De vorigen, Thijs.
THIJS. Mo’k me nek breke—draai de lamp op....
BET. Susch... Suscht... hij ’s niks goed. Zoo is-ie nog niet geweest.
Ga de dokter waarschouwe.
THIJS. Nee. Loopt wel los. Verdomd! (smijt den takel neer).
Gesloten—niemand thuis—na ’t vuurwerk (trekt z’n jas uit).
BET. Wat doe je?
THIJS (norsch). Wat ’k doe?... In bed kruipe....
BET. Zoo vroeg?
THIJS. Wi-jìj gaan porre?...
BET. En Sien?
THIJS. Na de bakker—en weet ik ’t!...
BET. Laat je die....
THIJS. Mier me niet an me kop!... ’k Zou me kenne verdoen.... ’k Ben de
boel zat! (tot Jan, die zacht kreunt). Hou op met je geklaag—de heele
dag voer je ’t hoogste woord—geef me ’s nachs rust—(klopt tegen de
wand). Blijf je nog lang op dat ding jenke? Hé! Hé! (harder). ’k Ga na
kooi, ja! (de harmonica stopt). As d’r geen wònder gebeurt—geen
oogeblikkie om te blaze komt—kenne me na de bedeeling.... Mo’k alleen
in bed?...
BET (dof voor de tafel). Ik wacht om te sluite... ’k zel je niet wakker
make (hij stapt in de bedstee).
THIJS. ’t Metras van Jacob leit ’r nog in....
BET. Leg ’t dan op de grond (hij tilt een stroozak op den grond, werpt
de deken er over, herstapt in de bedstee. Een stilte). Slaap-ie,
Jantje?... Slaap-ie? (ze staat op, bukt zich over hem heen, beluistert
z’n ademhaling, draait de lamp bijna geheel af, leunt terug in haar
stoel. ’t Klokje op de kast slaat acht zachte slagen. Enkel het licht
van de lantaarn, buiten, belicht den linkerhoek en de drogende wasch.
Boven gaat de winkelschel over en meer ingehouden zet de harmonica een
droefgeestiger volkswijsje in. Bet dommelt langzaam achterover. De lamp
knettert, dooft. Als door ’n windtocht bewogen, begint de drogende
wasch te wiegelen en in den schijn van het tuimelraam leeft de witte
glanzing van een zwaan op, die z’n nek omlaag buigt).