ZEVENDE TOONEEL.

De vorigen, Dr. Linden.

DOKTER. Dolf, jij?... Wat heb je voor zonderlinge ingeving, om hiér te

verzeilen?

DOLF. Merci voor de buitengewoon-hartelijke begroeting, hahaha! Ik kom

voor záken, na ’n lange reis als commis-voyageur door ’t noorden en ’t

zuiden...

DOKTER... Bril jij?

DOLF. Lei ’k juist aan je vrouw uit!—Daar heb ’k de sensatie wéér,

mevrouw, de óúwe, zóo als ik u zie, van dien fameuzen eersten steen van

de Stichting, met den dominee-met-’t-wratje... Ja ik bril, Jantje,

kerel, kind! Kreeg ’k ineens, zonder waarschuwing, in ’n Belgisch nest.

’t Las m’n krantje—en rutsch al de Reuter-telegrammen aan ’t

zwemmen—collegaatje van je opgezocht—lorgnetje en niemendal gebeurd—de

letters zwemmen niet meer, maar bij ’t zwemmen zelf—moet ’k oppassen

geen botsing te krijgen—Voor de bain-mixtes deug ’k niet meer, hahaha!

Kerel van harte met je dochter!... Maar aan me geschreven heeft-ie ’n

zoon, mevrouw! Hindert jou wat?

DOKTER. Nou—iets hindert me. We hebben zooeven je neef Charles....

DOLF... Is Charltje hier?

DOKTER. Jawel. Met z’n vrouw. En ’t kindje is bij ons op de

ziekenzaal....

DOLF. (plots ernstig)... Is Ninette....

DOKTER. Opgegeven.

DOLF. Dat meen je niet. Is de kleine Ninette... Wat scheelt ’r? Wat

heeft ze?

DOKTER... Hopeloos. Móést ’r opereeren—hij wou Deen in consult, en ’t

eenige wat Deen kòn verklaren, was dat m’n chirurgisch ingrijpen

ùitstel van executie geweest—hij zou ’t zèlfde gedaan hebben.... Dolf,

beste kerel, toen we met z’n tweeën in de wachtkamer kwamen—om ’m

voorzichtig voor te bereiden—op de quaestie van ùren nog—toen liet-ie

ons niet eens aan ’t woord komen, toen begon-ie zoo miserabel te

snikken, zoo ineens oud en hoe zal ’k ’t zeggen, dat we ’r zelf door

kapot werden....

ANNIE. (nerveus)... Jan, ik kan zulke dingen niet hooren....

DOKTER... En je verweet me dat ’k je buiten alles hou!...

DOLF. Waar logeert-ie?

DOKTER. In Royal.... Je ben toch niet van plan ’m dadelijk op te

zoeken?

DOLF. Dat ben ’k zeker.

DOKTER... Doe ’t niet—niet nù... Die twee vijanden-van-mekaar hebben op

’t oogenblik nièmand noodig.

DOLF... Au fond spijt ’t me, dat ’k met ’m overhoop lig... Zou ’k

vanavond?

DOKTER... Morgen—morgen... Ninette kan ’t nog ’n veertien dagen halen,

naar menschelijke berekening—nee, vandaag ontraad ik ’t stellig.... Had

jij ’n verschil met ’m?

DOLF... We zijn met advocaten bezig geweest—na mama’s dood—over ’t

legaat voor de Stichting—diezelfde stichting waar nu z’n eigen kind....

Beroerd! Meer dan beroerd!

DOKTER... Jullie hebt toch sámen je toestemming gegeven—wat hebben dan

advocaten....

DOLF... Nee nièt samen. Hij weigerde niet alleen, maar liet door z’n

rechtsgeleerde dingen over mama’s geestestoestand schrijven, die ik

ergerlijk—schwamm—streep door ’t gebeurde....

DOKTER... En de Stichting hééft ’t legaat. Dan heb jij ’t heelemaal

voor jouw rekening genomen? En dat hooren we toevallig!

DOLF... Je had ’t nìet behoeven te hooren—en we praten ’r geen woord

meer over—geen woord niet waar mevrouw?—geen woord, Jan?—Die tengere,

intelligente Ninette... En toch.. En toch.. (down)... ’k zou met

Charles willen over steken... Beter de plek van ’t grafje, dan....

DOKTER. (gebluft)... Dolf—zou jij ’ns wakker worden!... Ben jij ’t die

daar....

DOLF. (valsch-vroolijk)... Ja!... Kun je zoo hebben. Beetje

wormstekig—dagje ouder... ’n Mensch is ’n zonderling apparaatje... Wie

vroeg en te vroeg lacht—jij de rest, Jantje!... ’k Begin aanleg voor

hypogro... hypo... hahaha! ’k Ben blij, da’k mezelf weer ’ns hoor

lachen! (opstaand) Jullie wonen hier machtig gezellig in je vijftien

meter... (door het erker-venster kijkend) Ah! Goed weer in aantocht. De

bommen en garnalenschuiten zeilen uit...

DOKTER. Hij heeft gelijk. Als die ’t ’r op wagen, krijgen we mogelijk

zon...

DOLF. Wat is dat spektakel benee?

DOKTER. Van de sluizen. Nou spuien ze ’t water van ’t kanaal in zee—Ja,

dat gaat met ’n vaartje. En dat mag zoolang ’r nog niet gebaad wordt...

(weerklinkt kindergezang)... Onze kinderen... Je blijft eten, Dolf?

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 83 / 167 题