Annie, Hope.
HOPE. Wat bedoelt Jan?
ANNIE. Is ’r consult voor ’t meisje van Van Walden...?... (een pop uit
Hope’s hand aannemend). Nee maar Hope-lief, wat ben je ’n engel! Och,
wat bederf je m’n snoetje!
HOPE... Die kun je aan ’t koordje boven ’r hoofdje hangen... (Annie
omhelst haar)... Nou, nou, Annie!... ’k Zou verlegen worden, om weer ’n
kleinigheid mee te brengen.... Ging Jan?... Vreeselijk jammer—zoo’n
lief, zachtzinnig meisje—ach, wat zielig!—heeft na de operatie liggen
lachen—niets aan te doen—niets. Dat consult had net zoo goed.... Maar
Van Walden wòù ’t, wòù ’t... Stakkerig! ’k Had geen oogenblik
Charles—’k heb ’m toch vrij lang bijgewoond—op zulk ’n hartstocht voor
dat ziekelijke, frêle ding getaxeerd....
ANNIE. Jullie hoopten toch—toen ’t voor veertien dagen kwam...
HOPE... Dat deden we—Jan vond één longtop aangetast—de nieuwe acute
ontsteking, die geopereerd móést worden—was tuber, tuber....
ANNIE... Wil je gelooven, dat ik ’t ’n bezoeking vind, naast ’t
Gesticht te wonen... (luistert angstig aan de suitedeur). Als Jan me
zoo iets tegen den avond vertelt, lig ’k den heelen nacht wakker, bang
dat Til.... (de gestichtsbel luidt)... Half vijf?...
HOPE... Ja, da’s de melk.
ANNIE. Blijf jij babbelen, of gaan de kinderen nog naar ’t strand?
(schelt).
HOPE. Naar ’t strand—met dit ruwe weer? Nee. En dan ik ben vrij. Marie
en Toos hebben de beurt.
ANNIE. Drinken we ’n kop thee?
HOPE. Graag.
ANNIE. (tot het dienstmeisje)... Kaatje, kind, zet je voor twee
personen thee? Weet je alleen de bus te vinden, kind? En niet ’t water
eerst—éérst de thee in den trekpot, hoor je?.... Of nee, Kaatje, breng
liever ’t water separaat.... Vlug en niets breken!... (meisje af)...
Zoo moet ’k ’r alles duidelijk maken! Hahaha!