Jan, De Zwaan, later Thijs, Bet, Jacob en gebukt voor het raam, naast
de doode zwaan: De Dokter, Lammersen, Aaltje, Schoenlapper, Bonnet,
Riesje, De Schele, Meisje van Bierman en meerderen.
JAN (onbewegelijk). Zwaan! (angstiger roepend). Zwaan! Zwaan dan!... Je
kijkt me an en je praat niet!... O, je bloed loopt op me bed!... ’k Zel
’t an Jacob vertelle.... Jacob zel ’m met z’n mes doodsteke....
Hullep!... Hullep!...
JACOB (van rechts op de trap met kaas en ham). Wat is d’r, Jan?
JAN. Me zwaan is dood....
THIJS (met een tulband). Dood?...
BET (met een wijnflesch in iedere hand). Hei-jij zoo geroepe, Jan, me
lieve jongen? (buiten verdringen zich de bukkende hoofden naast de
zwaan, in elk der handen etenswaren, ’n groot brood, ’n mand groenten,
’n petroleumkan, ’n worst).
JAN. Me hande slape—me voete slàpe—me sterre benne gestole, gestole,
gestole—me zwaan is vermoord, vermoord, vermoord... Moeder! (het
tooneel wordt plots geheel donker). Moeder!... Hullep!...
Moederlief!... Hullep!...