De Dokter, Bet, Jan, Jacob, Sien.
DOKTER (over de onderdeur). Is de kruier thuis?
BET. Nee dokter—’n boodschap.
DOKTER. Wil je ’m zeggen dat ’k vannacht om vier uur gepord moet
worden—vooral niet later—’k heb ’n verlossing buiten de stad....
BET. Me zalle d’r voor zorge, dokter.
DOKTER. Goeie avond!
BET. Dokter! Zou u d’r gelijk nog niet effen willen inkomme—hij het
koors—’k ben met ’m uitgeweest, om ’n luchie te scheppe en de koningin
te zien rijje....
DOKTER. Dan kom ’k liever àls ’k tijd heb in den loop van den avond—de
wachtkamer zit vol. Tot zoolang kun je wel geduld hebben, niewaar Jan?
JAN. ’t Is niemedal, dokter—enkel wat warrem!
DOKTER. Flink zoo!... Vier uur—niet later—’t rijtuig is om half vijf
besteld (af).