’n Kleine terugblik.....
10 April 1898 werd op den feestavond bij het Kongres der
Sociaaldemokratische Arbeiderspartij in Nederland, in het gebouw
„Plancius” te Amsterdam, de politieke scherts Puntje opgevoerd.
De afdeeling Amsterdam, die het feest organiseerde, had den auteur, die
zich na een mislukte jeugdpoging niet meer de vleugels aan het
voetlicht brandde, om een „gelegenheidsstuk” gevraagd.
’t Was, voor wie aan de vertooning mee deden, ’n opgewekte,
allergenoeglijkste, niet licht te vergeten avond. Er werd gezongen,
voorgedragen, en Troelstra sprak de feestrede.
Terwijl kleedden wij acteurs, de Roode, Ankersmit, m’n vrouw en ik,
allen dilletanten behalve Ternooy Apel, ons in de primitieve
kleedkamers. We speelden voor de stampvolle arbeiderszaal met de
grootste overtuiging en vermoedelijk slecht. Toch hadden stuk en spel
een vrij goede „pers”. Althans „de Sociaaldemokraat”, destijds orgaan
van onze partij, getuigde in het nummer van 13 April 1898 o. m.:
„Heijermans’ stuk draagt een beslist socialistisch karakter. Het is
een bestuursvergadering van de gezellenvereeniging „Ursule”, ten
huize en onder toezicht van pater Bos, de geestelijke adviseur. De
inhoud zullen we niet mededeelen, omdat we vermoeden, dat het
stukje weldra op de programma’s onzer gezellige bijeenkomsten zal
prijken. Het geheel komt ons als uitstekend geslaagd voor,
maar...... minder geschikt voor dezen feestavond. Daarvoor duurde
èn de voorbereiding èn het stuk zelf te lang. Het publiek in de
stemming als die Zondagavond de heerschende was, genoot niet
zóóveel als „Puntje” te genieten bevat. Alle rollen werden
uitstekend vervuld, de vervulling van de hoofdrol door Ternooy Apel
was meesterlijk”.
Wanneer ’k dit knipsel uit ’t verleden oprakel, geschiedt ’t met de
leut van aan ’n herinnering terug te denken, die in positieven zin
invloed op ’t verder leven had.
Ternooy Apel, door mij in Puntje binnen geloodst, omdat geen van ons de
kanjerrol van den pater aandurfde, sleepte mij als auteur—een acteur
had-ie niet in me ontdekt—naar de planken.
Dat wil zeggen: hij kwam namens de „Nederlandsche Tooneelvereeniging”
met een voorschot. Ik geloof, dat ’k in die dagen voor een voorschot
Naatje op den Dam in de lucht had laten vliegen.
En ’k geloof dat heel wat dramatische krachten in Holland zoetekens
blijven sluimeren door gebrek aan voorschot.
Met ’t mijne, in dadelijk weldadig-kringloopende bewegelijkheid, zette
’k me aan den arbeid, en den 24sten December van dat zelfde jaar, zag
Ghetto ’t schouwburglicht, stuk van Sturm-und-Drang, ’t welk nog geen
maand na de onstuimige baring vertoond werd.
Vandaag nog vermeen ’k, dat de Rafaël-figuur volkomen leeft, dat zoowel
z’n gedroom als z’n „phrases” tot de werkelijkheid van de joodsche
Rafaëls uit die dagen, behooren. Alleen zij, die de socialistische
beweging van uit hun gewatteerde kamer en niet in ’t gewoel zelf hebben
gevolgd—alleen zij, die náást de werkelijkheid staan, mogen zich wijs
maken, dat deze joodsche jongeling uit wormstekig hout is gesneden! Wij
weten beter....
In 1905 (Verg. „De nieuwe Tijd”, elfde jaargang, 1906) ben ’k tot
omwerking van het eerste tooneel van het tweede bedrijf en van de
tweede helft van het derde bedrijf overgegaan.
„De omwerking geschiedde,” schreef ’k in dat tijdschrift: „omdat in den
oorspronkelijken vorm de kern niet tot rustige bezinking was gekomen.
In de nieuwe editie, gehouden in den stijl van 1898, is gepoogd hierin
te voorzien.”
Het kwam mij namelijk, na het bijwonen eener Ghetto-vertooning voor,
dat er niet voldoende nadruk op het feit, dat in deze maatschappij
nagenoeg iedere godsdienst de verhouding van armoedig ghetto-gedoe
aanneemt, werd gelegd.
