(Het tooneel ver-beeldt het pothuis van een kruier, laag van
verdieping, met een vervelooze binten-laag. In den haveloozen,
gecementeerden achtermuur bevindt zich een langwerpig tuimelraam met
vale gordijnen. In den hoek, rechts van achterwand en zijwand, een
ombuigende trap met onderdeurtje, tot de straat toegang gevend. Tegen
die trap aan, langs de rechterzijwand, twee bedsteden. Onder het
tuimelraam een ijzeren ledikant. In den linker-hoek van achterwand en
zijwand lijnen waaraan de wasch te drogen hangt: heel voor een slap
gespannen beddelaken. De linkerwand, met een verschoten behang, toont
naden van gespleten planken. In het derde plan van die wand de afvoer
voor de gebarsten potkachel. Daarnaast, tweede plan, een ladenkastje
met heiligebeeldjes. Tegen het beschot, éérste plan, een lompe tafel,
waarboven een flauw-brandende petroleumlamp. Meer naar de zijde der
bedsteden een kleinere withouten tafel, die voor werkbank dienst doet
en door een eind kaars in een flesch belicht wordt. Aan de bovenbinten
hangen eenige kleinere takels. Late Februari-middag. Zwakke schemer
door de gordijnen van het tuimelraam).