TWAALFDE TOONEEL.

Bet, Jan, Sien, de Kapelaan.

BET (boven aan de trap). Of dat nou zoo’n moeite geweest was die paar

trejen af te komme! Affijn....

JACOB. Is ’t droog buiten? (luider omdat zij over de onderdeur leunt).

Hoe doet ’t weer, moeder?

BET. ’t Vriest, zou ’k meene—de plassies legge droog... Gelijk het-ie:

de vlag van boven zit in de takke... Alles vlag wa-je ziet...

Goeie-avond, meneer de kappelaan....

KAPELAAN. Navond—hoe is ’t met de jongen?

BET. Dat begrijp u wel—niet voor- en niet achteruit... Zeg-ie niks,

Jan? Meneer de kappelaan vraagt hoe ’t met je is?

JAN. Dankie kappelaan! ’k Hé blomme gekrege, kappelaan... Mot je niet

is ruike?...

KAPELAAN. Dank je Jan. Ligt-ie niet op de tocht met die deur open?

BET. Tocht? D’r is geen zuchie te bekenne! En hij leit beschut....

KAPELAAN. Wat zijn de laatste berichten van den dokter? (Bet legt ’n

vinger op ’r mond—hij praat zachter). Wat zegt de dokter? (zij

fluistert hem iets in ’t oor—hij schudt bedenkelijk ’t hoofd). Moed

houen—moed houen... Dag Jan!

JAN. Dag kappelaan... (strekt haastig de vijf vingers langs den neus,

trekt in bedwongen gelach de deken over ’t hoofd).

KAPELAAN. Navond! Navond Thijs! (af).

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 20 / 167 题