VERHAAL VAN OORLOG

Te Songia kwam altijd een neef in 't huis van zijn oom kouten met zijne

moei, en dat tateren begon, wanneer de oom niet thuis was in 't dorp.

't Opperhoofd van 't dorp, Ta Nuna, alzoo: Wo! Gij, Nzengo, gij

komt hier slechte zaken uitsteken; in 't huis van uwen oom komt gij

onkuischheid doen. Wat, gij een wangedrocht van uwe moeder, alle

dagen komt gij mij alzoo in 't dorp uitlachen.

En hij ging zijn geweer halen. Terwijl zij vochten en vochten, 't

geweer, toen hij het aanlegde, 't schot ging af, en 't poeder kwam

Nzengo in zijn voet treffen.

En Nzengo trok met vele pijn naar zijn dorp op.

't Opperhoofd van 't dorp en de ouden bevolen, alzoo: Neemt al de

zaken, gaat ze verbergen!

Verscheidene vrouwen aan 't weenen waren zij.

't Gebeurde verspreidde zich in de dorpen.

De mannen van Kingombe kwamen af, alzoo: Betaalt de boete. Indien

gij geen boete betaalt, uw dorp het sterft [229].

De mannen van Songia namen negentig mitakos en gaven ze; zij gingen

eene geit halen, en zij gaven ze!

Daarna trokken de mannen van Kingombe op.

En alzoo, de eene na den anderen, kwamen de mannen van Kiyala af en

van Nlondo en van Kibangu, en zij gaven de mitakos en de geiten.

Eindelijk kwamen de mannen van Zunzi af, alzoo: Betaalt de boete.

Zij namen de mitakos, en zij gaven ze, alzoo: Gaat terug, morgen zult

gij de geit ontvangen.

Zij trokken op. Toen zij aan 't uiteinde van 't dorp kwamen, staken

zij 't groote woud in brand.

De mannen van Songia: Wij, wij hebben onze boete betaald, wel nu,

zij, zij hebben ons woud in brand gestoken. Vooruit, onderdanen,

vat uwe geweren. Wij volgen ze.

Zij, de mannen van Zunzi, aan 't spotten waren zij.

En zij namen ook hunne geweren in hun dorp en zij kwamen terug. En

zij vochten en vochten.

De mannen van Songia, toen zij schoten, schoten 't opperhoofd van

Zunzi dood.

En de mannen van Zunzi begonnen te roepen, terwijl zij met de hand

op den mond sloegen, in de richting van hun dorp. Toen zij afkwamen,

die in 't dorp gebleven waren, alzoo: Vooruit, jongens, gaat de mannen

verwittigen van de volgende dorpen: Kingombe, Nlondo, Kiyala en Boko,

dat zij de mannen van Songia komen omringen.

Toen zij kwamen, omringden zij heel 't bosch.

Heel 't dorp van Songia was 't bosch binnengedrongen.

En men voerde oorlog en oorlog.

De mannen van Zunzi konden geen mensch dooden van Songia.

De mannen van Songia, alzoo: Wel, vooruit, gaat zeggen dat wij willen

onderhandelen.

En zij zonden de onderhandelaars op.

De mannen van Zunzi, alzoo: Wel, gaat terug, dat zij oorlogsslaven

geven!

En zij regelden en regelden de zaak, en men kwam overeen om drie

oorlogsslaven te geven.

Toen zij de drie oorlogsslaven gegeven hadden, trokken zij er mede

op naar Zunzi, en de mannen van Zunzi hakten ze dood. De hoofden ging

men leggen, waar men 't opperhoofd begraven had. En zij riepen, alzoo:

De mannen van Songia hebben ons opperhoofd gedood, iedere mensch die

zot is, dat hij ga, dat hij ga eten te Songia.

Zoo riepen zij heel hun dorp door.

Dat spreekwoord hoort men nog tot op dezer dagen.

Songia.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 74 / 153 题