Jaap, Dolf.
JAAP (die juist af geruimd heeft, plaatst den dienbak bij de
achterdeur, spreidt een gebattikt tafelkleed over de tafel—De telefoon,
op de schrijftafel, gaat over. Rustig neemt hij de gehoorbuis). Jawel.
Met Van Walden—met de huisknecht—ja, met Jaap—wil u even wachten?
(aarzelend) ’k Geloof niet dat meneer thuis is—’k zal zien (legt de
buis op het tafelblad).
DOLF (in de deuropening der slaapkamer). Wat fantaseer je?
JAAP. Zachies, meneer... Mevrouw Lebeau: of ze u...
DOLF (wenkt met de hand, dat hij er niet is—heel zacht). Op reis!
JAAP (bij de telefoon). Hallo!... Spijt me, mevrouw, meneer is niet
alleen niet thuis—zooals ’k dacht—hij moet op reis zijn gegaan....
Waarheen? Waarheen?... Ja, dàt weet ’k niet... Wanneer terug?... ’k Zou
’t niet kunnen zeggen—misschien de volgende week....
DOLF (fluisterend roepend). Langer!
JAAP. Misschien langer... (houdt z’n lachen in)... ’k Zal ’t meneer
zeggen, mevrouw.... Adieu, mevrouw... (hangt gehoorbuis op).
DOLF. Nou?... De boodschap?
JAAP. Nom de Dieu!... Sacrénom!... Fiche moi le camp... Je me fou de
lui...
DOLF (hartelijk lachend). Hahaha!... Je ben niet verkeerd verbonden
geweest... (de antieke klok slaat twaalf)... Twaalf?... Twaalf!...
JAAP. Meneer mag zich wel haasten—om negen heb ’k geklopt—om half
tien—om...
DOLF (zich uitrekkend).... Man hou je mond—die klok maakt genoeg
spektakel (geeuwt). ’t Slagwerk haal je ’r vanmiddag uit....
JAAP. Jawel meneer, hahaha!....
DOLF. En lach als je buiten de kamer ben!
JAAP. Als ’t u hinder....
DOLF. Ja, ’t hindert me—’k ben bang dat je je gebit kwijt raakt, als je
schik in je leven krijgt... (geeuwt)... Wie komt—wachten (af in
slaapkamer).