Sachel. Haëzer.
SACHEL. Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.
HAËZER. Wie?
SACHEL. De meid....
HAËZER. Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je voor die geen andere
nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp
wel dat je ongeluk je—somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat
hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid....
SACHEL. Grootheid.... Grootheid.... ’t Is moeilijk God gróot te denken
as je door je ooren en je vingertoppen mot zien....
HAËZER. La-la-la.... Niet zoo doorslaan....
SACHEL. Maar met die meid is ’t wat ànders. ’r Gebeuren dingen onder me
dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de
nacht—en—en....