Er was, voelde ’k, iets ideologisch-onrechtvaardigs in, de symbolische
waarde werd ’r zeker niet door vergroot, als ’k den joden zoo deerlijk
hun ghetto-bestaan aanrekende, waar toch overal, naar alle richtingen
heen, ’t onkruid der ghetto-godsdienstjes bloeit, tiert en naar
historisch-betrekkelijken maatstaf „vooralsnog” bloeien en tieren moet.
Neemt, beminnelijke lezer, ’n Predikbeurtenblad, ’n apostolisch orgaan,
’n klungel van ’t Heilsleger of ’n ander sectarisch „godsdienstig”
propaganda-vehikel in uw handen—peinst in ’n moment van opknetterend
„vrijdenkerschap” over al de kostelijke kerkgebouwen, die zulke
voortreffelijke toevluchtsoorden-voor-onbehuisden zouden kunnen
zijn—mijmert over ’t nationaal christendom met snelvuurkanonnen,
bijbelgenootschappen, repeteergeweeren, zendelingen, politiek,
traktaatjes, Kuypertjes, Heemskerckjes—philosofeert over de hardnekkige
taaiheid van onverschillig welke kerk, als tegenstandster van volkomen
menschelijkheid en volkomen beschaving (laat ’k ’r niet op doorgaan,
daar de opsomming dezer zaken en dingskes voor den sulligsten denker al
zoo gruwelijk banaal is geworden!)—laat dit alles door de vier magen
van uwe geestelijke gesteldheid herkauwen, en ge zult ’t met me eens
zijn, dat ’r meer ghetto-om-van-te-rillen, meer parasitair
rabbijnen-gedaas in deze botte wereld bestaat, dan in het tooneelstuk
Ghetto in debat werd gebracht.
Om de balans een weinig te herstellen, „verbeterde” ’k ’t jeugdwerk in
1905. ’k Trachtte voor zoover ’t oorspronkelijk stuk ’t toeliet, ’t
ghetto-begrip in de christelijke dienstmaagd aan te zetten en van ’n
joodsch ghetto tot meer universeele en noodzakelijke ghetto-menschen te
geraken.
Gelukt is dit niet. Van ’n ouden makkelijken broek maakt men door ’t
inzetten van ’n kruis en ’n achterwerk geen kleedingstuk om, naar alle
richtingen heen, in te cancaneeren.
Den zwaar-beschuldigden joden in Ghetto maak ’k m’n excuus. ’t Is alles
lak en alles ghetto, en hoe ouder en bezadigder je wordt, hoe sterker
je voelt, dat je in ’n hinkenden tijd niemand in ’t bijzonder z’n
horrelvoet moet verwijten.
Hoogachtend
DE SCHRIJVER.
Berlijn, October 1910.
Noot bij bladzijde 41. Op verzoek der destijds littéraire politie
(verg. onderstaande correspondentie, die aan den eersten druk van
Ghetto toegevoegd werd) werd het gezegde „Ons heele volk is ontaard”
geschrapt. Bij latere voorstellingen is het natuurlijk toch weer
gezegd.
Noot bij bladzijde 76. Van hetzelfde laken ’n pak.
Algemeene noot: De verklaring van het joodsch bargoensch is voor den
christelijken lezer achterwege gebleven, opdat deze, in wenschelijke
verbroedering, zijnen joodschen buurman om advies en voorlichting
vrage. Renegaten zullen er niet door komen.
De correspondentie van 1899 luidt:
Amsterdam, 4 Januari 1899.
Den WelEd. Heer
Herm. Heijermans Jr.
Alhier.
Geachte Heer!
Ik ontving van den heer Franken, hoofdcommissaris van politie, een
uitnoodiging om naar aanleiding der Ghetto-opvoeringen even bij hem
te komen.
Aan dat verzoek voldeed ik heden.
De heer Franken wenschte in Uw stuk te doen wijzigen de gezegden
van Rafaël op blz 41 en 76. Ik wees hem er op, dat in geen der vijf
voorstellingen, die plaats gehad hebben, deze gezegden tot eenige
rustverstoring, zelfs niet tot gefluit aanleiding gegeven hebben en
dat trouwens elke voorstelling een stijgend succes had. De heer
Franken bleef evenwel in overweging geven, deze gezegden te
verzachten of achterwege te laten, daar bij eventueel voorkomende
wanordelijkheden de voorstelling onherroepelijk verboden zou
worden.
Wilt U mij even omgaand mededeelen of U de gewenschte wijzigingen
wilt aanbrengen?