De vorigen, Dr. Linden.
DOKTER. Dolf, jij?... Wat heb je voor zonderlinge ingeving, om hiér te
verzeilen?
DOLF. Merci voor de buitengewoon-hartelijke begroeting, hahaha! Ik kom
voor záken, na ’n lange reis als commis-voyageur door ’t noorden en ’t
zuiden...
DOKTER... Bril jij?
DOLF. Lei ’k juist aan je vrouw uit!—Daar heb ’k de sensatie wéér,
mevrouw, de óúwe, zóo als ik u zie, van dien fameuzen eersten steen van
de Stichting, met den dominee-met-’t-wratje... Ja ik bril, Jantje,
kerel, kind! Kreeg ’k ineens, zonder waarschuwing, in ’n Belgisch nest.
’t Las m’n krantje—en rutsch al de Reuter-telegrammen aan ’t
zwemmen—collegaatje van je opgezocht—lorgnetje en niemendal gebeurd—de
letters zwemmen niet meer, maar bij ’t zwemmen zelf—moet ’k oppassen
geen botsing te krijgen—Voor de bain-mixtes deug ’k niet meer, hahaha!
Kerel van harte met je dochter!... Maar aan me geschreven heeft-ie ’n
zoon, mevrouw! Hindert jou wat?
DOKTER. Nou—iets hindert me. We hebben zooeven je neef Charles....
DOLF... Is Charltje hier?
DOKTER. Jawel. Met z’n vrouw. En ’t kindje is bij ons op de
ziekenzaal....
DOLF. (plots ernstig)... Is Ninette....
DOKTER. Opgegeven.
DOLF. Dat meen je niet. Is de kleine Ninette... Wat scheelt ’r? Wat
heeft ze?
DOKTER... Hopeloos. Móést ’r opereeren—hij wou Deen in consult, en ’t
eenige wat Deen kòn verklaren, was dat m’n chirurgisch ingrijpen
ùitstel van executie geweest—hij zou ’t zèlfde gedaan hebben.... Dolf,
beste kerel, toen we met z’n tweeën in de wachtkamer kwamen—om ’m
voorzichtig voor te bereiden—op de quaestie van ùren nog—toen liet-ie
ons niet eens aan ’t woord komen, toen begon-ie zoo miserabel te
snikken, zoo ineens oud en hoe zal ’k ’t zeggen, dat we ’r zelf door
kapot werden....
ANNIE. (nerveus)... Jan, ik kan zulke dingen niet hooren....
DOKTER... En je verweet me dat ’k je buiten alles hou!...
DOLF. Waar logeert-ie?
DOKTER. In Royal.... Je ben toch niet van plan ’m dadelijk op te
zoeken?
DOLF. Dat ben ’k zeker.
DOKTER... Doe ’t niet—niet nù... Die twee vijanden-van-mekaar hebben op
’t oogenblik nièmand noodig.
DOLF... Au fond spijt ’t me, dat ’k met ’m overhoop lig... Zou ’k
vanavond?
DOKTER... Morgen—morgen... Ninette kan ’t nog ’n veertien dagen halen,
naar menschelijke berekening—nee, vandaag ontraad ik ’t stellig.... Had
jij ’n verschil met ’m?
DOLF... We zijn met advocaten bezig geweest—na mama’s dood—over ’t
legaat voor de Stichting—diezelfde stichting waar nu z’n eigen kind....
Beroerd! Meer dan beroerd!
DOKTER... Jullie hebt toch sámen je toestemming gegeven—wat hebben dan
advocaten....
DOLF... Nee nièt samen. Hij weigerde niet alleen, maar liet door z’n
rechtsgeleerde dingen over mama’s geestestoestand schrijven, die ik
ergerlijk—schwamm—streep door ’t gebeurde....
DOKTER... En de Stichting hééft ’t legaat. Dan heb jij ’t heelemaal
voor jouw rekening genomen? En dat hooren we toevallig!
DOLF... Je had ’t nìet behoeven te hooren—en we praten ’r geen woord
meer over—geen woord niet waar mevrouw?—geen woord, Jan?—Die tengere,
intelligente Ninette... En toch.. En toch.. (down)... ’k zou met
Charles willen over steken... Beter de plek van ’t grafje, dan....
DOKTER. (gebluft)... Dolf—zou jij ’ns wakker worden!... Ben jij ’t die
daar....
DOLF. (valsch-vroolijk)... Ja!... Kun je zoo hebben. Beetje
wormstekig—dagje ouder... ’n Mensch is ’n zonderling apparaatje... Wie
vroeg en te vroeg lacht—jij de rest, Jantje!... ’k Begin aanleg voor
hypogro... hypo... hahaha! ’k Ben blij, da’k mezelf weer ’ns hoor
lachen! (opstaand) Jullie wonen hier machtig gezellig in je vijftien
meter... (door het erker-venster kijkend) Ah! Goed weer in aantocht. De
bommen en garnalenschuiten zeilen uit...
DOKTER. Hij heeft gelijk. Als die ’t ’r op wagen, krijgen we mogelijk
zon...
DOLF. Wat is dat spektakel benee?
DOKTER. Van de sluizen. Nou spuien ze ’t water van ’t kanaal in zee—Ja,
dat gaat met ’n vaartje. En dat mag zoolang ’r nog niet gebaad wordt...
(weerklinkt kindergezang)... Onze kinderen... Je blijft eten, Dolf?