Indien iemand tandpijn heeft, of indien het tandvleesch gezwollen is,
gaat de toovenaar een steen halen in de rivier; dan giet hij palmwijn
op dezen steen, en hij neemt negen aardnoten, die hij vastbindt in
een stuk vod. Alles hangt hij aan de keel van den zieke. Daarna geeft
hij den palmwijn te drinken die over den steen geloopen is, en hij
zegt het verbod, alzoo: Aardnoten, dat hij ze niet ete, noch vleesch,
noch nsomfi, noch makaki [285].
Dan regelt men het toovergeld. Men geeft hem drie keeren negen
mitakos en een jong kieken. En de toovenaar trekt op, als men dit
alles gegeven heeft.
Indien de zieke genezen is, doet men weer den toovenaar komen. Men
moet de zaken halen van 't verbod. Men geeft ze aan den toovenaar,
en hij spijst den zieke, maar heel weinig. Al wat er overblijft is
voor den toovenaar, en men geeft hem negentig mitakos.
Songia.