijheid
boven op ’n dakgoot was gedresseerd, ha-ha-ha!...
SOLDENIER. Dat zou je, ha-ha-ha!
SERO. (weer op de bank)... Hé!... Wel ’t wonder! Práát jij... Dùrf jij
praten?...
SOLDENIER. Waarom zou ’k dat niet durven?
SERO. Ja, waarom zou je ’t niet—jij ziet beter dan ik of ’r geen
derde-met-gezag in de buurt is! Gewapende macht, gewapende macht, nou
heb ’k in deze veilige behuizing nog maar één wensch! Neem een spons,
vul die met edik, steek ze op een rietstok of op je schoudergeweer, en
hou ’r door de tralies dezer leeuwenkooi!
SOLDENIER. (bot)... Wat wil je?... Wat mot je?
SERO. Water.
SOLDENIER. Mag niet.
SERO. Weet je dat zeker?
SOLDENIER. Zoo zeker als tweemaal twee vier...
SERO. Da’s lang niet zeker, vriend—vriend, als ’k je niet voor de
tweede maal beleedig!—tweemaal twee lasteraars zijn méér dan vier, zijn
ontelbaar!—tweemaal twee halve zijn twee hééle, hahaha!—en tweemaal
twee vlooien vóél je als, als...
SOLDENIER. Als ’n dozijn, hahaha! Daar, drink uit m’n flesch,
grappenmaker!
SERO. (de veldflesch door de tralies aannemend). Dank je, barmhartige!
(drinkt gulzig)... Hè! Hè! Dat kan jouw en mijn Heiland, bij de fontein
Jacob’s in ’t land Samarië, niet beter gesmaakt hebben!... (drinkt nog
eens)... Hè!... ’t Was alles hierbinnen aan ’t verdorren... (drinkt)...
Hè!... Jij ben ’n—’n—’n christen... Dáár... Da’s de gróótste
onderscheiding!...
SOLDENIER. Stop! Stop! Laat ’r voor mij nog wat in!
SERO. (de flesch ondersteboven houdend)... Te laat! Had je éven vroeger
dienen te zeggen... (den mond der flesch met ’n goren lap drogend)...
Zoo, kameraad—dat ’s hèt voorbehoedmiddel tegen puisten!... Dank je!
SOLDENIER. (de flesch terugnemend)... Haal jou de duivel!
SERO. En àls-ie ’t deed—als-ie mij voor z’n kudde lustte—zou jìj me
làten halen? En bèn ’k al niet gehaald door twee van z’n rakkers met
knuisten als nijptangen? Hahaha! Hahaha! (De eene hand door de tralies
stekend). Ziet m’n pols ’r niet uit, of bloedzuigers ’r horlepiepten?
Hahaha!
SOLDENIER. Heb je gestolen? (zet zich op de kruk).
SERO. Gestolen, néé. Ja toch: den dag!
SOLDENIER. De dag?
SERO. Ben ik geen dagdief, vrind?
SOLDENIER. Ja, Ja!... Heb je gemoord?
SERO. Nee, nee. Integendeel! Ik bèn vermoord—vermoorder onschuld vind
je niet!
SOLDENIER. Niet gestolen, niet gemoord?... Dan toch gevochten of ergens
brand gesticht?
SERO. Nee, ’t was wel stichtelijk, maar toch geen brand.
SOLDENIER. Dan ben je gek en lastig voor ’t verkeer!
SERO. Juist! Lastig voor ’t verkeer, ha-ha-ha! ’k Stond op de markt en
praatte met de menschen... De een die haalt den ander aan... ’t Werd
wat vol, te vol misschien... Ze drongen op... En toen, toen werd ìk
ingepikt... En die geluisterd hadden kregen klop, ha-ha-ha!
SOLDENIER. Wat heb je dan gepraat?
SERO. De waarheid vriend.
SOLDENIER. De waarheid?... Wat voor waarheid?
SERO. Ja, wat voor waarheid? Nièt die van gister en eergister!...
(onwezenlijk de hand heffend)... Die van vandaag...
SOLDENIER. (spottend) Ach kom! (staat van kruk op.) Wel, wel! En
stonden daarvoor menschen stil?
SERO. Ja, ja—vast meer dan duizend, mannen, vrouwen, kindren—ook
soldaten... ’t Was ’n lust...
SOLDENIER. (spottend). Dat laat zich denken! Hé! Hé! Wat ga je doen?
SERO. (de schoenen buiten de traliedeur op den grond plaatsend). In
geen weken hebben ze ’n beurt gehad. En als ’t Allerhoogst Gezag ’t
acht in ’s lands belang, dan mag ’s Rijks werf voor zool en
achterlappen zorgen! Let je goed op, gewapende macht?... Jij blijft me
borg!... Schendt men mijn schoenwerk, schendt men mijn aangezicht.
SOLDENIER. Ach, ach, wat ’n gezwollen taal!
SERO. Ach, ach, wat ’n gezwollen voeten! Is ’t wonder dat mijn kousen
barsten!... (stilte). Ben jij al lang soldaat? (stilte). O! Ik vraag of
jij al lang met zoo’n ding op je schoeren door ’t leven marcheert?
(stilte), O! Je schijnt je ’r voor te schamen dat je ’t niet zeggen
durft! (stilte)... En dat kruis—waar heb je dat verdiend?
SOLDENIER. Man, vraag niet zooveel! Op ’t veld van eer, natuurlijk!
SERO. ’t Veld van eer...? Oho! (kijkt van het crucifix naar den
Soldenier, lang en aandachtig) Je kruis op ’t veld van éér?
(glimlachend) Hij draagt ’t op z’n rug—en jij van voren... Dat’s mal!
SOLDENIER. (nijdig) Wat’s mal?
SERO. ’t Moest net andersom... Hìj (z’n borst betikkend) ’t enkel
hier—en jullie ’t daar! (beduidt z’n rug) Dan zág je ’r niet zooveel en
werd ’r minder om gevochten, ha-ha-ha!
SOLDENIER. En nou je mond gehouen! En weg die dingen!... (schopt
driftig de schoenen naar de zijde der tafel) ’k Ben simpel dat ’k met
jou spreek!
SERO. Nou vraag ik u beleefd—wat of mijn schoenen je misdaan... Hebben
die redelooze, puike, geduldige lotgenooten van mijn voeten, die uit ’t
stof zijn gekomen en in ’t stof zijn gegaan... (zich onderbrekend) Oho!
Oho!