ZEVENTIENDE TOONEEL.

De vorigen, Thijs.

THIJS. Mo’k me nek breke—draai de lamp op....

BET. Susch... Suscht... hij ’s niks goed. Zoo is-ie nog niet geweest.

Ga de dokter waarschouwe.

THIJS. Nee. Loopt wel los. Verdomd! (smijt den takel neer).

Gesloten—niemand thuis—na ’t vuurwerk (trekt z’n jas uit).

BET. Wat doe je?

THIJS (norsch). Wat ’k doe?... In bed kruipe....

BET. Zoo vroeg?

THIJS. Wi-jìj gaan porre?...

BET. En Sien?

THIJS. Na de bakker—en weet ik ’t!...

BET. Laat je die....

THIJS. Mier me niet an me kop!... ’k Zou me kenne verdoen.... ’k Ben de

boel zat! (tot Jan, die zacht kreunt). Hou op met je geklaag—de heele

dag voer je ’t hoogste woord—geef me ’s nachs rust—(klopt tegen de

wand). Blijf je nog lang op dat ding jenke? Hé! Hé! (harder). ’k Ga na

kooi, ja! (de harmonica stopt). As d’r geen wònder gebeurt—geen

oogeblikkie om te blaze komt—kenne me na de bedeeling.... Mo’k alleen

in bed?...

BET (dof voor de tafel). Ik wacht om te sluite... ’k zel je niet wakker

make (hij stapt in de bedstee).

THIJS. ’t Metras van Jacob leit ’r nog in....

BET. Leg ’t dan op de grond (hij tilt een stroozak op den grond, werpt

de deken er over, herstapt in de bedstee. Een stilte). Slaap-ie,

Jantje?... Slaap-ie? (ze staat op, bukt zich over hem heen, beluistert

z’n ademhaling, draait de lamp bijna geheel af, leunt terug in haar

stoel. ’t Klokje op de kast slaat acht zachte slagen. Enkel het licht

van de lantaarn, buiten, belicht den linkerhoek en de drogende wasch.

Boven gaat de winkelschel over en meer ingehouden zet de harmonica een

droefgeestiger volkswijsje in. Bet dommelt langzaam achterover. De lamp

knettert, dooft. Als door ’n windtocht bewogen, begint de drogende

wasch te wiegelen en in den schijn van het tuimelraam leeft de witte

glanzing van een zwaan op, die z’n nek omlaag buigt).

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 25 / 167 题