Sachel. Rose.
SACHEL. Blijf staan..... Je hoeft niet vort te loopen.....
(nijdiger)..... Blijf staan!
ROSE. ’k Wou weg.
SACHEL. Eerst praten—weten hóé ’t mot.—Kom zitten.
ROSE (angstig). ’k Hoor zoo wel.
SACHEL. Toen ’k je eergisteravond vroeg—of je op was geweest—toen
heb-ie eerst nee gezeid—en toen, dat je ziek was.—En op de trap had jij
niet geloopen—Nee jij niet, me zóón..... (nijdig) Niewaar? Niewaar?
ROSE (angstig). ’k Dorst de waarheid niet zeggen.
SACHEL. Dat dorst je niet—dat dorst je niet, jij doortrapte..... En ik,
blinde gek—dee de pennen op de luiken, bang voor inbrekers en
dieven.—Jij vond ’t te gemeen, hè—tè gemeen, hè, dat ’k je
vroeg—herinner je je?—tè gemeen, hè—of je niet stal, terwijl je in de
nacht rondscharrelde..... (grimmig)..... Nee, de dingen waaraan ìk
dacht, heb je niet gestolen, omdat je wel weet dat daar straf op staat,
omdat je bang was je vingers te branden, maar ’n zoon van ’n blinden
vader aftroggelen, ’n vader maanden lang in z’n eigen huis bedriegen,
dat von je géén diefstal, dat von jé fatsoenlijk, daar had jij geen
bezwaren tegen, hè, hè, hè? As ’k had kennen kijken, had je ’t dan nog
gedaan, was je dan ook zoo laag geweest, om ’t eenig geluid waarvan ’k
hou—uit me ooren te scheuren? Jij geslepen dievegge, jij christin met
erger streken as de oplichters, die me elken dag bestelen!...
ROSE (angstig). Is ’t diefstal, Sachel, as je niet anders ken—allebei?
SACHEL. Hou je mond! Hou je mond! Kòn ’t niet anders? Waar stond ’t in
jouw, in ons testament, dat je van ’n gebrek, waarvoor elke schrift
meelij heit, misbruik mocht maken?
ROSE. ’k Was bang voor je, Sachel. Jij hoorde meer as ’n ander zag. Je
zou me geen uur langer bij Rafaël gelaten hebben..
SACHEL. Dat zou ’k niet, nee!
ROSE. ’k Kon niet buiten ’m.
SACHEL. (grimmig). Niet buiten z’n cènten!
ROSE. Ik heb an geen centen gedacht.
SACHEL. Waar heb je anders an gedacht, waarom heb je anders gekonkeld?
Mijn ken je niks wijsmaken.... Maar zoo waarachtig as de Eeuwige, onze
God, me hoort—geen speld—geen nagel an z’n doodkist—geen spoog water al
leit-ie voor me deur te krimpen, as-ie jou trouwt!
ROSE (achteruitwijkend). Ik wil geen geld.
SACHEL. Blijf staan, staan! Wegloopen van ’n weerlooze! De tijd van
Simson is voorbij—’k zit in geen tempel—zuilen zijn ’r niet! Jij
Filistijn, jij sluwe Filistijn! (een stilte) ..... Hoeveel mot ’k
dokken?
ROSE. Dokken?
SACHEL (nijdig). Dokken, dokken, dokken! ’k Praat toch geen
Hebreeuwsch! Hoeveel mot je? Hoeveel wil je? Voor losprijs—van me
zoon..... (een stilte). Sta je nou te lachen? Ben je wéér bang, da’k an
je stem zal merken hóé happig je ben? Zeg op! Je heb me ’r toch
tusschen! (een stilte). Hoeveel? Krijg ’k antwoord?
ROSE. Daar ken ’k geen antwoord op geven.
SACHEL. Ken je dat niet? Mot je ’r eerst ’n nacht over slapen? Ben je
met honderd gulden tevrejen—honderd gulden, hònderd gulden: daar mot ’k
’n verreljaar voor sappelen en schwitzen!—honderd gulden dàdelijk—en
nog is honderd over ’n half jaar, as we in die tijd niks van je hooren?
Da’s tweehonderd gulden—honderd weken vrij loon—’n ander wurmt zich ’r
krom voor. .....
ROSE (angstig). Nee, Sachel.....
SACHEL. Nee? Nee? Meer geef ’k niet! Al zet je me de duimschroeven an!
ROSE (angstig). .....Al gaf je me duizend, ’k wil geen geld—’k wil je
zoon.
SACHEL (kwaadaardig tot Esther die met ’n emmer naar buiten komt) .....
Tweehonderd vindt ze niet genoeg.